Oude handschriften uit Utrecht

De letters die wij in Nederland gebruiken, zijn oorspronkelijk gebruikt voor de taal van de Romeinen, het Latijn. Tweeduizend jaar geleden hoorde een groot deel van Europa bij het Romeinse rijk. De Romeinen gebruikten vooral hoofdletters, ‘kapitalen', maar hadden ook een cursief schrift.

Het schrift
Nadat het Romeinse rijk in West-Europa in de 5de eeuw zijn macht had verloren, ontstonden in de verschillende delen van Europa andere handschriften. In Frankrijk, waar de eerste koningen behoorden tot de familie van de Merovingers, ontwikkelde zich een handschrift dat later het ‘Merovingische schrift' werd genoemd. Dat verschilde van het handschrift in Italië en van het handschrift in Noord-Europa. Meer dan duizend jaar geleden schreven mensen in alle delen van West-Europa dus met andere letters. Toen koning Karel de Grote in de 8ste eeuw het grootste deel van Europa had veroverd, besloot hij dat overal in zijn rijk dezelfde letters gebruikt moesten worden. Hij liet de Latijnse letters als voorbeeld gebruiken. Er waren twee soorten, de hoofdletter of de ‘karolingische majuskel' en de kleine letter of de ‘karolingische minuskel'. De drukletters uit de 20ste eeuw lijken heel veel op de letters van Karel de Grote.
Maar drukletters waren er in deze tijd nog niet, want boeken werden nog niet gedrukt maar met de hand geschreven. Dat gebeurde met name in kloosters, waar zo'n werkplaats voor schrijvers een ‘scriptorium' werd genoemd. Zowel monniken als nonnen schreven boeken over. Kloosters waren in de middeleeuwen de enige plaatsen waar een echte bibliotheek te vinden was. In deze handgeschreven boeken werden vaak mooie afbeeldingen geschilderd. De hoofdletters waarmee een hoofdstuk of een alinea begon, werden groter geschreven en ingekleurd of voorzien van kleine afbeeldingen. De boeken zijn vaak zo netjes geschreven dat het lijkt alsof ze gedrukt zijn. Om dat te kunnen bereiken, maakte de schrijver voor hij begon lijnen en een kader met een zilverstift. In steden waar veel vraag was naar boeken, waren ook ateliers waar boeken in opdracht werden geschreven. Als een boek meerdere malen gekopieerd moest worden, werd het opgedeeld in katernen (losse ingebonden delen) en elke schrijver kopieerde dan een katern. Zo konden er meer boeken vervaardigd worden.
In de 12e eeuw werden zoveel boeken geschreven, dat de schrijvers behoefte kregen aan een sneller schrift, met letters waarvoor zij de pen niet van het papier af hoefden te halen. Dat handschrift werd later de ‘gotische cursief' genoemd. Die naam is afgeleid van de naam die aan de bouwkunst van deze periode wordt gegeven, de gotiek.
In de 15e eeuw, toen de eerste boeken werden gedrukt, kwam de Karolingische minuskel weer in de mode. Toch bleven veel mensen de gotische cursief gebruiken voor het schrijven van brieven en notulen van vergaderingen. Die letters zijn vaak erg moeilijk te lezen. Pas in de 19e eeuw kwam het ‘Latijns-cursief' handschrift in gebruik, dat wij nu nog gebruiken.

Het schrijfmateriaal
De Romeinen schreven hun boeken op papyrus. Papyrus is gemaakt van riet, dat langs de oever van de rivier de Nijl in Egypte groeit. Papyrus is heel geschikt voor boekrollen. Een lang vel papyrus werd dan aan beide kanten aan een rond stuk hout of ivoor vastgemaakt. Zo'n boekrol leest heel goed als je een roman of gedichten leest. Maar bij een boek met verwijzingen, zoals de bijbel of een boek met wetten, is het erg lastig omdat je voortdurend heen en weer moet rollen. Daarvoor is de ‘codex', het boek zoals wij dat kennen, een betere vorm. Papyrus breekt als je het vouwt. Toen in de 7e eeuw steeds meer mensen christen werden en de bijbel dus erg belangrijk werd, gebruikten de schrijvers van boeken steeds meer perkament.
Perkament is gemaakt van de huid van geiten, kalveren of schapen. De huid wordt schoon geschraapt, gelooid en met puimsteen ingewreven. Van de dunste huiden kon de beste kwaliteit perkament worden gemaakt. Het dunste perkament werd vaak gebruikt voor bijbeltjes. Ook tegenwoordig zijn er nog bijbeltjes met zulk dun papier, dat je er bijna doorheen kunt kijken. Belangrijke overeenkomsten werden ook geschreven op perkament en voorzien van de zegels van alle mensen of instellingen die bij deze overeenkomst betrokken waren. Zo'n overeenkomst of akte heet een ‘charter'. De naam ‘perkament' is waarschijnlijk afgeleid van de stad Pergamon, waar in de Romeinse tijd een grote bibliotheek was. Ook toen kon men al perkament maken, maar het was altijd duurder dan papyrus. In de middeleeuwen waren er kloosterorden, zoals de Cisterciënzers, die strikt vegetarisch waren. Dat had dan ook gevolgen voor hun bibliotheek ...
Vanaf de 13e eeuw werd ook papier gebruikt. De techniek van het maken van papier was in China ontwikkeld. Papier werd gemaakt van lompen, versleten linnen kleding, die men tot pap kookte. Door telkens een kleine hoeveelheid van de pap met een gaas op te scheppen, worden vellen papier gemaakt. Papier is minder duurzaam dan perkament. Vanaf 1840 begonnen de papierfabrikanten houtpulp te gebruiken als grondstof, wat nog minder duurzaam is dan papier van lompen. Als er voor dit papier zuurhoudende lijm is gebruikt, is het papier meestal moeilijk te bewaren.

Oude handschriften in Het Utrechts Archief
Hier worden veel oude handschriften bewaard.
Een voorbeeld van de Karolingische minuskel is te zien in het ‘Liber Donationum'.
Het stadsrecht van Utrecht, uit 1122, laat zien hoe deze letters ook versierd konden worden met lange halen naar boven en naar onderen. Het stadsrecht is geschreven op perkament, net als de vele andere ‘charters' die in de archieven van Het Utrechts Archief te vinden zijn.
In 1342 schreef de kanunnik Hugo Wstinc (W= UU) een boek over de rechten en gewoonten van het kapittel van de Dom. Ook dit boek is geschreven met letters die veel lijken op de Karolingische minuskel.
In het ‘Rode Boek', het wetboek dat in de jaren 1388-1390 voor het stadsbestuur van Utrecht is geschreven, zijn de eerste letters van elke wet groot geschreven met rood of blauw. De teksten zijn geschreven in gotisch cursief. Soms zijn er later nog wetsbepalingen bijgeschreven en die zijn wat slordiger dan de oorspronkelijke tekst.

Stadsarchief I, inventarisnummers 38 (tolrecht)

Meer weten?
Bezoek het publiekscentrum van Het Utrechts Archief en ontdek vele oude handschriften.

1122: Hendrik V bevestigt Utrechts stadsrecht
Tijdbalk Utrechtse geschiedenis
1342: Hugo Wstinc stelt rechtsboek Dom samen
Tijdbalk Utrechtse geschiedenis
1388: De Utrechtse Raad laat het Rode boek samenstellen
Tijdbalk Utrechtse geschiedenis
Hebban olla vogela
op www.entoen.nu

 

Werkstukken

Onderwerpen