In de laatste bezettingswinter werd de situatie in de stad werkelijk nijpend. De landelijke spoorwegstaking, uitgeroepen in september 1944 door de regering in Londen, deed de aanvoer van voedsel en kolen stagneren. Gas en elektriciteit werden eerst nog beperkt geleverd, later helemaal niet meer. Het openbare leven kwam vrijwel tot stilstand. Scholen werden gesloten. Veel bedrijven functioneerden niet meer bij gebrek aan grondstoffen. Alle aandacht ging uit naar het verwerven van voedsel en brandstof.
Vanaf 23 oktober produceerden de gemeentelijke gaarkeukens voedsel voor de gehele bevolking. In ruil voor bonnen en een klein geldbedrag kon men er soep of stamppot halen, een halve liter per persoon per dag. Wie kon, probeerde nog zelf te koken, op kleine noodkacheltjes, met zelfgekweekte, geruilde of (op de zwarte markt) gekochte voedingsmiddelen.
Het gebrek aan brandstof in de uitzonderlijk koude en lange laatste winter had tot gevolg dat de bomen in de stad eraan moesten geloven. Ondanks een verbod zich met bijlen en zagen op de openbare weg te vertonen, werden zo'n 5000 bomen geveld, terwijl bovendien vele gazon- en tuinhekken werden gesloopt. Hier en daar waren mensen zelfs gedwongen het eigen meubilair, deuren en kozijnen op te stoken.
Een grootscheeps initiatief van de gezamenlijke kerken, verenigd in het Interkerkelijk Overleg (IKO) zorgde ervoor dat in die laatste maanden duizenden kinderen vanuit Utrecht werden overgebracht naar Groningen en Drenthe, waar de voedselsituatie beter was dan in de stad. Om aan eten te komen, trok de bevolking van Utrecht erop uit met karren of kinderwagens, eerst naar het omringende platteland, later verder weg tot zelfs aan Zwolle toe. Ook werd er gebedeld. Een bewoonster van de Oudegracht noteerde in haar dagboek: 'Vanmiddag liep ik op de gracht en zag een man en een jongetje bedelen om brood, huis aan huis. Het kind, halfnaakt met vuurrood neusje, blazend in zijn ijskoude vuistjes riep: "Hier zijn ze ook alweer niet thuis, vader"! Mijn hart brak. Hoevelen bellen zo vergeefs en hoevelen zijn "al wéér niet thuis", omdat ze zelf haast niets te missen hebben'. (Geciteerd naar Van Miert, Een gewone stad, 191)
In de eerste helft van 1945 stierven in Utrecht ruim 1000 mensen meer dan in een 'normale' situatie. Vooral alleenstaanden, zieken en bejaarden werden slachtoffer van de Hongerwinter.