Leven in de Middeleeuwse stad
Mensen leefden dicht op elkaar. Door de slechte hygiëne kregen besmettelijke ziekten veel kans en stierven veel vrouwen als zij een kind kregen. Bij epidemieën vielen veel slachtoffers, vooral onder arme mensen. Ziekten die nu onschuldig zijn,
waren niet te genezen. Op straat zag je veel mismaakte mensen met bochels, zweren en andere huidziekten.
Steden waren in de middeleeuwen best vies. Ook Utrecht was vrij smerig. Utrecht was in de middeleeuwen één van de belangrijkste steden van ons land. En de stad kreeg steeds meer inwoners. En hoe meer mensen, hoe meer afval. Een deel van het afval kwam terecht op mesthopen rondom de huizen en in de diepe beerputten achter het huis. Maar veel meer werd in de gracht gekieperd, zoals slachtafval.
Het stadsbestuur probeerde ook in de middeleeuwen de vervuiling tegen te gaan. 'Slijkburgers' werden aangesteld die een deel van een straat, burg of werf schoon moesten houden. En bedrijven mochten hun afval niet meer in de gracht gooien. Maar het bleef vies, ook al omdat de straten bij regen in modderpoelen veranderden.
Drinkwater
De meeste huizen hadden een waterput of waterpomp. Hieruit kwam het drinkwater. Maar de meeste beerputten lekten, zodat het drinkwater vervuild raakte. Soms smaakte dat water zo slecht en zag het er zo griezelig uit dat de mensen toch nog liever
water uit de gracht haalden. Maar daar was het water ook niet echt fris. Geen wonder dat de middeleeuwers liever bier dan water dronken.
Op sommige plekken was goed drinkwater te krijgen. De pomp op de Mariaplaats was beroemd. Dit water werd zelfs per schip naar Amsterdam vervoerd en daar per kruik verkocht.
Ziek zijn en beter worden: kwakzalvers en dokters
Wie ziek werd, greep eerst naar vertrouwde huismiddeltjes. Als die niet hielpen, probeerden ze hulp te krijgen. Arme mensen kwamen meestal bij kwakzalvers terecht. En daar waren er veel van, vooral op de kermissen en jaarmarkten. Daar brachten
zij hun drankjes en smeerseltjes aan de man. Op deze markten kon je ook van je kiespijn worden verlost door de 'tandentrekker'.
De zieken konden ook terecht bij één van de stadschirurgijns die de stad sinds 1380 in dienst had. De chirurgijns verzorgden gratis wonden en gezwellen, zetten botbreuken en smeerden zalf.
De echte dokters waren deftige heren, gekleed in een zwarte cape met een zwarte hoed. Tot 1600, toen er universiteiten in Nederland kwamen, werden zij in het buitenland opgeleid. Er waren maar een paar echte dokters in de stad. Zij verzorgden vooral de rijke mensen. Maar ook zij konden vaak niet veel meer doen dan aderlaten en laten overgeven. Hoe zieke mensen andere konden besmetten, wisten ze niet. Ze dachten dat er een 'smetstof' door de lucht zweefde.
Kruiden
Al heel lang wisten de mensen dat sommige kruiden kwalen kunnen verhelpen. 'Crudeners' of 'aptekers' verzamelden kruiden om aan zieken te verkopen. De eerste apotheker die in Nederland bekend was, was de Utrechter Anselmus. Rond 1276 begon hij
een winkeltje in de Servetstraat.
De meeste apothekers hadden een kruidentuintje. Hun kennis haalden zij uit een 'Cruidenboeck'. In dat boek stonden alle geneesmiddelen die toen bekend waren. In zo'n boek staan geneesmiddelen die ook nu nog gebruikt worden. Andere middelen vinden wij nu raar, zoals drankjes met pissebedden, schorpioenen en slangen. Bij het maken van die drankjes ging ook wel eens wat mis. Dat was geen wonder, want soms gingen er in één drankje wel 70 verschillende stoffen. En sommige daarvan waren erg giftig.
Ziekenhuizen
Het oude woord voor 'ziekenhuis' is gasthuis. Daarvan had Utrecht een aantal, maar de meesten waren echt bedoeld voor gasten: reizigers en pelgrims. Het enige gasthuis dat vanaf het begin bedoeld was om zieken te verplegen, was het 'Sinte
Catharijnen Gasthuis'. Vanaf 1250 werden hier armen verzorgd.
In 1367 werd het Bartholomeus Gasthuis aan de Lange Smeestraat gesticht. Ook invalide mensen konden hier gratis terecht, zoals Metgen met de Lamme Hand, Dove Hubert en Blinde Bertgen. Tweemaal per dag kwam de stadschirurgijn langs in het gasthuis.
Andere plaatsten waar zieken verzorgd konden worden, waren het Barbara- en Laurensgasthuis (aan de Oudegracht, waar nu de Winkel van Sinkel is), het Jacobsgasthuis (aan het einde van de Jacobsgasthuissteeg) en het Agathagasthuis (bij wat nu Museum het Catharijneconvent is). Al deze gasthuizen zijn gesticht in de 14de eeuw, toen de stad groeide, en meer zorg nodig was.
Het Dolhuis was een plek voor krankzinnigen die een gevaar voor de omgeving waren. Het Dolhuis was gesticht door Willem Arntz, een rijke Utrechter. Rijke mensen zorgden wel vaker voor armen en zieken door geld na te laten voor de bouw van een ziekenhuis.
De zwarte dood
Rond 1350 kregen de mensen te maken met een onbekende ziekte. Miljoenen mensen in Europa gingen dood. Iedereen dacht dat het de straf van God was voor de slechte dingen die de mensen deden.
Vanaf 1350 tot 1660 kregen de Utrechters regelmatig met deze ziekte te maken. Men ontdekte al snel dat de ziekte besmettelijk was, maar wist niet hoe de ziekte van de ene naar de andere persoon werd overgebracht. Voor de zekerheid probeerden ze de zieken zo min mogelijk in contact te laten komen met gezonde mensen. Aan de deur van een huis waar pestlijders waren, hing een bundel stro. Als je die zag, wist je dat je daar niet moest wezen. Pestlijders mochten maar bepaalde uren op straat komen en moesten dan een witte stok bij zich hebben. Dan kon iedereen ze zien aankomen en aan de kant gaan.
Sinds 1514 had de stad pestmeesters in dienst. Zij controleerden of iedereen zich aan de regels hield. De doden werden begraven door de Cellebroeders, leden van een godsdienstige broederschap.
Rond 1550 werd een speciaal ziekenhuis voor pestlijders gebouwd. Het geld daarvoor kwam van een rijke dame, Agnes van Leeuwenberch. Zij was net overleden en liet haar geld na voor de verzorging van zieken. Van dat geld werd een stuk grond gekocht op het Servaasbolwerk bij de stadsmuur. Hierop werd het pesthuis Leeuwenbergh gebouwd. Maar de ziekte was toen aan het verdwijnen en het pesthuis stond vaak leeg. In 1794 werd het verbouwd tot kazerne en in 1930 werd dit de Leeuwenbergkerk. Tegenwoordig worden hier feesten en concerten gehouden.
Het melatenhuis
Een ziekte waar de mensen in de middeleeuwen ook heel bang voor waren, was melaatsheid of lepra, zoals we hem nu noemen. De ziekte tast de zenuwen aan waardoor lichaamsdelen als handen en voeten ongevoelig worden. Leprapatiënten (melaatsen)
raakten verminkt, verlamd en vaak blind, en werden nooit meer beter. De veroorzaker is een bacterie, maar de dokters wisten dat niet en ook niet hoe ze deze ziekte moesten behandelen. Iedereen was bang voor besmetting en niemand wilde met melaatsen te
maken te hebben. Vanaf 1250 werden zij naar het Melatenhuis aan de Kromme Rijn buiten de stad gebracht. In 1470 verhuisde het Melatenhuis naar de Steenweg, halverwege tussen Utrecht en De Bilt.
Het leven van een melaatse was heel moeilijk. De meesten bedelden hun kostje bij elkaar. Met ratels moesten zij laten weten dat ze eraan kwamen, zodat de gezonde mensen zich uit de voeten konden maken. In 1473 werden alle melaatsen uit de stad verbannen. En wie een melaatse in huis had, werd zelf ook voor een jaar verbannen. Je moest dus je zus of vader de stad uitjagen als ze enige sporen van lepra lieten zien.
Na 1500 werden melaatsen weer tot de stad toegelaten. De ziekte was toen al bijna verdwenen. Het Melatenhuis kon toen gebruikt worden voor een andere ziekte die veel mensen hadden: de schurft, een vervelende huidziekte die door de schurftmijt wordt overgebracht.
Nog een akelige ziekte: de kinderziekte (de pokken)
Ook tegen de pokken konden de dokters niets doen. Telkens weer brak deze ziekte uit. Men noemde het 'de kinderziekte' omdat vooral heel veel jonge kinderen eraan stierven. Als je de ziekte één keer overleefd had, was je de rest van je leven
veilig. Dan had je antistoffen aangemaakt waardoor je geen pokken meer kon krijgen. Vanaf 1800 werd gebruik gemaakt van deze kennis: de mensen konden zich laten inenten met een heel klein beetje koeienpokken. Dan werden ze een beetje ziek, genoeg om
antistoffen aan te maken. Deze methode wordt ook nu nog gebruikt.
Ziekenfondsen
De verzorging van zieken is altijd duur geweest. Als je arm was, kon je gratis hulp krijgen bij de stadschirurgijn. Maar wie niet arm was, moest het zelf betalen. En je kon ondertussen geen geld verdienen, dus dubbel pech. Verzekeringen bestonden
nog niet, maar de gilden hadden wel zoiets bedacht voor hun knechten. Elke knecht stortte iedere week een klein beetje van zijn loon in de 'knechtenbus'. Als hij ziek werd, kreeg hij een uitkering waarmee de dokter betaald kon worden en de dagelijkse
boodschappen gehaald konden worden.
Dood en begraven
In de middeleeuwen werden de meeste doden in of rondom de kerk begraven. Edelen en rijken mensen in de kerk, de anderen op het kerkhof. Al lang werd geklaagd over begraven in de kerk: doordat de graven niet diep genoeg waren gegraven stonk het er
vreselijk.
Meer informatie?
Kijk voor afbeeldingen bij de collectie beeldmateriaal.