De Duitse inval

'Duitschland breekt los tegen West-Europa' zo opende op vrijdag 10 mei 1940 het Utrechtsch Nieuwsblad. Er zal nauwelijks een inwoner in Utrecht geweest zijn die dat nog niet wist; de stad was die ochtend gewekt door het dreigende geluid van grote aantallen overkomende vliegtuigen.

De Duitse inval leidde tot grote activiteit in de stad. De gemeenteraad kwam in spoedzitting bijeen. Evacuatieplannen traden in werking: het oostelijk stadsdeel moest worden ontruimd om bij nadering van de vijand onder water te worden gezet. Wachters met verrekijkers posteerden zich op de Domtoren. Leden van het Utrechtsch Studenten Corps lieten hun wijnvoorraad weglopen in de Drift, om te voorkomen dat deze in handen van vreemde soldaten zou vallen. Burgemeester G.A.W. ter Pelkwijk sprak de bevolking bemoedigend toe via de radiodistributie en door luidsprekers die in de stad waren opgehangen. Vluchtelingen stroomden vanuit oostelijke richting Utrecht binnen.

De spanning steeg toen op 14 mei pamfletten werden uitgestrooid boven de stad: na Rotterdam zou Utrecht aan de beurt zijn voor een bombardement, dreigden de Duitsers. Zo ver kwam het niet, de capitulatie maakte een eind aan de gevechtshandelingen en luidde het begin van vijf jaren bezetting in. Op 15 mei trokken Duitse soldaten Utrecht binnen.

Na de angst en ongerustheid van de oorlogsdagen bracht de capitulatie een zekere rust. Geëvacueerden konden terugkeren naar hun woning, scholen en bedrijven vatten het normale programma weer op, het Utrechts Stedelijk Orkest gaf zijn concerten en ook de voetbalcompetitie werd hervat. Tegen de verwachtingen in bleken de Duitse soldaten zich netjes te gedragen. Zij betoonden zich hoffelijk en gedisciplineerd, vielen geen vrouwen lastig en lieten de joden vooralsnog met rust. De commandant van de Duitse bezettingstroepen in Utrecht bezocht burgemeester Ter Pelkwijk en rector magnificus F.H. Quix. Hij verzekerde hun dat de Duitsers het maatschappelijk, cultureel en economisch leven in de stad intact zouden laten. Ook het gemeentebestuur werd vooralsnog door de bezetter gehandhaafd, al werd het onder controle geplaatst van een Beauftragte. Een gevoel van opluchting maakte zich meester van de bevolking. Misschien viel het allemaal nog mee.

In de komende vijf jaren zou blijken dat dit een illusie was, de bezetting zou wel degelijk diep ingrijpende gevolgen voor het leven van de Utrechtse bevolking hebben. De verzwaring van het bestaan gebeurde echter geleidelijk, niet met een plotselinge omslag maar stapje voor stapje, maatregel voor maatregel. In dat opzicht week de gang van zaken in Utrecht niet af van die in de rest van het land.

De eerste duidelijke verandering na de 15de mei was de aanwezigheid in het Utrechtse straatbeeld van Duitse soldaten, Duitse militaire voertuigen en Duitstalige wegwijzers. 'Het stadsbeeld, veranderd door de zingende soldaten, parades en militaire muziek, werkte mede om de burgerij te doen voelen dat wij waren verslagen', noteerde burgemeester Ter Pelkwijk. (Ter Pelkwijk, 'Eerste jaren van de bezetting', 10) Verspreid over de stad werden panden gevorderd ten behoeve van Duitse militaire of burgerlijke instanties. Aan de Mariaplaats werd een Ortskommandantur gevestigd, het militaire hoofdkwartier van de bezetter. Vooral aan de Maliebaan was de concentratie van Duitse instellingen hoog. De Beauftragte woonde en werkte er en de plaatselijke hoofdkwartieren van de Ordungspolizei en de Sicherheitspolizei waren er gevestigd. Daarnaast werden op diverse pleinen en bolwerken in de stad betonnen bunkers gebouwd, als onderdeel van de verdedigingswerken van de bezetter.

Een belangrijke verandering in het straatbeeld had zich al vóór de bezetting voltrokken: in augustus 1939 was men begonnen met het aanleggen van schuilloopgraven in de stad. Zigzaggend sneden deze diepe geulen door brede straten en lanen. Hier en daar waren schuilkelders aangelegd, waar burgers zich bij een luchtaanval in betrekkelijke veiligheid konden brengen.

Er moest vanaf het begin algehele verduistering in acht worden genomen om geen luchtaanvallen uit te lokken. 'Engelse vliegers kennen geen genade' zo waarschuwden de Duitsers in propagandapamfletten. Ramen werden afgedekt met zwart verduisteringspapier, straatlantaarns brandden niet, en van fiets- en autolampen mocht slechts een spleetje licht zichtbaar zijn. Nu en dan berichtten de kranten dat iemand vanwege de duisternis in een gracht of singel was gelopen. De stad bleef vrijwel gespaard voor luchtaanvallen. Alleen aan het einde van de bezetting zouden enkele slachtoffers vallen door bombardementen nabij het Centraal Station, waarbij per abuis de neurologische kliniek van het Academisch Ziekenhuis werd geraakt, en door het neerstorten van een geallieerd vliegtuig in de wijk Wittevrouwen.

Voorpagina Utrechtsch Nieuwsblad 10 mei 1940

Thema

Inleiding