Utrecht in de 19de eeuw
Door de gunstige ligging, centraal in het land, trokken bedrijven en fabrieken naar Utrecht. De bevolking van Utrecht groeide snel. In 1822 woonden 35.000 mensen in Utrecht, in 1832 al 43.000 en rond 1900 ongeveer 110.000 mensen.
Veel van deze mensen kwamen van buiten en werden aangetrokken door de kans op werk in bedrijven en fabrieken. Al deze mensen moesten ergens wonen. Overal binnen de oude stad werd gebouwd: op lege terreinen en in tuinen. Driekwart van alle mensen
woonde binnen de singels. Dit betekende veel mensen op een klein grondgebied. Buiten de oude stadsmuren verschenen wel grote huizen voor rijke mensen, zoals de buitenhuizen aan de Biltstraat, Het Hogeland en De Oorsprong.
In de jaren tussen 1820 en 1840 zijn de middeleeuwse stadsmuren voor een deel gesloopt. De muren en bolwerken waren niet meer nodig voor de verdediging van de stad. Langs de wallen tussen de Wittevrouwenpoort tot aan het militair hospitaal (het huidige
hotel Karel V) werden plantsoenen aangelegd door de bekende tuinarchitect Zocher.
Rijke mensen trekken weg
Rijk en arm woonden dicht bij elkaar in de binnenstad. Rijk Utrecht woonde aan het Janskerkhof, de Drift, de Plompetorengracht, de (Kromme) Nieuwegracht en de Oudegracht, maar direct op de hoek begonnen de achterbuurten en
sloppen zoals tussen de Plompetorengracht en de Oudegracht en tussen de Nieuwe- en Oudegracht.
Besmettelijke ziekten als cholera waren vooral een bedreiging voor arme mensen, maar kwamen soms wel akelig dichtbij voor rijken. Daarom wilden de rijke mensen weg uit het oude centrum van de stad. Zij gingen wonen aan de oostzijde van de stad, aan en
buiten de singels. Aan de Maliebaan, eerst een wandelgebied voor sport en ontspanning, kwamen steeds meer deftige woonhuizen te staan. Maar daarmee hield de trek van de welvarende burgers nog niet op: 1899 werd het Wilhelminapark geopend. Huizen
verschenen aan de Emmalaan, het Van Hogendorpplein, de Ramstraat en de Van Limburg Stirumstraat. Rond 1910 was het gehele gebied tussen Maliebaan en Wilheminapark volgebouwd.
Werk in de stad
Veel nieuwbouw betekent veel werk. Werk voor ambachtslieden zoals timmermannen en metselaars en voor steen- en pannenbakkers. Daarnaast waren er veel kleine traditionele bedrijfjes. Rond 1850 werkte 30% van de beroepsbevolking in dat soort
bedrijfjes waar producten als zeep, bier en sigaren werden gemaakt.
Grotere bedrijven moesten van de gemeente verhuizen naar terreinen buiten de stad. Zij veroorzaakten veel hinder vanwege overlast van stank en lawaai. IJzergieterijen, katoenspinnerijen en textielbedrijfjes vestigden zich aan Bemuurde Weerd en Lauwerecht.
Verder noordelijk langs de Vecht en zuidelijk langs de Vaartsche Rijn lagen de steenfabrieken.
Werkeloosheid
Als arbeider in de bouw of bij een bedrijf moest je maar afwachten hoelang het werk duurde. Als de bouw klaar was, of het bedrijfje geen opdrachten kreeg, stond je zonder geld op straat. Maar die onzekerheid had je ook als je bij een fabriek
werkte. Zo werkte bij de rijtuigenfabriek op de Bilstraat in 1838 20 man, en in 1834 120 man. Daarna raakte de fabriek in de problemen, en werd iedereen ontslagen. Dan was je met een beetje pech aangewezen op de armenzorg. 's Winters konden de armen
gratis soep halen op het Domplein. Daar werd de soep gekookt in de Heilige Kruiskapel, die al snel ‘de soepkapel' werd genoemd. In 1826 verhuisde de soepuitdeling naar een lokaal aan het Pieterskerkhof. Volgens een recept uit 1848 werd de soep
getrokken van beenderen en vlees. Voor 1000 porties werden bijgedaan: 650 liter water, 5 mud aardappelen (1 mud is ongeveer 70 kilo), 2,5 mud erwten, 100 bossen selderij, enkele struiken knolselderij, 13 kilo zout en 240 gram kruidnagelen. Iedere arme
kreeg ongeveer een liter soep per dag. Dat was natuurlijk te weinig om van te leven.
Vrouwen- en kinderarbeid
De meeste arbeiders verdienden weinig. Daarom moesten vrouwen en kinderen ook wat geld binnenbrengen. Vrouwen konden vanuit huis werken - zij breiden bijvoorbeeld sokken in opdracht van een kousenfabriek. Als je een beetje geld wilde verdienen,
dan moest je flink doorbreien. Je werd betaald per sok. Of ze werkten in de sigarenfabrieken en textielindustrie, of in steen- en (dak)pannenbakkerijen. Dat werk was vaak erg ongezond: het was lichamelijk zwaar en vond plaats in een heel stoffige
omgeving.
Voor werkgevers was het werk door vrouwen en kinderen aantrekkelijk. Ze waren heel erg goedkope werkkrachten - ze verdienden de helft - of minder - van wat de mannen verdienden.
Sigarenfabriek De Gesloten Steen
Ribbius Pelletier richtte zijn sigarenfabriek op in 1844. Vijftien jaar later bouwde hij ‘De Gesloten Steen' aan de Oudegracht. Deze fabriek had en aparte afdeling voor vrouwen en kinderen. Alle werknemers - dus ook de vrouwen en kinderen -
werkten 10 tot 12 uur per dag, in een stoffige en ongezonde omgeving. In de fabriek werden luxesigaren voor over de hele wereld gemaakt.
Pelletier vond dat hij met deze fabriek sociaal werk deed - hij bood de vrouwen de kans geld te verdienen waardoor ze niet op straat terechtkwamen. Het was goed voor de vrouwen, vond hij. Ze ‘leerden burgerlijke normen als zindelijkheid, regelmaat, tucht
en gehoorzaamheid'. Maar veel mensen vonden dat vrouwen en kinderen niet in fabrieken moesten werken, en vonden dat de winst bij Pelletier lag: vrouwen en kinderen deden immers hetzelfde werk als mannen, maar dan goedkoper.
Bescherming van vrouwen en kinderen
Vanaf het midden van de 19de eeuw bedachten steeds meer mensen dat vrouwen en kinderen beschermd moesten worden tegen slechte werkomstandigheden.
In 1872 werd een onderzoek gedaan naar het werk van Utrechtse kinderen in de steenindustrie. Dit onderzoek laat ons zien wat er van de kinderen gevraagd werd: Kinderen van acht jaar en ouder moeten in de fabrieken ‘de ganschen dag werken. Reeds vóór
het krieken van de morgen, des ochtends te 3 à 4 uur worden zij dikwijls met veel moeite uit hunnen nachtrust gewekt en naar de steenbakkerij gezonden waar zij op hunnen bloote voeten den ganschen dag steenen moeten dragen, in drukke tijden dikwijls tot 8
à 9 uur des avonds'.
De regering nam tegen het eind van de 19de eeuw steeds meer maatregelen om de slechte omstandigheden te verbeteren. Zo werd In 1889 bepaald dat vrouwen niet meer dan 12 uur per dag mochten werken.
Het kinderwetje van Van Houten uit 1874 verbood kinderen onder de twaalf jaar in een fabriek te werken. Op het land en in de steenfabrieken werken mocht wel. In 1900 kwam er formeel een eind aan kinderarbeid in Nederland: vanaf toen waren alle kinderen
leerplichtig, en moesten ze dus naar school
Meer informatie?
Bezoek het publiekscentrum van Het Utrechts Archief en maak kennis met de mannen, vrouwen en kinderen die in de sigarenfabriek van
Ribbius Pelletier werkten in Utrecht en met tuinarchitect Zocher die de plantsoenen op de oude stadsmuren heeft aangelegd.
Voor afbeeldingen kijk bij collectie beeldmateriaal.