De ‘Grote Oorlog', zoals hij toen genoemd werd, woedde in een groot deel van Europa. In deze Eerste Wereldoorlog stonden de ‘centralen' (Duitsland, Oostenrijk, Italië en Turkije) tegenover de ‘geallieerden' (de bondgenoten België, Frankrijk,
Groot-Brittanië en Rusland, en vanaf 1917 ook de Verenigde Staten). Als één van de aanstichters van de oorlog werd - ook in Duitsland - de Duitse keizer Wilhelm II gezien.
De strijd speelde zich voor het grootste deel af in noordwest Frankrijk en Rusland. In kilometerslange loopgraven stonden de soldaten van beide partijen tegenover elkaar. Het was een oorlog die miljoenen slachtoffers onder de soldaten
eiste.
Nederland vocht niet mee in deze oorlog, maar had wel te maken met de gevolgen. Nederland was de hele tijd ‘gemobiliseerd', dat wil zeggen dat veel mannen opgeroepen waren voor dienstplicht en dat het leger klaar stond ‘voor het geval dat'.
Vanwege de aanwezigheid van de Nieuwe Hollandse Waterlinie was hiervan in Utrecht veel te merken. In crisistijden waren er wel 18.000 man in de diverse kazernes en forten gelegerd, waarvan 10.000 in en om de stad Utrecht. In rustiger periodes
bleven het er in totaal altijd nog 6.000. Die moesten allemaal beziggehouden en gevoed worden. In de stad Utrecht was de Staat van Oorlog van kracht. Dat betekende onder andere dat de burgemeester en wethouders niet meer de hoogste baas waren,
maar moesten overleggen met de Liniecommandant. Het was verboden om op de Domtoren en andere kerktorens te klimmen, zodat eventuele spionnen van daaruit niet de waterlinie zouden kunnen overzien.
De werkeloosheid groeide omdat de internationale handel stil lag. Om de nationale handel te bevorderen werd daarom in 1917 de Jaarbeurs opgericht. Deze bestaat nog steeds. Door bonnendistributie werd het schaarse voedsel eerlijk verdeeld.
Grote groepen Belgen vluchtten naar Nederland, en werden hier opgevangen. Bij mensen thuis, maar ook in tentenkampen.
De Duitse keizer op Huis Doorn
In 1917 gingen de Verenigde Staten meevechten aan de geallieerde kant. Het werd duidelijk dat de ‘centralen' op den duur wel zouden verliezen. Maar pas op 11 november 1918 gaven zij zich over. Tegen het eind van de oorlog wilden de Duitsers niets
meer te maken hebben met hun keizer Wilhelm II, die toch al nooit populair was geweest. In Duitsland was men bang dat er een volksopstand of zelfs revolutie uit zou breken. Daarom moest Wilhelm moest weg.
In het neutrale Nederland vond hij onderdak, al wilde koningin Wilhelmina daar eigenlijk niets van weten. Hij woonde twee jaar op Kasteel Amerongen. Daar konden ze hem al snel niet meer hebben met al zijn personeel en al zijn eisen.
Uiteindelijk kwam hij te wonen op Huis Doorn, in Doorn. Hij had uit zijn kolossale paleizen in Duitsland wat huisraad meegenomen. Maar liefst 57 wagonladingen vol meubels, tapijten, serviezen en schilderijen gingen richting Huis Doorn. Hij heeft daar de
rest van zijn leven doorgebracht, zijn dagen voornamelijk vullend met het hakken van hout. Hij stierf in 1941. In de tuin van Huis Doorn staat het mausoleum waarin zijn lichaam ligt. Ook zijn hondjes liggen daar vlak in de buurt begraven.
Meer informatie?
Bezoek het publiekscentrum van Het Utrechts Archief en maak kennis met Adrianus Kaptein, die in 1914 met zijn mannen gelegerd was in
fort Honswijk, een van de forten van de Hollandse Waterlinie.
Overige websites: