Het ontstaan van de stad Utrecht (tot 1000)

Landschap
Het gebied waar Utrecht is ontstaan, bestond voor het begin van onze jaartelling uit een drassig gebied. Door het gebied liepen veel kronkelige riviertjes die in het voor- en najaar ver buiten hun oevers traden. Bij het zakken van het water in het voorjaar bleef een laagje rivierzand achter op brede stroken langs de oevers. Zo ontstonden in het natte landschap hogere gebieden (die noemen we stroomruggen). Deze stroomruggen waren geschikt om op te wonen. Utrecht is ontstaan op een gunstige plek in dat landschap: op de kruising van wegen en bij de splitsing van twee rivieren, de Rijn en de Vecht.

ROMEINSE TIJD

De Limes, grens van het Romeinse Rijk
In 47 na Christus werd Utrecht een onderdeel van de noordelijke grens van het Romeinse Rijk. Op de plaats van het huidige Domplein - zo'n hoger gelegen stroomrug - liet de Romeinse keizer aan de oever van de Rijn een fort bouwen. De Romeinse naam voor zo'n fort is castellum. Dit fort was één van de vele castella die langs de grens gebouwd werden. Ook in De Meern kwam er één te liggen. Al die forten samen vormden de verdediging langs de noordgrens van het hele Romeinse Rijk. Deze verdedigingslijn werd de limes genoemd.

Beeldmateriaal nr. 55973

Castellum
In het castellum woonde één cohort, ongeveer 500 mannen. Het Utrechtse fort bestond uit een rechthoekige omwalling. In deze omwalling zaten in het midden van de zijden vier poorten. Door twee van de poorten liep van west naar oost de grote weg. Ook de twee andere poorten waren verbonden door een weg. Ongeveer op het middelpunt stond de woning van de commandant. Hier bewaarde hij het vaandel en de geldkas. Dit belangrijke gebouw was van steen en met dakpannen gedekt. Deze materialen werden per boot aangevoerd, net als voedsel en gereedschappen. De ruimtes van de soldaten waren minder stevig, namelijk van hout en met gevlochten wanden die met leem aangesmeerd werden.

Vici
Bij de castella kwamen kampdorpen. De Romeinen noemden ze vici. In het enkelvoud sprak men over een vicus, wat wij nu een wijk zouden noemen. Met de soldaten kon je natuurlijk goed handel drijven. Je kunt voedsel en drank aan hun verkopen, of wapens en gereedschappen voor hun repareren. Of zorgen voor de gezelligheid ...

Opstand van de Bataven
In 68 nChr kregen de Romeinen te maken met een opstand van hun bondgenoten, de Bataven. De Bataven verwoestten een aantal forten langs de Rijn. Ook het fort in Utrecht is aangevallen. De soldaten hebben de aanval waarschijnlijk aan zien komen. Eén Romeins militair heeft in ieder geval zijn geld uit voorzorg begraven. Hij heeft het niet meer kunnen ophalen. Misschien is hij gedood door de Bataven. Archeologen hebben zijn 50 gouden munten in 1933 gevonden.

Het einde van de Romeinse tijd
Rond het jaar 200 werd het fort versterkt. Er kwamen tufstenen muren met grote poorten in plaats van de aarden wallen. Die stevige muren waren nodig omdat de Germanen de grens steeds aanvielen.

Na het jaar 275 moesten de Romeinen de noordgrens van hun rijk opgeven. Rond het jaar 406 is de Romeinse tijd definitief voorbij. De resten van het Romeinse castellum spelen nog wel een grote rol in de geschiedenis van Utrecht.

Tip: in het wegdek bij de Dom kun je zien waar het castellum gelegen heeft. Dit weten we door de opgravingen die er zijn geweest. Ook kan je zien dat dit stukje van de stad hoger ligt dan de rest - dat is de stroomrug waarop het fort lag.

De naam Utrecht
De legerplaats op het Domplein heette eerst Rheno Traiectum. Dit betekende 'doorwaadbare plaats (trajectum ) in de Rijn (Rheno). Later werd dit Ultra Traiectum: een doorwaadbare plaats (trecht), benedenstrooms (uut) gelegen. Utrecht betekent dus: benedenstroomse plaats waar je de rivier over kunt steken.

VROEGE MIDDELEEUWEN (700-1000)

Willibrord, bisschop van Utrecht
Na het vertrek van de Romeinen vochten de Friezen en de Franken lange tijd om de resten van het castellum. In de tijd dat de Franken het gebied hadden, gaven zij de zendeling Willibrord de resten van het castellum in gebruik. Dat was in het jaar 695. Willibrord herstelde de ommuring en bouwde er twee kerken. De ene was gewijd aan Sint Maarten, de andere aan Sint Salvator. Willibrord werd de eerste bisschop in Utrecht. Vanaf toen waren hij en zijn opvolgers de baas over het castellum en het land er om heen. Vanuit Utrecht trokken Willibrord en zijn opvolger Bonifatius het land in om mensen voor het Christendom te winnen. In 777 kreeg het bisdom Utrecht, dat een groot deel van het huidige Nederland besloeg, definitief vorm.

Utrecht
Omstreeks 700 was Utrecht nog maar klein. Je had het kerkelijk centrum, binnen de oude muren van het Romeinse castellum. Op het Oudkerkhof werden de doden begraven. Daarnaast ontstond aan de oever van de Rijn, op de plaats waar nu de Steenweg is, een klein dorpje van handelaren en ambachtslieden dat Stathe (middeleeuws woord voor haven) werd genoemd.

Groei van Utrecht vanaf 925
De belangrijkste stad rond het jaar 700 was Dorestad, het latere Wijk bij Duurstede. Dorestad raakte in verval. Dit kwam doordat de rivier verzandde en vanwege de vele plunderingen door de Vikingen. Ook Utrecht had te maken met de Vikingen. Ze hebben er zelfs een tijdje gewoond. De bisschop, die de baas van Utrecht was, vluchtte voor de veiligheid naar Deventer.

Omstreeks het jaar 925 kon de bisschop terugkeren. Zijn familie en vrienden hadden de Vikingen verslagen. De bisschop liet de Romeinse muren weer herstellen. Binnen de versterking op en om het Domplein herbouwde hij de twee kerken en bouwde huizen voor zichzelf, zijn priesters en zijn bedienden. Hij had veel soldaten in dienst - en deze soldaten hadden natuurlijk onderdak nodig.

De bisschop herstelde ook de kloosterschool bij de Sint Salvator. Deze school werd zo bekend dat de Duitse koning Hendrik I zijn zoon Bruno hier naartoe stuurde voor zijn opleiding. Bruno werd later aartsbisschop van Keulen en een groot geleerde.

Utrecht rond het jaar 1000
Rond het jaar 1000 bleek dat Utrecht niet meer goed bereikbaar was. Het deel van de Rijn bij Utrecht werd te ondiep voor schepen. Daarom groef men een nieuwe verbinding van Stathe naar de Vecht: dat is nu het deel van de Oudegracht tussen de Bakkerbrug en de Zandbrug. Zo konden de handelaren Utrecht toch goed bereiken. In de 11e eeuw groeide Utrecht uit tot de belangrijkste handelsstad in de Nederlandse Delta.

Dat het goed ging met Utrecht, blijkt uit de nieuwe 'wijken' die in deze tijd ontstaan, aan het uiteinde van de nieuw gegraven gracht, en bij de latere Nicolaïkerk. Utrecht stelde toen al veel voor. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de bisschop in 937 het recht krijgt zelf munten te slaan.

Steeds meer mensen kwamen in Utrecht wonen. En er was natuurlijk ook veel voedsel nodig voor deze mensen. Daarvoor was meer landbouwgrond nodig dan er in de directe omgeving van Utrecht te vinden was. Men had ontdekt dat je van de veenmoerassen aan de westkant van Utrecht landbouwgrond kon maken. Je moest dan wel zorgen dat de natte grond droger werd. Dit werd gedaan door sloten te graven zodat het teveel aan water weg kon stromen. Daarna kon er graan en rogge verbouwd worden - voor brood en pap.

Meer informatie?

47: Aanleg castellum Traiectum
Tijdbalk Utrechtse geschiedenis
857: Utrechtse bisschop vlucht voor Vikingen
Tijdbalk Utrechtse geschiedenis

Andere websites:

Werkstukken

Onderwerpen