Verzet

Vrijwel vanaf het begin van de bezetting was er sprake van een illegale pers, met Utrechtse bladen als Bulletin en Slaet op den Trommele, terwijl ook landelijke illegale bladen als De Waarheid, Het Parool, en het studentenblad De Geus in Utrecht verspreid werden. In augustus 1940 werd een Utrechtse afdeling van de landelijke Ordedienst (OD) opgericht, die zich richtte op het overnemen van de macht na het vertrek van de Duitsers en met het oog hierop wapenvoorraden wilde aanleggen. Daarnaast waren allerlei individuen en kleine verzetsgroepen actief. Net als elders in Nederland opereerde het verzet in Utrecht aanvankelijk nogal amateuristisch. De leden hadden een naïef vertrouwen in hun omgeving, bespraken werkzaamheden met buitenstaanders en noteerden adressen en afspraken openlijk in hun agenda's. Veel van de eerste groepen werden opgerold. Hun opvolgers leerden van de gemaakte fouten en waren voorzichtiger.

Het verzet nam toe vanaf het voorjaar van 1942, toen de bezetting leek te verharden en tegelijkertijd de hoop op het keren van de oorlogskansen toenam. In de stad ontstonden tal van verzetsgroepen, hetzij autonoom opererend, hetzij als afdelingen van de OD of de LO (Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers). Naarmate het aantal onderduikers steeg - vooral vanaf 1943 - werd steeds vaker een beroep gedaan op het verzet om adressen te vinden of bonnen en identiteitspapieren te vervalsen. Ten behoeve van de geallieerden verzamelden verzetsmensen in Utrecht informatie over de ligging van bunkers en militaire panden.

Een onbekend aantal Utrechters bood onderduikmogelijkheden aan joden, daarmee hun eigen leven riskerend. Een groep Utrechtse studenten, actief in wat het 'Kindercomité' zou gaan heten, haalde enkele honderden joodse kinderen uit Amsterdam om ze vervolgens onder te brengen op adressen in het gehele land. De noodzakelijke administratie - men moest de kinderen na de oorlog immers weer kunnen terugvinden - was opgeborgen in de kluizen van het bisschoppelijk paleis aan de Maliebaan. In de crèche 'Kindjeshaven' aan de Prins Hendriklaan zorgden twee jonge vrouwen, Geertruida van Lier en Jet Berdenis van Berlekom voor de tijdelijke opvang van in totaal circa 150 joodse baby's en kleuters. Als dekmantel namen de vrouwen ook voogdijkinderen en onwettige kinderen van Duitse militairen op. Ook al werd het verzet professioneler, er bleven altijd grote risico's aan verbonden, variërend van hardhandig verhoor tot gevangenschap en fusillering. Berucht was het fort De Bilt, waar gedurende de bezetting tientallen Utrechtse verzetsstrijders doodgeschoten werden.

Kleinere, persoonlijke uitingen van verzet waren het dragen van broches met de beeltenis van Wilhelmina, gemaakt van uitgezaagde munten, of het kweken van oranjekleurige goudsbloemen. Niet bijzonder effectief tegen de bezetter, maar wel geschikt om de moed erin te houden.

 

Beeldmateriaal nr. 100100

Afbeelding van de onthulling van het monument voor de gefusilleerde verzetsstrijders op het fort De Bilt aan de Biltsestraatweg te Utrecht

Thema

Inleiding