Utrechtse gilden in de middeleeuwen

Een gilde was een vereniging van personen met hetzelfde beroep. Deze gilden hebben vanaf de middeleeuwen tot eind 18e eeuw bestaan. In een gilde werd kennis en ervaring uitgewisseld. Nieuwe gildenleden werden opgeleid in het vak. Na een jarenlange opleiding werd een leerling ‘gezel' om uiteindelijk ‘meester' worden, nadat hij zijn ‘meesterstuk' had gemaakt.
Het gilde kwam op voor de belangen van de gildenleden en beschermde hen. Het gilde bepaalde de regels en zorgde ervoor dat de leden zich aan de regels hielden. Er bestonden verschillende soorten gilden zoals ambachtsgilden en handels- of koopmansgilden. Voorbeelden van ambachtsgilden zijn het bakkersgilde, het weversgilde, het kunstenaarsgilde en het schoenmakersgilde. Dokters en vroedvrouwen (verloskundigen) zaten samen in het chirurgijnsgilde.

Lid worden van een gilde
Deze beroepen mocht je alleen uitoefenen als je lid van het gilde was. Lang niet iedereen mocht lid van een gilde worden. Onechte kinderen (kinderen waarvan de ouders niet getrouwd waren), onvrijen (mensen die geen vrije burgers waren) en joden mochten geen lid worden en konden zich dus niet in de stad als bakker, wever, kunstenaar, of chirurgijn vestigen.  

Gilden in Utrecht
Utrecht heeft al heel vroeg gilden. In 1274 is er een gildenopstand: de gildemeesters proberen de macht in de stad over te nemen. Dit mislukt uiteindelijk, maar laat wel zien dat de gilden toen al belangrijk waren. In andere steden komen de gilden later op. In Deventer, toen een belangrijke stad,  is de eerste vermelding van gilden uit 1284. En in een belangrijke Hollandse stad als Dordrecht pas uit 1351.
In het begin van de 14e eeuw werd het aantal gilden in Utrecht vast gesteld op 21. Dit aantal bleef tot 1528 ongewijzigd. Tussen 1400 en 1500 hebben de gilden grote economische en ook politieke macht in Utrecht. Zij regelen alles dat te maken had met het maken en verkopen van producten en ook met diensten als die van de chirurgijn. Kwaliteit en prijs stonden vast zodat de leden van een gilde elkaar niet zouden beconcurreren. Voor hetzelfde brood betaalde je dus overal dezelfde prijs. De gilden probeerden ook concurrentie van buiten de stad tegen te houden. Handelaren van buiten mochten alleen op de markten verkopen.  
Utrecht was de enige stad in de Noordelijke Nederlanden waar de gilden direct invloed hadden in en op het stadsbestuur. Een groep vertegenwoordigers van de gilden, "Oudermannen" genaamd, stelden de Utrechtse Raad aan. Bovendien waren er ook nog twee "Oudermannen" die samen met de twee burgemeesters het dageljjks bestuur van de stad vormden.
Door een opstand in 1527 tegen de landsheer, de bisschop van Utrecht, raakten de gilden veel van hun macht kwijt.

Het Sint Eloyen Gasthuis
Tussen de Dom en de Mariaplaats staat een bijzonder huis: het Sint Eloyen Gasthuis van het Smedengilde van St. Eloy. Sinds 1440 vergaderden en feestten in dit huis de broeders van het Smedengilde van St. Eloy, maar in en om het huis werden ook zieke en arme gildenbroeders verzorgd en verpleegd. Het Eloyen Gasthuis is zonder onderbreking tot nu blijven bestaan en behoort daarmee tot de alleroudste nog bestaande organisaties uit de middeleeuwen die we in Nederland hebben.

Beeldmateriaal nr. 116448

Meer informatie?
Bezoek het publiekscentrum van Het Utrechts Archief en maak kennis met vleehouwer Gillis die in 1432 mee deed aan een opstand van het vleeshouwersgilde in Utrecht. Vleeshouwers noemen we nu slagers.

Utrechtse gilden
Thema's

Overige websites:

 

Werkstukken

Onderwerpen