Buiten de Catharijnepoort begon in de middeleeuwen de stadsweide. Hier lieten de Utrechtse burgers hun koeien grazen en haalden zij hout vandaan. In 1432 zat de stad zo in geldnood dat zij delen van de stadsweide verkocht. De nieuwe eigenaren bouwden er boerderijen. Een deel van de boerderijen werden in de loop van de tijd uitgebouwd tot luxe buitenplaatsen zoals Leeuwenstein.
In de 17de eeuw kwamen ook bedrijfjes aan de (net gegraven) Leidse Rijn en de Vleutensewetering: houtzaagmolens, brouwerijen en steenbakkerijen. Deze waterwegen kan je zien als de snelwegen van die tijd: trein en auto waren er nog niet en de meest betrouwbare vorm van vervoer was de trekschuit, met regelmatige diensten op steden in de omgeving. De trekschuiten legden regelmatig aan bij herbergen zoals Jaffa en Den Hommel.
De spoorwegen namen in de 19de eeuw de rol van de trekschuiten over. Het water bleef bedrijven wel trekken, zoals de komst van grote machinefabrieken Hamburger en Jaffa bewijst. De arbeiders die daar werkten, moesten ergens wonen. Zo ontstonden de woonwijken Lombok, Majellapark en Schepenbuurt. Meer naar het westen In Oog-en-al en de Halve Maan kwam het kantoorpersoneel van de fabrieken te wonen.
Meer informatie?
Website van Het Utrechts Archief:
Voor meer afbeeldingen kijk bij collectie beeldmateriaal.
Overige websites: