Utrecht als middeleeuwse stad (1000-1500)

Inleiding
In de Middeleeuwen is de stad Utrecht de belangrijkste stad in wat nu Nederland is. Utrecht was het kerkelijke centrum, met de bisschop én werd een rijke handelsplaats. In de 16de eeuw wordt Amsterdam belangrijker als handelstad. In die tijd raakt ook de bisschop zijn macht kwijt: de protestanten worden de baas. In Utrecht zijn nog veel aanwijzingen te vinden van de bloeitijd van de stad.  

Vóór de middeleeuwen: Utrecht in de Romeinse tijd
Utrecht is ontstaan op een gunstige plek: op de kruising van wegen, en aan twee rivieren: de Vecht en de toen belangrijkste tak van de Rijn. Deze plaats kozen de Romeinen uit om een grensfort aan te leggen. Dit fort lag op de plaats waar nu het Domplein ligt. Het fort was één van de vele langs de oever van de rivier De Rijn. De Rijn was toen de noordelijke grens van het grote Romeinse Rijk. De soldaten in de forten bewaakten de grens.
De legerplaats op het Domplein heette eerst Rheno Traiectum. Dit betekende ‘doorwaadbare plaats in de Rijn'. Later werd dit ‘Ultra Traiectum'. Toen was het een grenspost bij een doorwaadbare plaats (Trecht), benedenstrooms (Uut) gelegen. Utrecht betekent dus: benedenstroomse plaats waar je de rivier over kunt steken.
Na het jaar 275 gaven de Romeinen de noordgrens van hun rijk op. De resten van het Romeinse grensfort spelen nog wel een grote rol in de geschiedenis van Utrecht.

De vroege middeleeuwen: de eerste bisschoppen
Na het vertrek van de Romeinen streden Friezen en Franken lange tijd om de resten van het fort. In de tijd dat de Franken het gebied hadden, gaven zij de zendeling Willibrord de resten in gebruik. Dat was in het jaar 723. Willibrord herstelde de ommuring en bouwde er twee kerken. Willibrord werd door de Frankische koning benoemd tot de eerste bisschop der Friezen met als standplaats Utrecht. Vanaf toen waren hij en zijn opvolgers de baas over het fort en het land er omheen.  Willibrord en zijn opvolger Bonifatius trekken vanuit Utrecht het land in om mensen voor het Christendom te winnen.
In die tijd was Utrecht nog maar klein. Maar ook Utrecht kreeg te maken met invallen van de Vikingen. Ze hebben er zelfs een tijdje gewoond. De bisschop die de baas van Utrecht was, vluchtte toen naar Deventer.
In 925 n.Chr. kon de bisschop terugkeren. Zijn familie en vrienden hadden de Vikingen verslagen. De bisschop liet de Romeinse muren herstellen. Binnen de versterking op en om het Domplein herbouwde hij de twee kerken, een school en huizen voor zichzelf, zijn priesters en zijn bedienden. Ook nam hij soldaten in dienst; daarvoor bouwde hij ook huizen. 

Utrecht en de bisschop vanaf het jaar 1000
Vanaf het jaar 1000 groeide Utrecht en werd een rijke stad. De bisschop was de hoogste baas van het Sticht, dat bestond uit het Nedersticht (ongeveer de huidige provincie Utrecht met enkele delen van Noord- en Zuid-Holland), en het Oversticht (ongeveer de huidige provincies Drenthe, Overijssel en de stad Groningen).

Beeldmateriaal nr. 80522

De Duitse keizers hadden dat zo geregeld. Ook had de kerk veel eigen grond in de provincie Utrecht. De producten die daar verbouwd en gemaakt werden, werden verkocht in de stad Utrecht. Daar werd druk gebouwd. Niet alleen aan huizen voor de handelaren en werklieden, maar ook aan een eigen paleis voor de keizer die daar vaak was, binnen het gebied van het oude Romeinse fort. De resten van dat paleis zijn nog te zien in de kelder van het huis aan Domplein 16. 
Dat gebied van het oude Romeinse grensfort was nu een burcht, met stenen muren er omheen. De geestelijken, de mensen van de kerk, woonden binnen deze muren. Ook twee kerken, de Dom en de Oudmunsterkerk lagen hier.

Kerkenkruis
Iedere oude stad heeft wel een aantal kerken uit de middeleeuwen of heeft ze gehad. Utrecht als zetel van de bisschop heeft niet alleen een groot aantal kerken, de oudste kerken staan ook nog in een ‘kerkenkruis'. Op de plattegrond van Utrecht is te zien dat vijf kerken samen een kruis maken.
Van de vijf kerken vormde de Domkerk het middelpunt, en de andere vier de hoekpunten. Dat waren, met de klok mee vanuit het oosten, de Pieterskerk, de Paulusabdij, de Mariakerk en de Janskerk.  Van de Paulusabdij zijn alleen een poort en enige stukken muur over. Van de Mariakerk is de kruisgang (ook wel pandhof genoemd) nog te vinden achter het huidige gebouw van K&W (Utrechts Conservatorium).
Utrecht is in Nederland het enige voorbeeld van een kerkenkruis. Dit kerkenkruis zou bedacht zijn door de Duitse keizer Hendrik III. Nadat zijn vader Koenraad II in 1039 in Utrecht overleden was, werd zijn hart in de Dom bijgezet. Hendrik zou hem willen eren door de bouw van een kruis van kerken,  rondom het hart van zijn vader.
Sommige mensen betwijfelen of het kerkenkruis van Utrecht wel echt van te voren bedacht is. Nergens is bewijs gevonden dat de bisschoppen het kerkenkruis echt bedacht hebben. Zij denken dat het ‘per ongeluk' ontstaan is, omdat de bisschoppen die plaatsen in de stad uitkozen waar de grond stevig genoeg is om zo'n zware kerk op te bouwen.  Er waren maar een paar plaatsen geschikt. Pas later - in de 19de eeuw - zouden de mensen ontdekt hebben dat de kerken in de vorm van een kruis stonden.

Handelsplaats
Utrecht werd al snel een belangrijke handelsplaats. Dit kwam door de gunstige ligging aan de landwegen en de rivieren. Handelaren uit vele landen in West-Europa ontmoetten elkaar op de Utrechtse markten. Ook trokken Utrechtse handelaren naar allerlei gebieden waar te handelen viel. Deze handelaren woonden in het gebied tussen het huidige stadhuis, de Bakkersbrug bij de Hema en wat nu de Steenweg is. Dit gebied werd de ‘Stathe' genoemd. Dit betekent ‘kade'.
Wie goed kijkt, kan daar nog steeds de sporen van het oude Stathe terugvinden. De houten huizen stonden namelijk allemaal op een eigen stuk grond  met daartussendoor een paadje naar de rivier. De houten huizen van toen bestaan natuurlijk niet meer, maar de paadjes van honderden jaren geleden zijn nog steeds terug te vinden in de vele steegjes die haaks op de Oudegracht staan. Wie ze telt, zal er tussen de Stadhuisbrug en de Bakkerstraat al snel een stuk of zeven, acht van deze 1000 jaar oude steegjes ontdekken.
De houten  huizen lagen niet pal aan het water van wat nu de Oudegracht is, maar voor de veiligheid iets hoger, op de zandruggen. Voor de bewoners van de Stathe werd al rond 925 de Buurkerk gebouwd (burgers werden ook wel ‘buren' genoemd). Hier gingen ze naar de kerk. De handelaren en alle mensen die in het gebied gingen wonen, voelden zich steeds meer onafhankelijk van de bisschop. In de 12de  eeuw kregen zij dan ook stadsrechten.

Stadsrechten
In 1122 kregen de bewoners van Utrecht stadsrechten. Dit betekende dat ze een eigen bestuur kregen, eigen inkomsten en toestemming om de stad te omwallen. De bisschop raakte zijn macht over de stad kwijt. De bewoners kregen de stadsrechten vanwege hun ruzie met de bisschop. Hij wilde een dam leggen in de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede. Dat was om het gebied daar te kunnen ontginnen. De Utrechters waren niet blij met zijn plannen: die tak van de Rijn stroomde door Utrecht. Utrecht zou onbereikbaar worden voor de handelaren.
Uiteindelijk besliste de Duitse keizer, de baas van de bisschop, dat de bisschop de dam mocht leggen, maar dan moest hij de Utrechters stadsrechten geven én voor de Utrechters een nieuwe verbinding graven naar de Kromme Rijn, zodat handelaren van en naar Utrecht doorgang hadden. Dat werd de Vaartse Rijn. Zo ontstond een verbinding met de Hollandse IJssel. Over de Hollandse IJssel voeren ze naar de Lek. Eenmaal daar beland konden de schepen door naar Keulen of verder.

Beeldmateriaal nr. 36590

De stad binnen de omwalling
In vele jaren hard werken werden grachten om de stad gegraven, die nu nog te herkennen zijn in de huidige singels. Aan de binnenzijde van de gracht kwam de wal te liggen.  Iedereen - bewoners en bezoekers - moeten meebetalen aan de kosten.
De omtrek van de stad was nu wel vijf kilometer. De nieuwe buurten, in het noorden en het zuiden, kwamen in beschermd gebied te liggen. Op grote delen waren van het ommuurde gebied stonden nog geen huizen. Daar werd pas in de 14de eeuw gebouwd.
Door één van de vier poorten kon je de stad in: de Catharijnepoort, de Weerdpoort, de Wittevrouwenpoort en de Tolsteegpoort.

Bouwen in steen
In de twaalfde tot en met de vijftiende eeuw kreeg de Utrechtse binnenstad de vorm die nu nog te zien is. Vanaf 1200 werden grote bakstenen huizen, 'stadskastelen', gebouwd zoals het huis Oudaen aan de Oudegracht. Er zijn zeker veertig van dit soort huizen gebouwd, en een deel kan je gewoon nog zien. 
Het eerste stenen huis stond aan de noordkant van de Vismarkt, en was van de familie Van Amstel. Zij werkten voor de bisschop en hadden van hem grond gekregen om hun huis op te zetten. Ook handelslieden lieten stenen huizen bouwen, met veel opslagruimte.  
Door de aanleg van de dam bij Wijk bij Duurstede was het niveau van het water in de Rijnloop door Utrecht gedaald. Daarom werden rond 1200 wat langs nu de Oudegracht is werven aangelegd. De werven vormden één langgerekte haven van enkele kilometers lang, dwars door de stad heen. De handelswaar die uit de schepen werd gelost, kon zo gemakkelijk worden opgeslagen in de werfkelders.
Tussen de stenen huizen stonden nog veel houten huizen, met daken van riet of stro. Een brand kon zomaar een halve stad verwoesten. Ook in Utrecht kwamen grote branden voor. Zo richtte een stadsbrand in 1253 een enorme schade aan. Ook de Dom werd voor een deel verwoest.  Op het Domplein werd in 1254 begonnen met de bouw van een nieuwe Dom, die de oudere moest gaan vervangen.  Dit is de Dom die wij nu nog kennen. In 1297 woedde opnieuw een grote brand, waarbij ook de Janskerk beschadigd raakte. Om nieuwe rampen te voorkomen gaf de gemeente subsidie als je in steen wilde bouwen, of je dak met dakpannen wilde beleggen. In de 14de eeuw is Utrecht langs de hoofdwegen ‘versteend': bijna alle huizen zijn daar van steen. Maar dat is niet overal in de stad zo.
In het begin van de 15e eeuw werden nog steeds stenen gevels vervangen door houten gevels. Het voordeel van een houten gevel was dat er gemakkelijker ramen in konden worden gezet.. Pas in 1610 besloot de gemeente dat er geen nieuwe gevels van hout meer gemaakt mochten worden. Maar ook in 1718 zijn er nog steeds houten huizen in de stad, bijvoorbeeld aan de Hamburgerstraat, de Choorstraat en het huis op de hoek van de Neude en de Schoutensteeg. Dit weten we uit oude tekeningen en schilderijen van de stad. Het huis aan de Neude zou het laatste  huis van de stad met een houten gevel geweest zijn.

Meer informatie?
Bezoek het publiekscentrum van Het Utrechts Archief en maak kennis met bisschop Godebald aan wie de stad Utrecht zijn stadsrechten in 1122 te danken heeft.

1017-1023: Bouw Dom van Adelbold
Tijdbalk Utrechtse geschiedenis
1122: Hendrik V bevestigt Utrechts stadsrecht
Tijdbalk Utrechtse geschiedenis
1254: Eerste steen Utrechtse Domkerk
Tijdbalk Utrechtse geschiedenis
1382: Utrechtse Domtoren voltooid
Tijdbalk Utrechtse geschiedenis

Voor afbeeldingen, kijk bij collectie beeldmateriaal op deze website.

De Hanze
op www.entoen.nu

Werkstukken

Onderwerpen