Buitenplaatsen op de Utrechtse Heuvelrug
Vanaf de 17de eeuw hielden rijke stadsmensen er een buitenplaats op na. De rijke kooplieden uit Amsterdam bouwden grote buitenhuizen met schitterende tuinen langs de Vecht. De Utrechtse Heuvelrug was vanuit Amsterdam niet zo goed bereikbaar, maar familieleden van de Oranjes woonden hier in de zomermaanden graag, zoals op Slot Zeist, en het jachtslot (later paleis) Soestdijk. Ook oude kastelen zoals Kasteel Amerongen werden in deze tijd verbouwd tot buitenplaats.
In de 19de en 20ste eeuw werd de Utrechtse Heuvelrug goed bereikbaar door de aanleg van trein- en tramlijnen. Iedere keer dat er een nieuwe (of snellere) verbinding geopend werd, verschenen op de knooppunten prachtige buitenplaatsen, waar rijke mensen genoten van hun luxe zomerleven in een prachtige omgeving, ver van de drukke en vieze grote stad. Alle buitenplaatsen die van de 17de tot het begin van de 20ste eeuw op de Utrechtse Heuvelrug gebouwd zijn en het gebied waarin ze liggen, noemen we samen de Stichtse Lustwarande.
De oudste buitens
Het zijn de Oranjes (de Koninklijke familie, nakomelingen van Willem van Oranje) die op de uitgestrekte heide van de Heuvelrug de eerste grote buitenhuizen lieten bouwen, zoals Zuylenstein bij Leersum, het jachtpaleis Soestdijk en Slot Zeist. Dat was in de 17de eeuw. Een ander belangrijke huis was Kasteel Amerongen. Deze huizen gingen met hun tijd mee: als de 'mode' veranderde, veranderde hun uiterlijk en de aanleg van de tuinen.
In 1653 werd de kaarsrechte Amersfoortsestraatweg tussen Utrecht en Amersfoort aangelegd. Om de aanleg te kunnen betalen werden langs de weg stukken grond verkocht. Het liefst wilde men hier buitenhuizen neer laten zetten. Als je een buitenhuis liet bouwen, kreeg je er gratis een stuk grond bij. Nog steeds zijn langs deze weg de buitenhuizen te zien. Nu liggen deze huizen ingeklemd tussen bebouwing uit latere tijd, maar als je je ogen een beetje dichtdoet, kan je je voorstellen hoe het hier vroeger was.
Tussen Utrecht en Zeist, 1820 - 1840
In 1818 werd de weg tussen Utrecht en Rhenen bestraat. Dit maakte het hele gebied beter toegankelijk, en aantrekkelijk voor het bouwen van buitenplaatsen. Koning Willem I (koning van Nederland van 1815 - 1840) had geld nodig voor de verbetering van de wegen en zette stukken grond in de verkoop. Rijke mensen vonden dit een verleidelijk aanbod: ze zagen de grond als goede belegging (om later duur te verkopen) en het gebied was zeer geschikt om buitenhuizen neer te zetten.
Tussen de jaren 1820 en 1840 werden veel buitens gebouwd tussen Utrecht en Zeist. Ook een aantal bestaande buitenhuizen werd verbouwd of zelfs verplaatst naar een mooiere plaats op het eigen terrein, zoals Beek en Royen in Zeist.
De spoorlijn en de tram: 1850 - 1880
In 1844 werd de spoorlijn Amsterdam - Arnhem geopend, met een station tussen Driebergen en Zeist. Hierdoor werd dit gebied aantrekkelijk voor rijke mensen uit Amsterdam. Rond het station verscheen tussen 1850 en 1880 een groot aantal buitens, zoals Beukenstein en Kraaybeek. De bouwers zagen deze huizen vooral als belegging: ze hoopten ze snel voor veel geld te verkopen.
Door de aanleg van de tramlijn Utrecht - Doorn werden gebieden meer naar het oosten van de provincie aantrekkelijk. Deze tramlijn reed vanaf 1883 en werd vijf jaar later tot Rhenen doorgetrokken.
Einde aan de bouw
Een derde gebied met buitenhuizen kwam te liggen langs de weg van Amersfoort naar Doorn, zoals het Maarten Maartenshuis (1912), 't Stort (1904) en de Hoogt (1908). Na de aanleg van De Thangh bij Rhenen (in 1927) stopte de bouw: de crisisjaren braken aan en er was geen geld meer voor dit soort dure huizen.
Leven op een buitenplaats
De families op de buitenplaatsen lieten zichzelf vanaf het midden van de 19de eeuw fotograferen. Hierdoor kunnen we ons een voorstelling maken van het leven op zo'n buitenplaats: aangenaam vermaak met sport en spel, weelderige interieurs en voornaam geklede mensen. Heel af en toe is ook personeel in beeld.
Meer informatie?
Voor meer afbeeldingen kijk bij collectie beeldmateriaal.