Schaarste

Naarmate de jaren verstreken, ondervonden de inwoners van Utrecht in hun dagelijks leven steeds sterker de gevolgen van de bezetting. Dat begon in het voorjaar en de zomer van 1940 met distributiemaatregelen voor schoenen, textiel en zeep, voor brood, bloem, koffie en thee. Deze producten konden alleen gekocht worden tegen inlevering van bonnen. Bonkaarten werden verspreid door de gemeentelijke distributiedienst, die zijn hoofdkantoor had op de Weerdsingel.

Gaandeweg kwamen steeds meer artikelen 'op de bon'. De eerste jaren bleef de schaarste echter beperkt tot een bepaald assortiment aan goederen, waaronder suiker, vette melk, vette kaas, eieren en spek. In plaats daarvan werden meer groenten en magere producten gebruikt. Ieder huishouden leerde improviseren en aanpassen. Voor allerlei zaken kwamen vervangingsmiddelen op de markt, van surrogaatkoffie tot preparaten om de hoeveelheid boter te 'verdubbelen'. De schaarste aan textiel werd zoveel mogelijk opgelost door hergebruik en eindeloze reparatie van bestaande kleding.

Ter aanvulling van de distributie trokken de Utrechters erop uit om inkopen te doen op het platteland. Bijna elk gezin had wel zijn adresjes voor melk, boter, groenten, eieren en kaas. Anderen verkregen extra voedingsmiddelen via bedrijfskeukens of door zelf groenten te verbouwen. Tot het najaar van 1944, toen de voedselsituatie werkelijk nijpend werd, kon de schaarste goeddeels worden opgevangen door een combinatie van inventiviteit en connecties. Wie daar niet over beschikte, kon altijd nog een beroep doen op de gemeentelijke gaarkeukens, die vanaf het begin van de bezetting aanvullende voeding verzorgden voor schoolkinderen en vanaf februari 1941 ook voor minder draagkrachtige volwassenen.

In de loop van de bezettingsjaren werd de schaarste aan voedingsmiddelen en gebruiksartikelen steeds zichtbaarder in het straatbeeld: men zag voetgangers op schoenen met houten zolen vanwege de schaarste aan leer, fietsen met houten banden vanwege de schaarste aan rubber, en auto's met enorme gasreservoirs op het dak vanwege de schaarste aan benzine. Voor sommige winkels vormden zich rijen, en in de laatste twee bezettingsjaren moesten diverse winkeliers hun deuren sluiten wegens gebrek aan handelswaar. De Utrechtse markten verloren gaandeweg hun bestaansreden; de bloemenmarkt op het Janskerkhof hield nog het langst stand.

De mobilisatie en de eerste jaren van de bezetting zorgden voor een aanzienlijke daling van de stedelijke werkloosheid: van bijna 12 procent van de beroepsbevolking in 1939 tot niet meer dan 123 geregistreerde werklozen eind 1943. De medaille had een keerzijde. Een groot aantal werkloze arbeidskrachten werd namelijk gedwongen zich te melden voor uitzending naar Duitsland, de zogenoemde arbeidsinzet, op straffe van inhouding van ondersteuning. Anderen konden aan de slag in een van de Utrechtse metaal- en machinebedrijven, zoals Demka, Werkspoor of Jaffa. Die bedrijven werden onmiddellijk na de capitulatie ingeschakeld bij de Duitse oorlogseconomie en hadden dus werk genoeg.

Gaandeweg eiste de bezetter steeds meer arbeidskrachten op. Gingen aanvankelijk alleen werklozen en 'vrijwilligers' naar Duitsland, vanaf begin 1943 werden ook anderen massaal opgeroepen voor de arbeidsinzet. Bedrijven werden uitgekamd op bruikbare arbeidskrachten. Vooral aan metaalarbeiders en arbeiders in de textiel-, leer- en voedingsindustrie hadden de Duitsers behoefte. Studenten die in het voorjaar van 1943 weigerden de loyaliteitsverklaring te tekenen, werden eveneens opgeroepen. Wie niet naar Duitsland wilde, had slechts een beperkt aantal mogelijkheden. Zeer geschikt was een bewijs van onmisbaarheid of een verklaring dat men een (liefst besmettelijke) ziekte onder de leden had. Om aan dat soort verklaringen - hetzij echt hetzij vervalst - te komen, moest men echter beschikken over invloedrijke kennissen, bevriende artsen of voldoende geld. Een alternatief was onder te duiken, maar ook dat vroeg om connecties en/of geld. Wie daar niet over beschikte, had weinig andere keus dan gevolg te geven aan de oproep en zich op de trein te laten zetten richting Duitsland. Om aan arbeidskrachten te komen voor het graven van verdedigingwerken aan de IJssel en in de Betuwe, vonden in het laatste bezettingsjaar tal van razzia's plaats: op het station, op straat of door middel van huiszoekingen. In de laatste maanden van de bezetting werd Utrecht steeds meer een stad van vrouwen, kinderen en oude mannen. Mannen tussen de achttien (later zestien) en vijfenvijftig jaar die nog niet opgepakt waren, deden er verstandig aan zich zo min mogelijk op straat te laten zien.

Etalage-uitstalling in de winkel op de hoek van de Mariastraat en de Steenweg, ca. 19 juli 1941 ( Foto: © W.J. van Spaarndonk) Collectie beeldmateriaal, Verzameling 156, nr. 16

Thema

Inleiding