Zieken en ziekenzorg in de 19de eeuw

 

Beeldmateriaal nr. 38588

Leven in 19de eeuws Utrecht
In de 19de eeuw raakten de steden steeds dichter bevolkt. Veel mensen trokken van het platteland naar de stad, in de hoop daar werk te vinden. De stad Utrecht had in 1822 35.000 inwoners. In het jaar 1900 woonden er al 110.000 mensen. Al die mensen moesten ergens wonen. Overal waar het maar kon, werden huizen en krotten tussen de bestaande bebouwing neergezet. Achter de mooie huizen langs de belangrijke straten ontstonden zo de sloppenwijken waar soms hele gezinnen in één kamer moesten wonen. Het verschil tussen arm en rijk werd steeds groter. De woonomstandigheden van de arme mensen, bijvoorbeeld rond de Klaaskerk, in Wijk C en in de steegjes aan de Oudegracht waren zeer slecht.

Hygiène en gezondheid 
Al uit 1828 kennen we onderzoeken over de slechte omstandigheden waarin mensen in Utrecht moesten leven. De huizen worden daarin beschreven als ‘holen zonder licht of lucht' die sinds de middeleeuwen niet veranderd zijn. Maar de mensen die daar woonden, waren er volgens een onderzoeker slechter aan toe dan de middeleeuwse Utrechters. Toch waren deze bewoners blij dat ze in ieder geval een dak boven hun hoofd hadden.

Er was nog geen waterleiding om iedereen van schoon water te voorzien. En de arme mensen deelden met vele gezinnen één toilet. In deze omstandigheden hadden besmettelijke ziekten alle kans om zich te verspreiden. En dat deden ze ook. Vooral arme mensen waren het slachtoffer. Maar ook rijkere mensen voelden zich bedreigd en konden besmet raken.

Ziekten in de 19de eeuw
Cholera, pokken, tyfus en tuberculose (tbc) zijn ziekten die in Nederland niet of nauwelijks meer voorkomen. Pokken zijn zelfs over de hele wereld uitgeroeid. Maar in de 19de eeuw kwamen in Nederland epidemieën nog veel vaker voor en was er weinig tegen te doen.

De cholera
De Aziatische cholera (of ‘Aziatische braakloop') was een zeer besmettelijke darmziekte die door bacteriën werd veroorzaakt. In 1832 kwam cholera voor het eerst als epidemie in Utrecht voor. Het eerste slachtoffer was een kind buiten de Tolsteegpoort. De dokter ging kijken, en trof het kind aan op een kruiwagen in het koude achterhuis, met daaromheen de halve buurt die de ‘nieuwe ziekte' kwam bekijken. Snel raakten veel mensen besmet.  40% van alle zieken overleed.

Symptomen van cholera waren een vreemde, blauwe gelaatskleur, uitpuilende ogen, hevige diarree en overgeven. Het kwam wel voor dat mensen, die de vorige avond nog gezond naar bed waren gegaan, 's nachts ziek werden en de volgende dag stierven. Er zouden in de 19de eeuw nog meer cholera-epidemieën volgen, zoals in 1848 - 1849 en een hele grote epidemie in1866.  

Hoe je met cholera besmet werd, wisten de mensen niet. Wel hadden ze in de gaten dat het te maken had met hygiëne. Vooral in arme buurten vielen veel slachtoffers. Wijk C, waar soms 20 gezinnen één ‘secreet' (mooi woord voor poepdoos) deelden, verspreidde de ziekte zich snel.

Omdat de cholera steeds terugkwam, werden maatregelen genomen. Zo werd een aantal krotten gesloopt en een begin gemaakt met de aanleg van waterleiding in de hele stad.

Pokken 
Pokken is een besmettelijke huidziekte, die zich snel verspreidt. Het pokkenvirus veroorzaakt etterpuisten die het hele lichaam bedekken. Pokken kwamen vroeger vooral onder kinderen veel voor. Daarom werd de pokken ook wel ‘de kinderziekte' genoemd.  Als je de ziekte één keer overleefd had, was je de rest van je leven veilig. Dan had je antistoffen aangemaakt waardoor je geen pokken meer kon krijgen. Vanaf 1800 werd gebruik gemaakt van deze kennis: de mensen konden zich laten inenten met heel klein beetje koepokken. Dan werden ze een beetje ziek, genoeg om antistoffen aan te maken.  In 1858 werd in Utrecht een commissie voor koepok-enting opgericht, maar lang niet iedereen deed mee. Dat bleek in 1870 en 1971, toen er weer een pokkenepidemie heerste. In Utrecht stierven toen 734 mensen aan de pokken.

Pas aan het eind van de 19de eeuw lieten veel mensen zich inenten.

Tyfus
Tyfus is een darminfectie die via ontlasting wordt verspreid. Ongeveer 10 % van iedereen die besmet raakte, overleed eraan. Regelmatig stak de tyfus de kop op, vooral in de armere wijken waar veel mensen een toilet deelden.

Tuberculose
Tuberculose (tbc, vroeger ook wel ‘tering' genoemd) was een veel voorkomende besmettelijke ziekte. Longtuberculose is de bekendste vorm en wordt overgebracht door hoesten. Rond 1900 ontstonden de eerste sanatoria in Nederland waar tbc-lijders werden verzorgd. Belangrijk waren frisse lucht, schoon water en een goede voeding.
Hoewel tbc na 1875 niet zoveel meer voorkwam als daarvoor, leed in 1910 nog steeds 15% van de Nederlanders aan deze ziekte. Een deel van hen stierf er ook aan.

Hoe ziekten ontstaan 
In de 19de eeuw bestonden er verschillende theorieën over het ontstaan van ziekten. In de eerste plaats was er de miasmatheorie. Volgens deze theorie werden ziekten veroorzaakt door kwalijke dampen (miasma's), die konden ontstaan door bijvoorbeeld plotselinge hitte of kou.

De tweede theorie ging over besmetting. Ziekten werden volgens deze leer van de ene mens overgebracht op de andere. Wij weten nu dat dat klopt. Maar hoe het in zijn werk ging, wisten ze toen nog niet.  En dat maakte het moeilijk om besmetting te voorkomen. Uit de buurt blijven van zieken was de belangrijkste boodschap.
In 1880 werd ontdekt dat bacteriën sommige ziekten konden veroorzaken. Deze ziekten heten ‘infectieziekten'. Zo ontdekte de Duitse hoogleraar Robert Koch in 1882 de bacterie die tuberculose veroorzaakte en in 1884 de bacterie waardoor cholera ontstond.

Ziekenzorg
Ziekenhuizen (die meestal ‘gasthuizen' werden genoemd) waren vooral om zieken en bejaarden te verzorgen. De dokters kwamen wel aan je bed, maar konden weinig doen om je beter te maken. Als je rijk was, liet je je thuis verzorgen. Alleen als er geen andere mogelijkheid was, ging je naar het ziekenhuis. Beter werd je er namelijk niet vaak: als je ergens kans had om een besmettelijke ziekte op te doen, dan was dat juist in het ziekenhuis.

Dit veranderde vanaf het midden van de 19de eeuw. Door allerlei uitvindingen en ontdekkingen (zoals narcose, medicijnen en röntgenapparaten) konden de dokters echt mensen beter maken. Toen gingen ook rijke mensen naar het ziekenhuis. Daar kwamen aparte afdelingen voor rijke en arme patiënten.

Ziekenhuizen
Er waren steeds meer plaatsen in de ziekenhuizen nodig. Het Academisch Ziekenhuis (ziekenhuis van de universiteit, waar dokters worden opgeleid) dat sinds1817 aan de Langejufferstraat stond werd veel te klein. En er liep allerlei ongedierte rond. Ook was er geen operatiekamer - de operaties werden gewoon ‘op zaal' uitgevoerd. De nieuwbouw aan de Catharijnesingel was bij de opening in 1871 alweer te klein.

Het Diaconessenhuis (voor de protestanten) was opgericht in 1844, aan de Springweg. Kort daarna was een tyfusepidemie. Ook artsen en zusters van het ziekenhuis stierven aan deze ziekte. In 1849 kreeg het ziekenhuis een nieuw pand, aan de Oudegracht, op de hoek van de Bijlhouwersstraat. De katholieken konden terecht in het Andreasgasthuis en militairen in het Militair Hospitaal dat in 1807 was opgericht door de Franse koning van Holland, Lodewijk Napoleon, voor zijn manschappen.
De meeste ziekenhuizen lagen toen nog in de binnenstad. Later, in de eerste helft van de 20ste eeuw, kregen de ziekenhuizen nieuwe gebouwen in de buitenwijken. Het Diaconessenhuis bijvoorbeeld liet het pand bouwen dat nu nog in gebruik is aan de Bosboomstraat.

Speciale  ziekenhuizen
Dokters gingen zich specialiseren. Zo had de arts F. C. Donders erg veel belangstelling voor alles dat met ogen te maken had. Hij stichtte in 1858 het Ooglijdersgasthuis, dat in 1894 aan de F. C. Dondersstraat een nieuw gebouw kreeg. 

Het in de middeleeuwen door Willem Arntsz gestichte dolhuis werd tussen 1830 en 1860 door Schroeder van der Kolk geheel gereorganiseerd. Niet langer was het een plek waar krankzinnigen werden "opgeborgen", maar het hoofddoel van de behandeling en verpleging was genezing. De WIllem Arntsz Stichting kreeg in 1841 als eerste instelling in Nederland het predikaat  "geneeskundig gesticht voor krankzinnigen".  Onder andere Theo van Gogh, de broer van Vincent, was hier patiënt.  Zijn dossier wordt bewaard in Het Utrechts Archief.

Beeldmateriaal nr. 38434

Meer informatie?

Voor afbeeldingen kijk bij collectie beeldmateriaal.

Werkstukken

Onderwerpen