Introductie: ziekte en gezondheid in de provincie Utrecht in de 19de en 20ste eeuw

Cholera, pokken en tuberculose (TBC) zijn ziekten die in onze Westerse wereld niet of nauwelijks meer voorkomen. Pokken zijn zelfs over de hele wereld uitgeroeid. De grote vooruitgang op medisch gebied en een verbeterde hygiëne hebben veel besmettelijke ziekten uitgebannen. Toch zijn besmettelijke ziekten nog regelmatig in het nieuws. Aan het eind van de 20ste eeuw zorgde de ziekte AIDS voor veel onrust en kort geleden de uitbraak van SARS. Ook komt TBC weer meer voor.
Maar in de 19de eeuw kwamen in Nederland epidemieën nog veel vaker voor en was er weinig tegen te doen. Een aanzienlijk deel van de bevolking werd hierdoor getroffen. Hoe erg sloegen ze toe in de provincie Utrecht? Welke rol speelden provinciale en gemeentelijke overheden bij de bestrijding ervan? Hoe reageerde men toen op deze ziekten?

Op deze pagina:

Overbevolking in de steden
Halverwege de 19de eeuw raakten de steden steeds dichter bevolkt. Veel mensen trokken van het platteland naar de stad, in de hoop daar werk te vinden. Al die mensen moesten ergens wonen. Overal waar het maar kon, werden huizen en krotten tussen de bestaande bebouwing neergezet. Achter de mooie huizen langs de belangrijkste straten ontstonden zo de sloppen waar soms hele gezinnen in één kamer moesten wonen. Er was nog geen waterleiding om iedereen van schoon water te voorzien. Niet alleen de woonomstandigheden van de arbeiders waren erbarmelijk, maar ook met de werkomstandigheden was het vaak droevig gesteld. In de overvolle fabriekshallen, waar de arbeiders eentonig werk verrichtten, was nauwelijks frisse lucht en er was weinig aandacht voor hygiëne. In deze omstandigheden hadden ziekten alle kans om zich te verspreiden.


Cholera
De Aziatische cholera (of ‘Aziatische braakloop’) was een zeer besmettelijke darmziekte die door bacteriën werd veroorzaakt. In 1832 kwam cholera voor het eerst als epidemie in Nederland voor. De ziekte greep snel om zich heen en maakte vele slachtoffers. 40% van de zieken overleed. Symptomen van cholera waren een vreemde, blauwe gelaatskleur, uitpuilende ogen, hevige diarree en overgeven. Patiënten verloren in korte tijd veel vocht en leden daardoor ernstige dorst en hadden heftige krampen. Het kwam wel voor dat mensen, die de vorige avond nog gezond naar bed waren gegaan, ’s nachts ziek werden en de volgende dag stierven. Er zouden in de 19de eeuw nog meer cholera-epidemieën volgen, o.a. een grote in 1866.


Pokken
Pokken is een besmettelijke huidziekte, die zich snel verspreidt. Het pokkenvirus veroorzaakt etterpuisten die het hele lichaam bedekken. Pokken kwamen vroeger vooral onder kinderen veel voor. Daarom werden ze ook wel ‘de kinderziekte’ genoemd. Leerlingen werden pas toegelaten op school als ze waren ingeënt (gevaccineerd) tegen pokken. Dat je je tegen pokken kon inenten, was al in de 18de eeuw bekend. Men had ontdekt dat wanneer iemand een kleine dosis koepokken ingespoten kreeg, het lichaam zelf antistoffen ging maken, waardoor het immuun werd voor de menselijke pokkenvariant. Een nadeel van de vaccinatie was wel dat kinderen hier ziek van konden worden en soms zelfs stierven. In streng-christelijke gebieden was er bovendien veel protest tegen inentingen, omdat mensen een ziekte beschouwden als de wil van God. Daar mocht je je niet tegen verzetten. Pas aan het eind van de 19de eeuw werden op grote schaal inentingen uitgevoerd. Maar ook zo’n veertig jaar geleden was een pokkenprik nog geen pretje en kon die behoorlijke littekens achterlaten.


Tuberculose
Tuberculose (TBC, ook wel ‘tering’ genoemd) was een veel voorkomende besmettelijke ziekte. TBC kan alle organen aantasten, maar longtuberculose is de bekendste vorm en wordt overgebracht door hoesten. Hoewel TBC na 1875 niet zoveel meer voorkwam als daarvoor, leed in 1910 nog steeds 15% van de Nederlanders aan deze ziekte. Een deel van hen stierf er ook aan. Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam het aantal TBC-gevallen door de verslechterde omstandigheden toe.
In 1905 werd de Utrechtse afdeling van de Nederlandse Vereniging ter Bestrijding der TBC opgericht. Deze vereniging streefde ernaar om TBC te voorkomen en hield zich bezig met opsporing, behandeling, onderzoek en nazorg. Rond 1900 ontstonden de eerste sanatoria in Nederland waar TBC-lijders werden verzorgd. Belangrijk waren frisse lucht, schoon water en een goede voeding.


Theorieën over ziekten
In de 19de eeuw bestonden er verschillende theorieën over het ontstaan van ziekten. In de eerste plaats was er de miasmatheorie. Volgens deze theorie werden ziekten veroorzaakt door kwalijke dampen (miasma’s), die konden ontstaan door veranderingen in de atmosfeer, bijvoorbeeld plotselinge hitte of kou. De tweede theorie ging uit van het idee van ‘contagio’ of besmetting. Ziekten werden volgens deze leer van de ene mens overgebracht op de andere.
Een doorbraak in de geneeskunde was de ontdekking in 1880 dat bacteriën sommige ziekten konden veroorzaken. Deze ziekten heten ‘infectieziekten’. Zo ontdekte de Duitse hoogleraar Robert Koch in 1882 de bacterie die tuberculose veroorzaakte en in 1884 de cholerabacterie.


De bemoeienis van de overheid met de gezondheidszorg
Niet alleen artsen en plaatselijke organisaties hielden zich bezig met de gezondheidszorg, maar ook provinciale en gemeentelijke besturen bemoeiden zich hiermee. In de Gemeentewet van 1851 werd bijvoorbeeld bepaald dat openbare gezondheid een taak van de gemeente was, die door de provincie werd gecontroleerd. Maar op het gebied van de volksgezondheid kwam nog steeds veel neer op de initiatieven van particuliere instellingen.
Vanaf 1851 konden gemeenten plaatselijke gezondheidscommissies instellen om toezicht te houden op de woonomstandigheden. Ook adviseerden ze hun gemeente over het beperken van de overlast van fabrieken. Maar de gemeentebesturen trokken zich weinig van deze adviezen aan. Vanwege een dreigende cholera-epidemie stelde minister van Binnenlandse Zaken Thorbecke in 1865 het Geneeskundig Staatstoezicht in. Dit bestond uit medische deskundigen die meer bevoegdheden kregen dan de gezondheidscommissies van de gemeenten. De inspecteur van het Geneeskundig Staatstoezicht was tegelijkertijd adviseur van de gemeenten én van de minister, maar mocht zelf geen verordeningen uitvaardigen. Dat moest hij nog steeds overlaten aan de gemeenten. In 1872 werd de Wet op Besmettelijke Ziekten ingevoerd. Gemeenten waren voortaan verplicht om gevallen van besmettelijke ziekten te melden bij het provinciebestuur en om voor goede ontsmettingsmogelijkheden te zorgen. Verder regelde de wet ook hoe en waar ontsmettingen plaats moesten vinden en dat schoolgaande kinderen tegen pokken moesten worden ingeënt.
In de tweede helft van de 19de eeuw kregen de zogeheten ‘hygiënisten’ veel invloed op het gezondheidsbeleid van de gemeenten. Dit waren vooruitstrevende medici die pleitten voor verbetering van de persoonlijke en openbare hygiëne. Ze waren voor maatregelen zoals de aanleg van een drinkwaterleiding, betere riolering, afvoer van vuil, etc. De hygiënisten deden hier veel onderzoek naar en probeerden mensen bewust te maken van het belang van een goede hygiëne. In 1881 werd eindelijk het besluit genomen tot de aanleg van een drinkwaterleiding in de stad Utrecht. In de jaren daarna zouden andere plaatsen in de provincie dit voorbeeld volgen: De Bilt (1883), Baarn (1885), Soest (1885), Amersfoort (1889) en Zeist (1896). De drinkwatervoorziening was eerst in handen van particuliere bedrijven, maar kwam vanaf 1923 onder toezicht van het provinciebestuur.
Met de invoering van de Woningwet in 1901 trachtte de regering een einde te maken aan de erbarmelijke woonomstandigheden van de armen, die meestal in krotten woonden. De wet stelde eisen waaraan nieuwe huizen moesten voldoen. Bijvoorbeeld over de breedte van straten, de aanwezigheid van een privaat (WC) en het aantal kamers. Verder maakte deze wet het mogelijk om krotwoningen te onteigenen en te slopen. Rond 1905 kreeg elke gemeente hiervoor een eigen verordening.
Meer wetten op het gebied van de volksgezondheid volgden, zoals:

- Ongevallenwet (1901): arbeiders werden verzekerd tegen financiële gevolgen van ziekte.
- Ziekenfondsenbesluit (1941): verplicht ziekenfonds voor werknemers met een niet al te hoog inkomen.
- Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (1967): uitkering voor mensen die langer dan een jaar ziek zijn.

Ook op organisatorisch gebied veranderde er het één en ander. In 1915 werden in de stad Utrecht diverse gemeentelijke activiteiten op het gebied van de gezondheidszorg samengevoegd in de GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst). Op provinciaal niveau werden in 1950 de krachten gebundeld in de Provinciale Raad voor de Volksgezondheid in de provincie Utrecht, waarin vertegenwoordigers van de provincie en particuliere instellingen zaten.


Behandeling van patiënten
De behandeling van zieken onderging in de 19de en 20ste eeuw ingrijpende veranderingen. Tot omstreeks 1850 lieten rijke patiënten zich thuis verzorgen. De medische wetenschap was nog niet zo ver dat er al ingewikkelde operaties mogelijk waren, dus opname in een ziekenhuis was niet echt nodig. Wie thuisverzorging niet kon betalen en er de ruimte niet voor had, kon in een gasthuis terecht. Dit veranderde toen men patiënten kon verdoven en er speciale instrumenten als röntgenapparaten kwamen. Toen werd het handiger om operaties en onderzoeken centraal op één plek te doen. In ziekenhuizen kwamen aparte afdelingen voor rijke en voor armlastige patiënten. Deze klassenindeling zou later verdwijnen. Ook ontstonden er steeds meer gespecialiseerde klinieken en afdelingen, zoals sanatoria voor TBC-lijders.
Een doorbraak op het gebied van medicijnen was dat na 1945 op grote schaal antibiotica beschikbaar kwamen. Hier konden veel infectieziekten met succes mee worden behandeld. Voor het eerst kon men bijvoorbeeld TBC effectief bestrijden. Voorheen was het voorschrijven van rust en goede voeding het enige wat artsen hieraan konden doen. Maar antibiotica waren niet zaligmakend. Virussen konden er niet mee worden bestreden. Er bleef dus nog veel te onderzoeken. Ook aan het eind van de 20ste eeuw stelde een nieuwe ziekte als AIDS de medische wetenschap weer voor grote uitdagingen.

Werkstukken

Ziekte en gezondheid