Er is al veel geschreven over de Tweede Wereldoorlog. Toch beleefde een ieder de oorlog op zijn eigen manier. Graag nodigen wij u uit uw herinneringen met ons te delen en vast te leggen voor latere generaties.
Ik herinner het me als de dag van gisteren. Ik was pas vier jaar oud, toen de oorlog uitbrak. Ik herinner me het gebrom van de overvliegende vliegtuigen, de angst van de volwassenen was duidelijk voelbaar. Ik weet dat ik uit pure angst een lange tijd in een hoekje van de kamer gezeten heb. Niet beseffende wat er aan de hand was, maar wel dat het iets ergs was. Dit gevoel is me de totale oorlog door bij gebleven .... angst.
Zelfs nu nog, als ik bijvoorbeeld schrik van een harde knal, komt dat zelfde beklemmende gevoel weer zo herkenbaar boven.
Het Verbond van de Zwarte Hand.
Vanaf het Ledig Erf, vooraan de Oosterkade was een boerderij van de familie De Hartog. Ik meen dat hij Jantje heette die er woonde en hij was één van de vriendjes uit onze buurt. Het was oorlog en voor kinderen van onze leeftijd, ik zal zo'n 9 jaar geweest zijn, waren er geen speelmogelijkheden zoals we die vandaag de dag kennen. Een zogenaamde stadsboerderij was dan ook in die tijd een avontuurlijke plek waar je je als kind kon uitleven. Of de dieren al door de Duitsers waren gevorderd staat me niet meer zo bij. Wél was er een hooiberg. Een ideale speelplek ! Verstoppertje en krijgertje spelen deden we naar hartelust.
Tot die dag mijn vriendjes en ik een bijzondere ontdekking deden. Tijdens ons kruip- en sluipdoorspel zagen we iets dat niet in het hooi thuishoorde: een jute zak ! Voorzichtig maakten wij die zak open en wat zagen wij ?: een machinegweer met een rond kogelmagazijn en zo'n handgreep met ribbels voorop. Het was absoluut geen Duits machinepistool want die kenden we van transporten van krijgsgevangenen en andere opgepakten die onder bewaking van Duitse soldaten met machinepistolen door de Gansstraat werden afgevoerd. Later begreep ik dat wat wij hadden gevonden een "Tommy Gun" was. Die lag er verborgen en dat vonden wij niet pluis. Instinctief voelden wij aan dat dit een groot anti-Duits geheim was. We besloten dan ook om het geheim te houden en stopten de zak met inhoud weer terug waar wij hem hadden gevonden. Ook besloten wij direct een geheim verbond op te richten. De handen werden gezamenlijk opeen gelegd en 3x op en neer bewogen met daarbij de uitgesproken belofte dat we niemand . . .maar dan ook niemand op de hoogte zouden stellen van onze vondst. Dit was het geheim van zoals wij het noemden: "Het Verbond van de Zwarte Hand". Niemand heeft het dan ook ooit van ons gehoord. En ook nu nog weet ik niet waar dat wapen vandaan kwam en waar het gebleven is. Het Verbond van de Zwarte Hand heeft dus wel gewerkt !
Ab Meester –
Nieuwegein
Het stuk dat Dhr.Ab Meester schreef heeft mij enorm geraakt.
Mijn grootouders en dus mijn vader woonde daar,zij zijn in de oorlog door de Duitsers opgepakt en afgevoerd,de mannen. Gelukkig zijn beide na de oorlog terug gekomen maar hun leven werd nooit meer als voorheen.
Inmiddels zijn beide al lang geleden overleden. En nu sinds enige tijd hoor ik van mijn Moeder,over die tijd.
Net als mijn zus ben ik ook zeer geroerd door het verhaal.Als jullie het niet geheim hadden gehouden ,ik moet er niet aan denken wat er dan gebeurd was.Heel bijzonder,de tranen schieten in mijn ogen.
Klein dochter van de fam.den Hartog.
Henny den Hartog
Geboren in 1937 in Utrecht en tijdens de oorlog in Utrecht gewoond.. Mijn moeder was Duitse. De eerste leugen was geboren begreep ik later. Er is mij ingeprent dat ik een Zwitserse moeder had. Denk erom !!!
Ondertussen heb ik nog steeds last van brommende vliegtuigen in de nacht.Ik woon in den Haag en bij een bepaalde wind komen er dan brommende vliegtuigen over, richting of vanaf Schiphol.
Maar het allerergste kwam toen mijn moeder met mij en mijn zus in 1946 de familie ging bezoeken in zuid Duitsland ( 38 uur met de trein )
Wat bleek: De hele familie was nog steeds overtuigd nazi's.
Grote landkaarten aan de muur en precies gemarkeerd tot hoever de Duitse legers waren gekomen, met daarnaast een grote ingelijste foto van Adolf Hitler.
Mijn moeder was allang overtuigd anti duits, met als gevolg dat we
de hele familie nooit meer hebben gezien.
Toen ik zo ongeveer 50 jaar was, kreeg hier last van en heb hulp gezocht. Gelukkig kan ik weer met Duitsers praten, hoewel ik nog nooit een Duitser ben tegen gekomen die zei: mijn vader en/of moeder waren ook van de partij.
Als we van tijd tot tijd in de stad Utrecht zijn herken ik direct de plaatsen welke in de oorlog gebarricadeerd waren en afgezet waren. Je vergeet het nooit.
George Hoevers 22 november 2011
dag george
senta wil reageren op het verhaal van jou
je had het geluk dat jullie verhuisden en konden jokken over de afkomst uit duitsland en zwitserland wij bleven wonen in de straat en zijn voor bijna eeuwig door sommige mensen moffenkinderen gebleven.
mijn jongste zus nu 60 jaar omzeilt nog steeds de afkomst van onze beierische mutti
in verpleeghuisbranche vanwege de haat die sommige oude mensen nog steeds hebben
mijn familie heeft wel moeten vechten en veel geleden ze hadden niet veel te kiezen
groeten senta de haas utrecht
Kan mij dat heel goed voorstellen,ik ben van 1938 en kan mij wijnig herrinderen,maar toch om deze tijd komt alles weer boven.Suikerbieten eten bloembollen bakken en dat allemaal door die MOFFEN
D van de Geijn, 12-4-2013 16:47Vader werkte bij de wegenbouw H. B. M. Zodoende woonden we met ons gezin in een woonwagen; overal waar werk was, verhuisden we mee naar toe. In 1940 stonden we met de wagen op het verkeersplein Oude Rijn, wat praktisch klaar was. Vader was opgeroepen, moest in dienst bij de speciale commando van de wegentroepen, gelegerd in Gouderak. Ons gezin bestond verder uit, moeder, Gerrie, Jan, Dinie en Gert. Op 10 Mei '40 werden we s' morgens om 4 uur wakker van al het lawaai van vliegtuigen die overkwamen;meteen naar buiten,kijken wat er aan de hand was; zagen we allemaal Duitse vliegtuigen over komen. Op het radionieuws hoorden we, dat de Duitsers ons land waren binnen gevallen, en dat we dus in oorlog waren. s'Morgens om 8 uur reed ik op de fiets naar mijn werk, moest naar Oog in Al, er vloog een grote Duitse Stuka over en 2 Hollandse jagertjes doken er iedere keer bovenop; ik had veel bewondering voor deze piloten, maar wel angstig als je 14 jaar bent. Tijdens de werkzaamheden aan het verkeersplein hadden de werklui een gat in de grond gemaakt van ca. 1 bij 1 meter, en dezelfde diepte, dat was nodig om water op te pompen; dat gebruikten we als schuilkelder. Er werd geregeld gebombardeerd; Toen Rotterdam plat werd gegooid, vlogen er zelfs Duitse vliegtuigen over, zaten we met zijn vijven in de schuilkelder; de hemel was rood gekleurd van het vuur de papiersnippers dwarrelden boven ons, afkomstig uit Rotterdam,om nooit te vergeten. 2 Duitse jagers moesten een noodlanding maken, vlak achter ons op een weiland, mensen uit de buurt er meteen op af, kregen geen kans hun fietsen werden gevorderd, de piloten grepen hun papieren en gingen er als een speer van door. Het gemaal werd open gezet, en de hele Taatsedijk stond onder water. Na 5 dagen van oorlog werd de overgave getekend. Bek af trok een hele rij Hollandse soldaten sjokkend langs onze wagen [dorstlessend] op de terugtocht naar Jutfaas. Onze hond is met ze mee gelopen die waren we dus kwijt.
Geachte G. Bouchier-Gerrits,
Tijdens mijn zoektocht naar herinneringen aan radio in de Tweede Wereldoorlog, kwam bij uw bericht terecht: U noemde het radionieuws in uw herinnering aan de Tweede Wereldoorlog.
Ik ben een studente en voor mijn onderzoek naar (herinneringen aan) Radio in de Tweede Wereldoorlog ben ik op zoek naar bijzondere herinneringen aan radio in die tijd.
Bent u misschien bereid om nog iets meer te vertellen over radio?
Met vriendelijke groet,
Petra

BIJNA DRAMA IN UTRECHT
Enkele weken voor de Bevrijding in de Kleine Eligensteeg
(verteld door de in 1945 14 jarige Gerard Ram)
Na slechts ternauwernood de Hongerwinter 1944/45 te hebben overleefd bracht het voorjaar van 1945 ons nieuwe hoop omdat er steeds vaker geruchten opdoken dat de Bevrijding nabij was.
Bij het ‘de boer opgaan voor eten’ in de hongerwinter, waarbij de mensen uit onze buurt lopend en op oude gammele fietsen zonder banden, oude kinderwagens of aftandse handwagens bijna steevast in zuidelijke richting gingen, zelfs tot aan Zaltbommel, merkten wij dat het in het zuiden aan het rommelen was.
Het was duidelijk dat er in de zuidelijke provincies gevochten werd en dat de bevrijding dus niet ver weg kon zijn.
Helaas kwam de bevrijding toen nog niet en moesten wij nog door die vreselijke hongerwinter.
Maar in het voorjaar van 1945 doken de geruchten van een aanstaande bevrijding opnieuw op; geruchten die steeds talrijker en hardnekkiger werden.
Ik weet nog goed dat die aanhoudende geruchten de mensen in onze straat eigenlijk met de week opstandiger en provocerender maakten naar Duitsers en NSB- ers. Extra voedsel aan de overtuiging dat de bevrijding nabij was werd nog gegeven door het feit dat in een periode van slechts enkele weken enkele prominente NSB- ers en anderssoortige collaborateurs van de ene op de andere dag met de noorderzon bleken vertrokken. Hun verhuizing was kennelijk zo goed voorbereid dat zij in staat waren te vertrekken in niet meer dan een dag en een nacht.
Een treffend voorbeeld daavan was de 'familie Lieftinck', tot dan wonend in het hoekhuis aan de Lange Nieuwstraat en de Zuilenstraat.
De man was in elk geval een officier bij de NSB en zijn zoon en dochter waren lid van de Jeugdstorm.
Vooral het optreden van de zoon was (in de omgeving van de Lange Nieuwstraat) vaak provocerend en intimiderend, geënt op het eigen lidmaatschap van de Jeugdstorm en de positie van de vader bij de NSB. Vooral in uniform waren deze mensen voor de buurt een ware bezoeking.
Waarschijnlijk beschikten deze mensen, in de laatste stuiptrekkingen van de Tweede Wereldoorlog, over concrete informatie betreffende de komst van de Geallieerden.
Het wekte in onze straat dus eigenlijk geen verbazing toen we opeens hoorden (hoeveel weken voor de bevrijding weet ik nog steeds niet) dat de Duitsers, gelegerd in het pand Nieuwe Gracht Nr.58 hals over kop dat gebouw hadden verlaten met achterlating van de gehele inventaris. Als ik me goed herinner dan stond er op het bord aan dat bewuste gebouw iets wat met '(Besirks?)Gericht' te maken had.
Het mag duidelijk zijn dat de bewoners van een straat, bijna uitgehongerd in de hongerwinter en vrijwel alles in de kachel verbrand hebbend wat maar enigzins brandbaar was en alles wat maar enige waarde had bij de boeren geruild hebbend voor eten (bij enkele gezinnen stonden alleen nog de muren en het dak van het huis overeind!) zich als wolven op deze prooi stortten.
In een roes van wraakzucht en euforie (over de, dachten zij, aanstaande bevrijding) werd het gebouw in amper een dag volkomen leeggeroofd.
Alles, maar dan ook alles werd meegenomen, van eetwaren tot tapijten, bedden, keukengerei, stoelen, tafels, kasten, schrijfmachines, schilderijen enz. enz.
De hele straat was opeens in een roes van gelukzaligheid vanwege de buit die op de Duitsers veroverd was!
Helaas verkeerde de blijdschap de daaropvolgende dag al snel in een paniekachtige stemming. Iemand kwam met het bericht dat de Duitsers waren teruggekomen omdat de geruchten over een op handen zijnde bevrijding volkomen uit de lucht waren gegrepen en bij terugkomst het totaal lege gebouw aantreffend in woede waren ontstoken.
En passant werd er aan toegevoegd dat de Duitsers, in de persoon van een groep manschappen van de Feldgendarmerie, gelegerd in het gebouw Nieuwe Gracht 92 (na de bevrijding betrokken door de Canadezen en later in gebruik als Medisch Sportkeuringsbureau) de volgende dag konden worden verwacht om al 'hun eigendommen' terug te halen.
De buurt, die na uitgebreid onderling overleg had besloten niets aan de Duitsers terug te geven, ging met man en macht aan het werk om al de veroverde spullen voor de Duitsers te verstoppen.
Elk hoekje en gaatje werd benut om het voor de Duitsers onzichtbaar te maken (wat natuurlijk onmogelijk was), waarna de mensen, in toch wel angstige spanning, de dingen die ongetwijfeld zouden komen afwachtten.
Rond het middaguur de volgende dag verscheen er inderdaad een Nederlandse SS Officier, vergezeld van vier soldaten, met een ketting om hun nek waaraan, op de borst, de bekende Feldgendarmerie emblemen, vanaf de Nieuwe Gracht de straat inmarcherend en begon met een oppervlakkige doorzoeking van de huizen.
Omdat de SS officier daarbij slechts enkele kleine dingen vond, dachten de bewoners wier huis inmiddels was doorzocht dat hij niets kon vinden en dat men derhalve in het bezit zou kunnen blijven van de spullen.
Maar dat de SS Officier een geheel andere taktiek in gedachten had bleek pas toen hij, na enkele huizen te hebben doorzocht, daarmee stopte, bij vijf verschillende huizen naar binnen ging en weer naar buiten kwam met de man c.q. de vader van dat gezin.
Na aldus vijf mannen te hebben geselecteerd, plaatste hij deze naast elkaar tegen de muur naast de toenmalige machinefabriek, haalde zijn pistool uit de holster, stak het in de lucht en schreeuwde: "Ik geef de straat precies vijftien minuten om ALLE eigendommen van de Duitse Wehrmacht buiten te deponeren! Gebeurt dat niet, of blijven er eigendommen achter dan valt over precies vijftien minuten de eerste dode. De tijd loopt!"
Zoals in de bijbel misschien ooit het manna uit de hemel kwam, zo regende het nu uit de huizen spullen van de Wehrmacht!
De mensen waren zo geschrokken, dat zij niets achter durfden houden. Later bleek ook dat er niets was achter gebleven.
Inmiddels had een van de soldaten zich verwijderd, waarschijnlijk om vervoer te regelen, want enige tijd later kwamen er enkele vrachtwagens de straat inrijden om de spullen in te laden.
Nadat dat z'n beslag had gekregen nam de SS Officier uit drie gezinnen een jongen mee in de leeftijd van zo'n 12 a 13 jaar. Wat uiteraard ook nog de nodige angstige spanning veroorzaakte.
s'Avonds rond een uur of acht kwamen de jongens, op eigen gelegenheid, weer thuis, waarbij bleek dat zij kennelijk toch nog als een soort vergelding ruim twee uur in een kelder van het gebouw van de Feldgendarmerie tot aan hun knieën in het ijskoude water hadden moeten zitten.
Resumerend kun je tot de slotsom komen dat hier toch sprake was, hoewel alles met een betrekkelijke sisser is afgelopen, van een 'bijna drama'.
Zou de straat het been hebben stijfgehouden, in de roes van de bevrijdingsgeruchten, dan zou hebben moeten blijken of diezelfde Hollandse SS Officier (met misschien dezelfde bevrijdingsgeruchten in het hoofd met mogelijke repercussies naar hem, vanwege zo'n misdaad in het zicht van de bevrijding, dit overwegend) inderdaad het dreigement van liquidatie van de mannen zou hebben uitgevoerd.
Desalnietemin voegt dit toch nog iets toe aan de, nooit in de geschiedenisboeken opgenomen, kleinere feiten en gebeurtenissen uit die periode van de stad Utrecht.
Ook in het zojuist verschenen boek 'Kind in de Tweede Wereldoorlog' van Juliëtte Eichholtz zijn een flink aantal brieffragmenten van mensen met herinneringen aan gebeurtenissen in Utrecht te vinden.
Bart Andriessen, 27-4-2010 15:51Er staat zoveel geschreven over de oorlog in Ned. Waarom wordt er met geen woord iets gezegd over de verschrikkelijke oorlogsgebeurtenissen in Ned. Indië? Ik was 10 jaar toen daar de oorlog uitbrak. De bombardementen op Soerabaja waren afschuwelijk en daarna werd ik in een concentratiekamp gezet. Waar ik pas uit kwam toen ik ruim 13 jaar was. Ik heb over die verschrikkelijke Japanse terreur een boekje geschreven: "Setengah mati, kind in een Jappenkamp". Tot nu toe heb ik nooit vernomen dat er in de geschiedenisboekjes iets staat over de Japanse terreur in Ned. indië.
Ik vind dat Nederland wat dat betreft aan geschiedsvervalsing doet! Tenslotte zijn wij ook Nederlanders en hebben een verschrikkelijke oorlog meegemaakt.

Deze 1ste februari van 1945 was voor verschillenden een ongeluksdag, want speciaal in de Detmoldstraat werden enkele mannen opgepikt, weggebracht naar Tivoli, van waar ze als slaven naar duitsland worden gebracht.
Op 2 febr. zijn er bommen gegooid op, naar ik hoorde, een vliegtuigfabriek, of onderdelen ervoor, aan de Cartesiusweg.
Een paar weken geleden, tijdens de vorst, zag ik enige boerenwagens, geladen met grint, niet voortgetrokken door paarden, maar door een partij arbeiders. Deze mensen konden wegens de vorst, geen graafwerk verrichten, en werden nu als trekdieren door de duitsers gebruikt.
Het was noodzakelijk om de goede kleren weg te stoppen, daar er hier en daar nog al eens “vorderingen” worden gehouden
Vanmorgen 3 febr. waren we erg nieuwsgierig naar hetgeen we gisteravond gezien hebben. We hoorden namelijk om ongeveer acht uur enige harde knallen en dachten dat er geschoten werd. Het was heel dichtbij.
Even later vertelde de buurvrouw ons, dat er een geweldige brand was. Het bleek van de Jutphaseweg te zijn. Het was een enorme vuurzee even voorbij Hooghiemstra. De vlammen sloegen huizenhoog, massa’s zwarte wolken en grote slierten van vonken. Het was ná achten, en konden dus niet op straat gaan kijken waar het was. Het duurde niet lang of er kwam een geweldige knal, waardoor er heel wat ruiten gesprongen zijn en vlak daarop een nieuwe geweldige brand, meer recht achter ons huis. Nog nooit hebben we zo’n vlammenzee gezien. Wat was het geweest?
In de Vaartse Rijn, even de brug voorbij, bleken drie schuiten, geladen met olie en benzine, verbrand te zijn. Er is niets van overgebleven dan de geraamtes van de schepen. De benzinevaten dreven nog in het water en er lag een vette olielaag. Is er sabotage gepleegd, of een ongeluk of wat ook? Dat weten we niet; zelfs in de krant van vandaag wordt er met geen woord over gerept.
Fam. Bootsma van de Julianaweg
M'n karretje
Toen tijdens de Duitse bezetting ondergedoken mannen zich niet op straat konden vertonen moesten toch de vrouwen zorgen dat er eten op tafel kwam. Zo ontstonden de beruchte voedseltochten met als dieptepunt de rampzalige herinneringen aan de hongerwinter. Voor kinderen die tijdens de oorlog opgroeiden was het dan ook normaal om hun moeder en overige familieleden proberen te helpen met het verkrijgen van voedsel. Zo hadden mijn iets oudere buurjongen Wim en ik het plan opgevat om ook een "voedseltocht" te organiseren. Wim had een karretje dat bestond uit een onderstel van een kinderwagen met daarop een houten plank en vooraan een touw om het karretje te kunnen trekken. Het doel was om bij boeren aardappelen proberen te krijgen. We liepen via de Gansstraat en de Koningsweg naar het Mereveldseweggetje. Daar aan de overkant bij een viaduct over de spoorlijn was een boerderij. Wim zei tegen mij dat ik met zijn karretje moest blijven wachten, dan zou hij over het viaduct klimmen en naar de boerderij gaan om te kijken of daar aardappelen waren te halen. Hij weg. Ik wachten. Totdat er een trein aankwam die afremde en stopte. De locomotief bleef precies onder het viaduct staan. Of die (Duitse) machinisten ook hadden gehoord wat ik hoorde weet ik niet. Het was een aanzwellend geluid van vliegtuigen. Het kon niet anders of het waren geallieerde toestellen die mogelijk luchtaanvallen op Duitse voertuigen op de weg of zelfs op de trein wilden gaan uitvoeren. Ik werd doodsbang en rende eveneens over het viaduct naar de boerderij. Daar waren meerdere mensen aanwezig die bij de binnenmuren dekking zochten. Wim zag mij onthutst binnenkomen en schreeuwde: "m'n karretje, m'n karretje" ! O ja, die stond nog aan de andere kant van de spoorlijn. Hij vloog naar buiten, rende over het viaduct met daaronder die trein en bracht zijn karretje in betrekkelijke veiligheid. Gelukkig hebben de vliegtuigen de trein niet bestookt. Die reed later weg. Ik ging weer terug naar het Mereveldseweggetje waar Wim op mij stond te wachten. Samen weer naar huis . . . zonder aardappelen.
Ab Meester –
Nieuwegein
OZEBI
Tijdens de oorlog woonden om de hoek van onze straat een Duits gezin. Het waren rijksduitsers die al voor het uitbreken van de oorlog naar Nederland waren gekomen. Ik dacht dat de naam van de familie Werner was. Zij hadden twee zoons, iets ouder dan mijn vriendjes en ik. Wij waren tussen de 8 en 10 jaar. De indruk was dat het geen nazi-sympathisanten waren. Ja, die jongens probeerden zelfs de Duitse soldaten die in colonne door de Gansstraat reden de stuipen op het lijf te jagen door driftig in de lucht te wijzen en te schreeuwen: "Tommies !", "Tommies !". Maar geallieerde vliegtuigen waren niet te bekennen. Op een winterse dag mochten wij met de jongens mee om te zwemmen in het overdekte bad Ozebi aan de Biltstraat. Dat was voor ons zeer bijzonder. Ik was nog nooit in de winter in een zwembad geweest. Hoogstwaarschijnlijk hadden de gewone burgers in die tijd geen toegang meer tot het bad. De jongens Werner waren Duits en konden ons dus wel meenemen. Onze ouders hadden geen bezwaar want ze vonden het geen heulen met de vijand omdat Ozebi per slot van rekening een eigen Nederlands zwembad was.
Lopend van de Gansstraat, Ledig Erf, Lange Nieuwstraat, enz. kwamen we aan bij Ozebi in de Biltstraat. Binnen gekomen wemelde het van de Duitse én zwarte uniformen. Nu waren wij dat wel gewend want overal in de stad kwam je die uniformen tegen en als ze in badpak waren had je er geen erg in. Ook al moesten we ons vanwege het ontbreken van de totale zwemkunst nog wel beperken tot het ondiepe gedeelte van het bad, de lol was er niet minder om. Wij hadden inmiddels ook kennis gemaakt met andere jongens, die aan het eind van het middagje waterpret met ons mee liepen richting huis. Zij bleken bij de Lange Nieuwstraat te wonen en nodigden ons uit om nog even binnen te komen. Daar keek ik mijn ogen vol verbazing uit: platte en diepe trommels, trompetten en hoorns. Die jongens zaten op een club die alles met muziek te maken had !
Nu had ik vroeger als 4-jarig bruidsjonkertje op het trouwfeest van mijn oom en tante urenlang op de omgekeerde bodem van het mandje waar bruidsuikers in hadden gelegen zitten meppen met een paar van de orkestslagwerker gekregen trommelstokken. Dat wordt later een drummer zei men toen al. Ik kwam n.l. uit een muzikaal geslacht van moeders kant. Thuis gekomen rende ik meteen naar mijn moeder die ziek in bed lag. Ik bekommerde mij niet direct om haar welzijn maar bracht meteen opgewonden verslag uit van de die middag meegemaakte belevenissen. Ik wilde ook op die club met die trommels. Maar toen mijn moeder hoorde dat ze ook van die wollige petjes met bovenop een oranje kleur en voorop een vogeltje waaraan ik nu nog moet denken als ik het logo van de huidige politieke partij PVV zie, zag ik haar verstrakken. Zij ontstak in een woede die ik niet van haar kende. Ik moest het niet in mijn hoofd halen om het daar nog verder over te hebben. Ik schrok zo dat ik tegen mijn gewoonte in niet verder doordramde. Ja, ik had toen nog niet in de gaten dat ik het over de jongerenclub van de NSB had: de Jeugdstorm.
Ab Meester –
Nieuwegein
Zwembad Timp
Wij woonden in een zijstraat van de Gansstraat. In de wijk was het zwembad Timp een begrip. Mijn lagere school was de Ds. Fernhoutschool, ook wel "de Krommerijnschool" genoemd omdat die pal aan de Krommerijn lag. Vanaf die school kon je over het jaagpad lopen als je naar het zwembad wilde. Met mijn eveneens 8 à 9-jarige vriendjes heb ik die tocht meermalen gemaakt. Dat was in die tijd spannend want het was oorlog. Je kwam langs de achterkant van de gevangenis en dat was door de Duitsers verboden gebied. Tussen de buitenkant van de gevangenismuur en het jaagpad lagen moestuintjes die door de Duitsers regelmatig werden bewerkt. Tot die keer dat mijn vriendjes en ik naar Timp wilden en een officier in zijn tuintje onkruid aan het wieden was. Hij had ons als kwajongens in de gaten, begon te bevelen en joeg ons weg. Ik geloofde niet dat hij zou gaan schieten maar zijn hand ging wel dreigend naar zijn pistooltas.
Timp was inderdaad helemaal van hout. Het water van de Krommerijn werd gedeeltelijk omgeleid door het bad. Het kroos en grof vuil werd tegengehouden door roosters. Van de gescheiden mannen/jongens- en vrouwen/meisjesafdeling trokken wij ons weinig aan. Je kon in het mannenbad onderdoor de scheidingsplanken duiken en zo naar de andere kant zwemmen. Wél bleef ik op stahoogte want ik was de zwemkunst nog niet volledig meester. Ook ik wilde op mijn 8-jarige leeftijd stoer doen en dook vanaf het trapje in het pierebadje. Ik kwam met een dreun met mijn hoofd in het zand op de bodem terecht.
In de zomer na de bevrijding gingen we weer zo snel mogelijk naar Timp. Groot was de teleurstelling dat we er niet in mochten. Het bad was gereserveerd voor de Canadese militairen. Toen de omheining even een stukje open ging was het een vreemde gewaarwording dat we die soldaten in hun nakie zagen rondlopen. Het leek net een nudistenbad.
Vrij snel daarna werd het bad ook weer geopend voor de burgers. Dat leverde weer spannende momenten voor ons op. Na het duiken onder de planken door gingen wij via het damesbad naar de zonneweide. Hoe de mannen en gezinnen daar officieel binnenkwamen weet ik niet meer. Die ligweide lag meteen langs de Krommerijn. De kop van het terrein was begroeid met struiken en rietbeplanting. En ja hoor ! Daar lagen natuurlijk de Canadezen te vrijen met hun Hollandse vriendinnetjes. Tot het moment dat wij stiekem dichterbij slopen naar een plek waar een stel onder een deken de liefde aan het bedrijven was. Als jochie van inmiddels 10 jaar had ik dat heus wel in de gaten. We grepen een punt van de deken en trokken die plots weg. . .
En dan maar rennen voor je hachie in de hoop dat die Canadees ons niet in zijn blote kont achterna zou komen. Ja, dat was spannend, ook al was de oorlog afgelopen.
Ab Meester -
Nieuwegein
Een van de feiten die ik tegenkwam in mijn onderzoek naar Kamp Rhijnauwen (een zogenaamd NSB-kamp na de oorlog) is dat Zwembad Timp (Kromme Rijn) in de zomer van 1947 dichtbleef ten gevolge van watervervuiling door het kamp.
Zie verder: http://jimt-jimslog.blogspot.com/2012/02/kamp-rhijnauwen.html

DE GREBBEBERG
Ik was nog net geen 5 jaar oud toen de oorlog in mei 1940 uitbrak. Mijn stiefvader, die ik altijd als mijn eigen vader heb beschouwd, was opgeroepen voor de mobilisatie van het Nederlandse leger. Hij zat als dienstplichtig soldaat bij een mortiergroep van het 44e regiment infanterie. Als hij met verlof kwam zag ik hem in uniform compleet met zijn persoonlijk dienstwapen, een pistool, dat ik een "schiet met een gevaarlijke punt" noemde. In die meidagen was het 44e gelegerd in de Betuwestelling. Deze lag in het verlengde van de Grebbelinie. Over de oorlogsdagen in mei werd thuis nooit gesproken. Later heb ik wel eens vernomen dat het een zootje moet zijn geweest: sommige hogeren waren al snel vertrokken, terwijl "Jan Soldaat" achterbleef. Mijn vader keerde berooid naar huis terug met alleen zijn kleding die hij aanhad.
Ook al waren de gevechten in de Betuwelinie minder heftig, toch waren er slachtoffers gevallen. Over die gevechten heeft hij nooit gesproken. Maar toen ik later in contact kwam met oudgediende beroepsmilitairen vertelden zij mij dat in de Betuwelinie een Duitse aanval had plaatsgevonden waarbij nogal wat Duitsers van de dijk werden geschoten waardoor een doorbraak werd tegengehouden. Of mijn vader daarbij betrokken was weet ik niet. Al snel na de Nederlandse capitulatie wilde mijn vader naar de Grebbeberg om te ontdekken of daar gesneuvelde kameraden waren begraven. Mijn ouders ondernamen de tocht naar Rhenen. Mijn oudere zusje was bij oma ondergebracht. Maar over mij als kleine jongen kunnen ze wel gedacht hebben dat ik het toch allemaal niet zou beseffen. Dus ik ging ook mee naar de Grebbeberg. Wat ik in Rhenen gezien en onthouden heb is dat er nogal wat vernield was. Bijvoorbeeld een benzinepomp vol met kogelgaten. En we kwamen op een terrein dat later wel de ere-begraafplaats zal zijn geworden. Links zag ik een enorme stapel met uitrustingsstukken: gasmaskers, helmen, patroontassen, e.d. Rechts lagen de rijen vers gedolven graven. Wij liepen er langs om te zoeken. Totdat ik een graf zag met een geweer in het zand gestoken. Bovenop de geweerkolf een helm met voorop het wapen met de Nederlandse leeuw. Aan de zijkant van de helm zat een gat met daaromheen geronnen bloed. Als kind begreep ik wel dat daar iets heel ernstigs mee was gebeurd. Of er kameraden zijn gevonden weet ik niet. Evenmin hoe we weer thuis zijn gekomen. Mijn vader was geen militante man, maar "de Moffen moesten met hun poten van zijn vaderland afblijven". Hij liet zich niet door de Duitsers ringeloren. Hij dook onder na de Duitse oproep dat Nederlandse militairen zich moesten melden. Voor dreigende razzia's had hij op de 1e begraafplaats aan de Gansstraat een lege grafkelder geïnstalleerd waarnaar hij en mede-onderduikers uit de straat kon vluchten.
Na de oorlog kreeg hij het mobilisatie oorlogskruis aangeboden. Maar toen hij las dat daarvoor leges betaald moest worden werd hij kwaad en verscheurde het formulier. Wel ging hij naar de veteranenbijeenkomsten in Ochten. Later heb ik hem weten over te halen om het oorlogskruis alsnog te accepteren. En zelfs ging hij mee naar een tv-programma "Spoorloos" waar oudgedienden van het 44e regiment infanterie werden gezocht. En ja hoor, toen hij in beeld kwam rechte hij als 83-jarige zijn rug alsof de dienstplichtige soldaat van weleer weer even terug was. Zelf heb ik van de Grebbeberg geen trauma over gehouden. Maar na 70 jaar staat het nog in mijn geheugen gegrift: dat graf...dat geweer…die helm…dat gat…dat bloed.
NB
Mijn stiefvader was Johannes Jansen jr., de oudste zoon van de bekende Utrechtse steenhouwersfamilie Joh. Jansen & Zn. uit de Gansstraat. Hij overleed in 1995.
Ab Meester - Nieuwegein
Verslag van Gerard Ram (mede in relatie tot zijn moeder met haar sterke voorgevoelens).
Dat deze gebeurtenis ook voor ons dramatische gevolgen had kunnen hebben, is de reden dat deze episode uit de Tweede Wereldoorlog zeker niet hier mag ontbreken.
Met mijn Ome Lammert van Haaften, één van de twee broers van mijn moeder, ging ik in de Hongerwinter minstens één keer per week de boer op om het gezin – dat bijna omkwam van de honger – in leven te houden.
Wegens de volledige doofheid van mijn vader, Jan Ram, was deze vanwege de veiligheid niet in staat de boer op te gaan.
Dat mijn Ome Lammert (die óók onderduiker was!) en ik mogelijk aan de dood zijn ontsnapt, is misschien wel te danken aan het feit dat mijn moeder vaak een verbluffend voorgevoel had van nare dingen die stonden te gebeuren. Slechts zelden kwamen haar voorgevoelens niet uit. Integendeel, als moeder langdurig een onbestemd naar gevoel in de buik kreeg, dan stond er steevast iets vervelends te gebeuren.
Zo ook de dagen voorafgaande dagen aan dinsdag de 13e Februari 1945.
Al dagenlang had moeder last van dat nare gevoel in de buik. Een gevoel dat trouwens is te vergelijken met het opkomende hongergevoel in de maag, maar dan in de buik en heel erg naar.
Ik weet nog dat moeder op maandagavond – toen mijn Ome Lammert en ik ons voorbereidden op de tocht van de volgende dag naar Benschop – maar bleef zeggen dat we de volgende dag beter niet de boer op konden gaan. “Je weet dat er altijd wat gebeurt, als ik het zo in m’n buik heb, Lammert” , bleef m’n moeder maar tegen haar broer herhalen.
Uiteindelijk gaf mijn Ome Lammert zich – hoewel niet van harte – maar gewonnen. “Oké, Aag” zei hij, “we gaan woensdag of donderdag wel, hoewel het jammer is omdat ik vanmiddag een flink aantal waxinelichtjes (theelichtjes) op de Springweg heb kunnen kopen. En je weet dat je die bij de boeren meestal wel kunt ruilen voor wat aardappels".
(Mijn moeders eerste voornaam was Agnes, doch in de familie was dat meestal Ag, Aag of Aagie)
Om één of andere reden is er van de tocht naar Benschop zowel die woensdag als donderdag niets gekomen. Kennelijk heeft het allemaal zo moeten zijn, want het Benschopse Drama heeft zich eigenlijk in twee delen, namelijk dinsdag 13 en zaterdag 17 februari afgespeeld.
Bij de razzia op dinsdag de dertiende, in de plaatsen Benschop, IJsselstein en Lopik (in de jacht op de Benschopse verzetsstrijders), werden, naast de Benschopse mannen Theo Klever en Herman Struik ook vier Duitsers gedood.
De wraak van de Duitsers was vreselijk!
Op zaterdag 17 februari werden zeven Benschopse mannen tegen de hooiberg van P.Klever gezet en in het gedwongen bijzijn van een groot aantal Benschopse burgers doodgeschoten.
Toen mijn Ome Lammert en ik na het volgende weekeinde van 18 februari weer de boer opgingen, was één van de boerderijen welke wij in Benschop aandeden die van P.Klever.
Talloze malen waren wij al bij deze goedgeefse mensen binnen geweest, waarbij mijn Ome Lammert altijd de tijd nam om een babbeltje met de boer en boerin te maken, vaak onder het genot van een kop soep of het eten van een paar boterhammen.
Groot was onze schrik dus toen wij – na aangebeld en binnengelaten te zijn – van de boerin het emotionele verhaal hoorden van de Duitse overval waarbij ook Theo Klever het leven had gelaten.
Uiteraard vertelde mijn Ome Lammert aan boerin Klevert van de voorgevoelens van zijn zuster Aagje.
Volgens de boerin was het maar goed geweest dat wij die dinsdag (en ook niet zaterdag de 17e) naar Benschop waren gekomen, omdat mijn Ome Lammert (als óók onderduiker zijnde) dan eveneens slachtoffer had kunnen worden van de schietpartij. Zoals zo vaak in de Tweede Wereldoorlog lieten ook hier weer verzetsmensen het leven als gevolg van verraad door eigen mensen.
Bij deze razzia werden door de Duitsers op deze dag drie Benschopse verzetsmensen en een Commandant van de B.S. (= Binnenlandse Strijdkrachten in een regelrecht vuurgevecht gedood.
Bij het vuurgevecht met de jongens van de Benschopse Ondergrondse werden echter ook enkele Duitse soldaten doodgeschoten.
Als represaille werden vier dagen later 7 mannen tegen de hooiberg van P.Klever in koelen bloede door de Duitsers doodgeschoten.
Een groot aantal Benschoppers werd, onder bedreiging met vuurwapens, gedwongen van deze laffe moord getuige te zijn!
Waarmee eigenlijk (opnieuw) gezegd wil zijn dat veel persoonlijke herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog niet in de geschiedenisboeken terechtkomen.
De 13e februari 1945 was amper vier dagen na mijn 14e verjaardag. Die overigens niet gevierd is vanwege de vreselijke honger die het gezin teisterde.
Alles wat maar enigzins brandbaar was in en aan het huis, had inmiddels zijn weg gevonden naar het gammele potkacheltje.
Binnen dit bestek zou het te ver voeren de onmenselijke toestanden te beschrijven waaronder ons gezin heeft moeten trachten de hongerwinter te overleven.
Gelukkig heeft het gezin de hongerwinter overleefd.
Het zou 1943 of 44 kunnen zijn,toen ik als oudste in het gezin;ik was een jochie van 10 à 11 jaar,op voedseljacht moest(gaarkeuken bezoeken en daar waar eten te halen was,was een van mijn dagelijkse opdrachten).
Deze keer naar groentenboer Niezen a/d Lamstraat,wij woonden a/h thans geheten,Oude Houtensepad.
Ik had een tas aardappels kunnen bemachtigen,uiteraard tegen betaling en distributie bonnen.
Ik voelde me rijk met dit bezit.
Ik aanvaarde de terugtocht en bevond me op een zeker moment op de spoorwegovergang gelegen aan de splitsing van Houtensepad,Lamstraat en Bokstraat,toen er opeens geschoten werd vanaf een permanent staande duitse trein aan het station Lunetten op nog 100 meter afstand van mij.Er was geen luchtalarm gegeven,waarschijnlijk omdat dit de eerste ''airstrike''was boven Utrecht.Ik liet me automatisch voorover vallen en de aardappels vielen mee,rollend over de overweg .De kogels floten over me heen en bibberde van angst,keek om me heen en zag niemand.Blijkbaar was men in huis gevlucht.
Tijdens deze beschieting door meerdere 20 mm.flakvierlings ( 4-loops luchtafweergeschut)hoorde ik een ontzettend gierend en fluitend geluid aan mijn linkerzijde (rechts bevond zich de trein).
Ik draaide m'n hoofd om en zag een op mij afkomend vliegtuig ( later bleek dit een spitfire te zijn).
Uit de vleugels van het toestel zag ik vuur en mijn conclusie was,die is geraakt en komt nu recht op mij af.Echter later bleek,dat het toestel vuurde uit zijn vleugelmitrailleurs op de trein.
Denkend,dat de laatste seconden van mijn leven waren geslagen,werd mijn angst (huilen e.d.)steeds heftiger.
Van beide kanten werd er geschoten en dat gaf een enorm spektakel.
Het toestel kwam intussen zo laag over me heen en maakte zo'n kabaal,dat ik geheel in elkaar kromp van angst.Ineens was de beschieting voorbij en zag rechts van mij boven het viaduct aldaar het toestel met een enorme snelheid omhoog vliegen tot ik niets meer zag.
Blijkbaar heeft de vlieger mij zien liggen temidden van de aardappels,want het toestel was weg en bleef weg.
Beseffend,dat ik nog leefde,durfde ik niet op te staan.
Kort daarna kwam er een van streek zijnde man in een donker uniform en helm op me af,daardoor zag ik niet direct,dat hij de heer Bothof was in hoedanigheid van Rodekruis-of luchtbeschermingsbeambte.
Hij stelde mij gerust en samen hebben we de aardappels bij elkaar gesprokkeld en hij heeft me naar huis gebracht en m'n ouders van een en ander verwittigd.
Deze ervaring is in m'n geheugen gegrift.
Om de aanhef te bevestigen ,een soortgelijk geval.
Met mijn vriendjes speelden we vlakbij de andere spoorwegovergang.Daar bevond zich een hoog seinhuis.
Het moet na 17 september 1944 ( spoorwegstaking) geweest zijn,daar het seinhuis was bemand met duits spoorwegpersoneel.Mijn vader was ook bij het "spoor"en sindsdien öndergedoken.
Tijdens ons spelen werd er luchtalarm afgegeven en wij holden naar de schuilkelder,gegraven door de familie van een van mijn vriendjes.
Opeens werd de toegang donker door een persoon in een zwart uniform en een vechtpet op.Het bleek een duitse spoorwegman te zijn,die ons vroeg of hij hier mocht schuilen.We merkten,dat hij angstig was.We zeiden niets meer tegen elkaar.
Wat ons opviel was,dat ondanks het vuren van de spitfires,de "flaks"opeens stil waren.
Na het veilig-signaal gingen we naar buiten en hoorden schoten uit de richting van Lunetten.We stonden verbaasd,want er waren geen vliegtuigen meer en het veiligsein was gegeven.
Even later zagen we een boeren paardenwagen over de spooroverweg komen en op de bok,de boer en naast hem een geuniformeerde duitser.
Daar wilden we meer van weten en klommen in onze ''uitkijkpost''(een vlierbesboom)langs het Houtensepad.
De wagen ging onder ons voorbij en schrokken.
In de wagenbak lagen 3 à 4 dode duitse soldaten.
Later hoorden we,dat er na deze luchtaanval een executie had plaatsgevonden wegens desertie op station Lunetten.U begrijpt,dat we zeer onder de indruk waren.
De hele oorlogstijd was een spannende en angstige aangelegenheid.
D.J.van der Werff 2-6-2010.
Mijn grootouders woonde in de Lamstraat op nummer 7 de familie Wiederholdt kent U die en weet U misschien meer van ze ik heb mijn Opa nooit gekend en mijn Oma maar heel kort (7 jaar)
Paula de Lusenet, 10-5-2012 23:16Beste Paula de Lusenet,
Toevalligerwijze heb ik deze site geopend of er nog meer dergelijke ervaringen door anderen zijn beschreven en daarbij kreeg ik jouw reactie te zien.Daarvoor mijn dank!
Echter helaas is de familie Wiederholdt uit de Lamstraat mij onbekend.
Indien je desondanks toch wenst te reageren,dan kan je zulks doen via mijn email-adres:
d.vd.werff@kpnmail.nl
Ik ben thans 79 jaar en woonachtig te Groningen.
Met vriendelijke groet,
D.J.van der Werff
tel.:050 5770645.
Groningen,29 juli 2012.
Beste Paula de Lusenet,
Toevalligerwijze heb ik deze site geopend of er nog meer dergelijke ervaringen door anderen zijn beschreven en daarbij kreeg ik jouw reactie te zien.Daarvoor mijn dank!
Echter helaas is de familie Wiederholdt uit de Lamstraat mij onbekend.
Indien je desondanks toch wenst te reageren,dan kan je zulks doen via mijn email-adres:
d.vd.werff@kpnmail.nl
Ik ben thans 79 jaar en woonachtig te Groningen.
Met vriendelijke groet,
D.J.van der Werff
tel.:050 5770645.
Groningen,29 juli 2012.
Deze meneer Bothof moet mijn opa geweest zijn. Ik ken dit verhaal ook van mijn oma, Mevr. Bothof v.d. Bol, Houtensepad 74. Ik heb meerdere jaren op het Houtensepad gewoond en herken de beschreven omgeving. Graag zou ik meer willen weten van die tijd (als dat mogelijk is)
Mvg, Rob Bothof

Beste Rob Bothof,
Dank voor je reactie op mijn bovenvermelde beschreven ervaringen tijdens 40-45.
Indien mijn gedachten juist zijn is jouw vader Rinus Bothof,die ik destijds uiteraard kende.
Jouw Opa heeft mij uit deze benarde positie gehaald,want adres Houtensepad 74 komt mij bekend voor.In die tijd speelde ik veel met Wim Bothof en anderen,zoals Wim Hardeveld (helaas overleden).Indien je wenst te reageren,dan is zulks mogelijk via mijn e-mailadres of telefonisch onder 050-5770645.
Met vriendelijke groet,
D.J.van der Werff
Groningen,29 juli 2012.

In de olie.
Het was een avond in het najaar van 1944. Het hele gezin, 12 personen zit om de tafel. Moeder had overdag nog een paar aardappelen weten te bemachtigen en ze had ook nog wat koolsoep gehaald bij de gaarkeuken. Vader werkte in het "Stads en Ak "zoals het Academisch Ziekenhuis in de volksmond genoemd werd. Hij bracht ook nog wat schraapsel uit de gamellen van het ziekenhuis in zijn broodtrommeltje mee en dat alles moest door elkaar geroerd worden. Dat moest ons heerlijke diner worden. Het was i.v.m. de verduisteringsvoorschriften erg donker in de kamer. Het enige licht dat er was kwam van een drijvertje in een jampotje gevuld met stinkende olie. Dat potje stond bovenop een ingedeukte Verkade beschuitbus. Mooie ranken met Oostindiese kers stonden er op. De olie had mijn vader geruild met de buurman die bij de spoorwegen werkte. De kinderen hadden meer oog voor vader die druk bezig was met roeren in een grote pan. Wij rammelden met ons bord want we hadden honger! Vader wilde beginnen met de verdeling toen er iets verschrikkelijk fout ging. Hij stootte, misschien zenuwachtig geworden door de herrie met zijn arm het olie potje om dat met een sierlijke boog in de pan terecht kwam. Het was even doodstil en erg donker. Vader slaakte een verwensing en rende in het donker met de pan naar buiten. Hij probeerde de olie van het eten af te gieten maar dat lukte maar gedeeltelijk. Het eten was bijna net zo dun als de smerige olie. Ten einde raad roerde mijn vader alles door elkaar. Ondertussen had mijn moeder voor een nieuwe lichtbron gezorgd. Vader kwam weer binnen met de pan en zei , iedereen een schep van het eten gevend:"Allemaal stil zijn en eten". Het smaakte afschuwelijk. Het lichtje brandde niet meer maar de kelen des te erger! De olie was een perfect smeermiddel, binnen de kortste keer stond er een rij voor de w.c. Je bleef olie op boeren. We hebben allemaal de oorlog overleefd maar als ik nu petroleum ruik krijg ik toch nog een vieze smaak in mijn mond.
LUIZEPOTEN
Stijf van angst kijken we de Duitser aan , zou hij zijn dreigement waar maken?
"Als jij je grote schnauze niet houdt nim ich deine opa mit!" Waarschijnlijk bedoelde hij met opa mijn vader die met de kleinste op schoot aan tafel zat.
De Duitser sprak gebrekkig nederlands maar de ernst van zijn mededeling begrepen we maar al te goed.
Er was weer eens een razzia op jonge mannen voor de arbeidsinzet; de straat was afgezet en naar buiten kijkend zag ik soldaten staan met het geweer in de aanslag.
We waren allemaal doodstil en gespannen wachtten wij op het geluid van de deurbel.
Plotseling riep mijn vader:" Wim, doe die overall uit!".
Wim zat nog op de Ambachtscool en had zijn overall nog aan die hij droeg bij de praktijklessen. Hij deed zijn overall uit en schopte deze onder de kamergordijnen.
De bel klonk en ik duwde met mijn voet nog net op tijd de nog zichtbare broekspijp onder het gordijn. Moeder deed open en er kwamen drie Duitsers binnen. Een van hen ging onmiddelijk de trap op naar de slaapkamers, de tweede liep naar achteren en de derde, een oudere man met een schild op zijn borst bleef in de huiskamer staan.
Hij observeerde ons een voor een. Er heerste een gespannen stilte, alleen hoorde je gestommel van soldatenlaarzen.
Op het moment dat de bel ging had mijn vader snel zijn gebit uit gedaan. Hij nam de jongste op schoot, liet zijn schouders zakken en plotseling zat daar een oude grijze man met een mummelmondje! Vader was in zijn jonge jaren een verdienstelijk toneelspeler geweest dus hij wist wat hij moest doen.
Om de spanning te breken vroeg mijn moeder of de Duitser een sigaar wilde. Vader kweekte zijn eigen tabaksplanten zodat hij zelf sigaren kon maken. Hij bezorgde ons kinderen trauma's want we moesten altijd de onderste bladeren plukken. Er zaten altijd veel oorwormen in die planten en het verhaal was dat ze altijd in je oren kropen!
"Gerne, bitte" zei de Duitser en moeder gaf hem een van vaders zelfgemaakte sigaren. De man zocht in zijn zakken naar lucifers maar kon ze blijkbaar niet vinden.
"Streichholche bitte", zei hij. Mijn broer Wim wou de leukste zijn en vroeg:: Wat moet je? Luizepoten?" We schoten allemaal in de lach van de zenuwen, behalve de Duitser.
Hij voelde zich waarschijnlijk belachelijk gemaakt. De goede sfeer die mijn moeder had gecreeerd door de Duitser een sigaar aan te bieden werd in een keer door een domme opmerking van mijn broer teniet gedaan. Het dreigement van de Duitser om mijn vader mee te nemen deed iedereen van schrik stil zijn!
De Duitser keek nog een keer kwaad naar mijn broer en zei vervolgens, inmiddels gekalmeerd:" Ach, ik hab ook kinder!". Hij draaide zich om en verdween met de anderen naar buiten. Opgelucht haalden we adem, dit gevaar was voorbij. Maar er dreigde een ander gevaar .Voor mijn broer althans! Mijn vader werd weer een grote sterke man en ging achter Wim aan die wijselijk de kamer uit glipte.

Eind 1944
Moeder Zijderveld was vaak weg. We wisten nooit waar ze was en we vroegen er ook nooit naar. De huishoudelijke taken werden tijdens haar afwezigheid automatisch overgenomen door An, de oudste dochter uit ons gezin. Moeder was altijd onderweg om voedsel of brandstof te kopen of te ritselen zoals men het ook wel noemde! Op een dag ging moeder met zus Mien naar de Lage Weide waar de opslag van de Nederlandse Spoorwegen was gevestigd. Zij werden vergezeld door Greetje Oostveen, een vriendinnetje. De bedoeling was enige bielzen te "versieren". Zij hadden een oude kinderwagen meegenomen om deze loodzware bielzen te transporteren. Op het opslagterrein aangekomen verliep alles voorspoedig. De bielzen werden in de kinderwagen geladen en men ging terug naar huis. Plotseling was er alarm; er kwam een Duitse patrouille aan! Iedereen zocht dekking en wachtte tot de kust veilig was. Greet Oostveen keek voorzichtig of de Duitsers weg waren maar ze vergat dat ze een puntmuts met bontrand op had waardoor ze duidelijk afstak tegen de achtergrond. Ze werd onmiddelijk gezien door de Duitsers. De hele groep werd gearresteerd, de kinderwagen werd in beslag genomen en moeder Zijderveld werd meegenomen. De kinderen mochten naar huis met de mededeling dat de volgende dag de kinderwagen opgehaald kon worden.
Moeder Zijderveld werd naar de Maliebaan meegenomen voor verhoor, lopend door de stad met achter haar gewapende Duitsers; achteraf zei ze dat ze zich vreselijk schaamde zoals zij daar liep. Aangekomen op het kantoor van de Sicherheitspolizei werd ze recht in haar gezicht geslagen door de dienstdoende officier van de Sicherheitspolizei. Ze had gestolen van de Wehrmacht luidde de aanklacht. Ze wilde de man, ene F. aan vliegen maar na een kort commando kwam er een grote herdershond grommend achter het bureau vandaan! Daar had ze meer ontzag voor dan de Duitser dus ze hield zich in. ,,Waarom steel jij van de Wehrmacht'', vroeg de Duitser'. Moeder haalde een foto van het gezin tevoorschijn en zei dat ze geen geld had om brandstof te kopen. Als straf moest ze een nacht in de cel en de volgende dag aardappelen schillen voor het avondmaal van het Herrenvolk.
Ze had een jas aan met een brede zoom en zonder dat iemand het zag stopte ze stukjes aardappel in de zoom! Dat was in het hol van de leeuw echt stelen van de Wehrmacht! Ze heeft het altijd met gepaste trots verteld. Waar ze nooit over wilde praten was de excecutie twee jonge mannen! Ze werden doodgeschoten waar zij getuige van was! Toen moeder niet thuis kwam ging Vader naar de Maliebaan en kreeg het voor elkaar dat moeder naar huis mocht zonder verdere straf.
De volgende morgen ging zus Mien de kinderwagen ophalen, ze zat door de zenuwen helemaal onder de uitslag! Aangekomen in de Lage Weide werd ze ontvangen door een vriendelijke oude Duitser. Hij nam haar zelfs even op schoot en zei: "Ik heb ook kinderen zoals jij !''. Tot Mien's grote verbazing mocht ze ook de bielzen meenemen die nog in de kinderwagen lagen! Al met al is het toch nog goed afgelopen met onze familie maar moeder heeft nog heel verdriet gehad door de excecutie van de twee jonge mannen die ze niet kende.
Van zeven naar zagen.
Elke dag waren er wel broertjes of zusjes onderweg om eten of brandstof te zoeken. Ik was nog te klein vonden ze dus ik mocht nooit mee. Na heel lang zeuren kwam voor mij ook de grote dag, ik mocht met mijn oudste zus mee naar de centrale! Gewapend met 2 zeven gingen we op stap. De centrale lag aan het Amsterdamrijnkanaal dus het was een hele tippel voor mij. Zeulend met de zeef kwam ik moe op de plaats van bestemming aan. Ik zag grote bergen as en heel veel mensen bezig met een zeef. Het leek wel een mierenhoop! Wij zochten ook een plek en mijn zus deed voor wat ik moest doen. De bedoeling was om een paar scheppen kolengruis in je zeef te doen en dan door even te schudden alleen de grote stukjes over te houden. Vervolgens keek je dan wat er nog brandbaar was en dat deed je in een emmertje. Dan begon je weer van voren af aan. Thuis werden er met wat lijm kolenballen van gemaakt. Ook ik vulde mijn eerste zeef en werd direct geconfronteerd met de harde realiteit. Ik vond het heel ongezellig dat niemand elkaar aan keek, ze zaten allemaal met hun gezicht dezelfde kant op. Ik ging met mijn gezicht naar mijn zuster zitten en begon met zeven. Te minste, dat was de bedoeling. Na de eerste beweging van de zeef woei er een enorme stofwolk recht in mijn gezicht! Mijn ogen zaten vol met kolenstof en ik zag niets meer. De tranen liepen over mijn wangen en ik kon de rest van de middag niets meer doen door de pijn aan mijn ogen.
Zie je wel, zei mijn zus, ik heb niks aan jou. Je moet maar iets anders doen. Wat een mooie dag had moeten worden draaide uit op een regelrechte ramp!
Maar ik kreeg een herkansing! Ik mocht mee naar de Lage weide, om bielzen te pikken. Ik moest op de uitkijk staan. Ik moest roepen als er onraad was maar dat werd mijn tweede deceptie. Bij het geringste geluid sloeg ik alarm; ze werden helemaal gek van mij. Ze bleven op en neer rennen en uiteindelijk werd ik naar huis gestuurd, ik mocht nooit meer mee!
Maar er was wel iets waar ik goed in kon zijn, zei men. Ik mocht voortaan de meegepikte bielzen klein hakken en zagen voor ons kacheltje. Daar had je toch heel veel kracht voor nodig dus dat hoefde ik gelukkig niet te doen.

Ik woonde vlakbij een lagere school, waar ik in september weer naar toe zou gaan. De omgeving was ideaal: veel hoveniers en bouwterreinen. Op een dag, het zal medio augustus 1945 geweest zijn, was ik op weg naar een nieuw avontuur. Ik zag een grote paardenwagen met zakken brandstof rijden richting lagere school. Stiekem volgde ik de wagen en zag dat de kolenboer de zakken leeg stortte in een luik onderaan de schoolmuur. Toen alle zakken leeg waren, bleven er wat gemorste koolresten liggen op het trottoir, vurig hoopte ik dat de man ze zou laten liggen. Mijn gebed werd verhoord. Hij sjokte met paard en wagen weg. Toen hij de hoek om was, rende ik als de bliksem naar het luik, en stak de koolresten in mijn broekzak. Mijn zwarte handen nam ik op de koop toe. Voorzichtig keek ik rond. Ik zag geen beweging bij de huizen aan de overkant. Met mijn voet drukte ik het luik, dat aan de bovenkant scharnierde naar binnen. In het halfduister zag ik een enorme berg kolen. Ik kreeg visioenen van een trotse Mama, die dankbaar de kolen zou aanpakken. Ik zou gerehabiliteerd worden voor de blunders, die ik maakte op eerdere brandstof-rooftochten met mijn oudere broers en zusters. Op mijn knieeën zittend drukte ik het ijzeren luik omhoog en probeerde een paar kolen te pakken. Door de schuine kant waren ze ver naar beneden gegleden. Langzaam gleed ik ook zelf naar de kolen toe, tot ik met mijn tenen achter de luikrand bleef steken. Begerig propte ik de kolen onder mijn dunne truitje tot er niet meer bij konden. Nu was het zaak om terug omhoog te komen. Dat was een pijnlijke zaak, door het terugvallende luik op mijn rug en de kolen die tegen mijn blote borst schuurden. Maar er kwam hulp. Van de politie nog wel! Een grote diender, zijn laarzen zag ik het eerst, trok mij naar boven. "Wat doe jij daar, jongetje?" vroeg de agent op strenge toon. "Ik zag een kool liggen, meneer, en ik heb veel broertjes en zusjes thuis en we hebben helemaal niks." probeerde ik mij eruit te redden. "Nogal wiedes," zei de agent: "dat je kolen ziet liggen in een kolenhok. Maar de oorlog is voorbij, jongen. Dus dat mag helemaal niet!" Beteuterd keek ik naar de grond. Wat was dat stom om me zo te laten betrappen. Maar wat wil je zonder iemand op de uitkijk. Op de een of andere manier moet ik hem toch ontroerd hebben. Want na een stevige reprimande, mocht ik met de helft van de buit naar huis. Voor mij werd het een zegetocht. Ik zou met roem overladen worden..., dacht ik. Blakend van trots kwam ik thuis. "Mama," zei ik: "Kijk eens wat ik voor u heb meegebracht." Ik was dolblij dat de kolen van mijn ribbenkast af konden. Vol spanning wachtte ik op de woorden, die mijn moeder zeggen zou. En ze kwamen. "Wat heb je nu voor rommel meegebracht! Daar heb ik niks aan. Die branden niet in ons kacheltje. Dat is cokes." Mijn wereld stortte ineen. Zoveel gevaren doorstaaan en dan dit resultaat. Weg gedroomde onderscheiding. En weer met beide spillebenen op de grond. Hieruit blijkt dat streven naar roem wel eens verkeerd kan uitpakken.
j.zijderveld, 6-5-2011 19:58Berooid maar compleet heeft ons gezin de oorlog overleefd. Ons huis zag er onttakeld uit. Alles wat niet direct nodig was en kon branden was in ons noodkacheltje verdwenen.
Van de houten schuur in onze tuin was alleen nog maar een skelet over en ook het zolderluik ging in vlammen op.
Moeders eerste zorg was nu de tienkoppige kinderschaar te voeden en te kleden, dus hulp van anderen was erg welkom. Ik was nodig aan nieuwe kleding toe dus ging ik op een zonnige dag op stap met mijn moeder.
Ze had een afspraak met een mevrouw die woonde op de Muynckkeizerlaan, het voormalige Zuilen.
Vlakbij dat adres gekomen zei mijn moeder dat ik me netjes moest gedragen. Waarom ze dat zei begreep ik niet direct, misschien had zij al een voorgevoel. Ik zou er gauw genoeg achter komen!
We werden welkom geheten door een, in mijn ogen deftige dame. In de huiskamer gekomen keek ik mijn ogen uit, het was het interieur van rijke mensen, overal schilderijen en zeker geen cocosmatten op de vloer, zoals bij ons thuis! Voor het eerst van mijn leven zag ik een piano, een mooie zwarte met twee kandelaars.
Voorzichtig streek ik met mijn handen over de zwarte glanzende lak, prompt gleed het kleedje dat over de toetsen lag op de grond. In een poging het op te vangen raakte ik ongewild een paar toetsen aan waardoor er een vals accoord klonk. Een kwade blik van de deftige dame en een reprimande van mijn moeder waren het gevolg.
Ik voelde me erg schuldig, bedoelde mijn moeder soms dit toen ze zei dat ik me netjes moest gedragen.
Ik durfde me haast niet meer te bewegen. Plotseling vroeg de dame of ik een bordje vla wilde. Dat luste ik wel dus ik zei heel beleefd dat ik dat wel wilde. Zij ging de kamer uit en kwam even later terug met een bordje waarop een prachtig geel puddingkje lag. Het smaakte heerlijk, dat kon ook niet anders want het was geen vetpot bij ons aan tafel net na de oorlog. Toen het bordje leeg was wilde ik gewoonte getrouw het laatste likje van het bordje aflikken, althans dat wilde ik doen want net voor mijn tong het bordje raakte kreeg ik een draai om mijn oren van mijn moeder. Dat hoort niet Jopie, zei ze bestraffend, dat heb je niet geleerd. Ik was met stomheid geslagen. Hoe kon mijn moeder dat nou zeggen. Ik was thuis gewend alles tot de laatste kruimel op te eten en daar hoorde ook vaak het aflikken van het bord bij! De rest van de middag heb ik stil op een stoel gezeten, bang om nog meer fouten te maken. Zonder een woord te zeggen zijn we naar huis gelopen.
Nu zoveel jaren later kijk ik nog wel eens naar mijn bord als er iets lekkers op heeft gelegen en dan denk ik:
Zal ik?
Straten leven langer dan mensen mensen, maar hun geschiedenis wordt zelden opgeschreven. Wie er woont, wil er leven en heeft geen lust achterom te kijken. Toch verglijdt ook in de stilste straat de status quo en maakt plaats voor een andere.
Ooit was er een kinderloos echtpaar op de hoek dat op de verjaardag van koninigin Wilhelmina elk kind uitnodigde voor een glas ranja in de tuin. Het echtpaar werd zo oeroud dat het net was alsof dat glas ranja een onververveemdbaar recht was geworden van elk kind dat in de straat woonde. Toch was, wat wel vaker gebeurt met tradities, ook deze traditie “uitgevonden” door twee kinderloze mensen en voorbestemd met hun dood te verdwijnen. Wie zou nu een dergelijk initiatief aandurven? Toen was er kennelijk niemand die een dergelijk gebaar wantrouwde, zijn kinderen thuishield en het echtpaar heimelijk van kinderlokking verdacht. Opzienbarend is het niet. Er is tijd vergaan, dus is er veel veranderd zelfs in de stilste straat.
Groep, Stand of Klasse
De straat wordt niet bewoond door mensen van een bepaalde groep, stand of klasse. Hij begint betrekkelijk voornaam met enkele studentenhuizen. Er woonden tot voor kort enkelen met familienamen die ook uit de vaderlandse geschiedenis bekend zijn. Beste jongens, soms vergezeld van een vriendelijk kwispelende hond, nooit te beroerd om goede doelen te ondersteunen en in een affiche voor het raam te wijzen op de gevaren die op een ieder loeren die de hoek van de straat omslaat en richting het centrum loopt: zo bleken zij tegen racisme en zinloos geweld, maar evenzeer tegen hard drugs. Wie nog maar kort geleden een blik naar binnen wierp, wanneer zij zo tegen het middaguur de zware velours gordijnen opzij hadden geschoven, kon een paar gekantelde wetboeken op een stapel lege kratten bier zien. Op een divan een verfomfaaid rokkostuum naast een verlichte wereldbol. De dag daarop was echter een totaal andere combinatie mogelijk. Het waren geen studenten die veel haast maakten. Soms kon je een van hen wel eens tegenkomen , een vriendelijke, wat gezette jongen, met vlassig blond haar, een loshangend ruitjesoverhemd onder een jasje van sleetse Engelse tweed. “Voor 50 euro gegrilde kippepoten” had ik hem ooit tegen de poelier horenzeggen. Zijn metgezel had hem even verbaasd aangekeken.”We gaan gewoon door” zo had de dikke jongen hem gerustgesteld. Behalve die velours gordijnen is er nog weinig dat aan hen herinnert. Vanuit cultuurhistorisch gezichtspunt is het jammer dat niemand op het idee is gekomen hun hoogst eigenzinnige interieurkunst, die 365 dagen per jaar doorlopende onbewuste uitbeelding van hun gemoedstoestand die tevens commentaar is op de wereld buiten de straat, fotografisch vast te leggen. Nu is het te laat.
De andere bewoners die in veel schamer huizen wonen verhuizen zelden. Wanneer zij weggaan verdwijnt er ook een klein stukje van de geschiedenis van de straat. Misschien tot vervelens toe verteld maar niet opgeschreven en dus verloren gegaan.
Oorlog
Er is nog maar één bewoonster die weet van de straat in de oorlog en dat veel van wat elders in de wereld plaatsvindt uiteindelijk ook de straat bereikt. Zo had ook zij , toen zij in de wijde omgeving had rondgereden op haar moeders fiets om melk te halen een bevel tot stoppen genegeerd en onmiddellijk daarna een hoge fluittoon gehoord “Het was net alsof die soldaat mij aan een onzichtbaar koord had gehad” vertelde zij later. Het was wel degelijk een kogel geweest, begreep zij. Bij die waarschuwing was het gebleven, zij had de melk zelfs mogen houden.
Diezelfde avond had zij voor het eerst van haar leven zelfs mogen overnachten op een boerderij. De boer en zijn vrouw hadden bezorgd geluisterd naar wat haar die middag was overkomen. Het echtpaar was vroeg naar bed gegaan, in zo’n bedstede met twee roestbruine deurtjes die elk een hartvormige uitsparing hadden, het meisje hadden zij een bank in de kamer aangeboden. Nog voordat zij was ingeslapen had de boer haar vanachter die hartvormige uitsparing een geruststellende knipoog gegeven. Even later had zij een zacht smakkend geluid gehoord en onmiddellijk geweten “ dat dit het huwelijk was”.
Het al wat oudere echtpaar dat in de straat achter de straat woonde kon het niet ontgaan zijn dat zowel de buren links als rechts sympathie voor de Nieuw Orde hadden opgevat. Keken zij vanuit hun achtertuin naar het balkon links boven zagen zij de heer des huizes trots als een pauw in zijn uniform. Misschien had hij graag een toespraak willen houden, maar tot wie en waarover? Hij was winkelier en had behalve over zijn vrouw zeggenschap over zijn zoontje dat hij had verplicht in het uniform van de jeugdstorm te lopen..
In datzelfde tweede oorlogsjaar had de gemeente op last van de bezetter werk gemaakt met de plaatsing van borden Voor Jooden verboden.
Als reactie daarop werdt een vlugschriftl verspreid waarin de gehele bevolking werd opgeroepen dezelfde ster te dragen als waartoe de joden waren verplicht. In België, aldus de schrijver, zou de bezetter daardoor al ernstig in verlegenheid zijn gebracht.
Het echtpaar
Bij het echtpaar dat de zestig al was gepasseerd was een oproep in de bus gevallen om zich in Amsterdam te melden. Wanneer het buurmeisje op bezoek was bladerde zij wel eens in een weekblad waarin een groeiend aantal kleermakers met elkaar wedijverde om de vertrekkenden behulpzaam te zijn. Hun inventiviteit was onbegrensd” zelfs wie alleen over oude, sleetse gordijnstof beschikte kon er toch op rekenen tijdig in het bezit te zijn van capuchons, rug-brood en slaapzakken en al wat verder van zijn gading was. “ Het leek iets avontuurlijks. Als leesoefening had zij zo’n advertentie op een dag hardop voorgelezen:” kolossaal! Uit een oude Jas Zoo’n Pracht Lumberjack”. Toen zij het aarzelend op z’n hollands uitsprak, bleef het even als een visgraat in haar keel steken. Meteen wist zij dat zij een vergissing had gemaakt ook al wist zij niet welke : door haar voorleesdrang , die overigens door het echtpaar altijd was aangemoedigd , was het de woonkamer binnengekomen en weigerde te vertrekken . Zowel meneer en mevrouw hadden beiden langs haar heen gestaard, stilgevallen bij die plotsklaps hamerende klok.
Een paar dagen later echter werd zij als vanouds weer hartelijk ontvangen. Zij koni zIch nog herinneren dat mevrouw de dag tevoren eindelijk haar man had overhgehaald naar de middagvoorstelling van een humoristisch kleinkunstensemble te gaan dat in hetzelfde weekblad placht te adverteren met de tekst Lachen!Lachen! Lachen!
Twee weken later was het tijdstip van vertrek aangebroken. Bij de gemeentepolitie werden de huissleutels afgegheven, de reisvergunning per spoor was door de Joodsche raad verstrekt. Het verliep zo ordelijk als betrof het een ziekenhuisopname of vertrek naar een bejaarden-of verpleeghuis.
Het buurmeisje vergezelde het echtpaar naar het station en was behulpzaam bij het dragen van de koffers: op 12 dember 1942 was volgens de Zentralstelle für Hausraterfassung de gehele actie beëindigd.
Er werd, zo herinnert het buurmeisje zich, tijdens de wandeling naar het Centraal Station nauwelijks gesproken. Een paar maanden tevoren was het huwelijk van hun oudste zoon in de synagoge ingezegend, maar lang niet iedereen die was uitgenodigd was gekomen. Op het perron had het afscheid plaatsgevonden.
Over wat er daarna is gebeurd zijn bibliotheken volgeschreven, maar bevatten kan geen mens het. Misschien wordt het daarom bij het minste of geringse gereactiveerd. Soms is de aanleiding ronduit futiel: nieuwjaarsgeknal , een gillende keukenmeid , die ineens weer die hoge fluitttoon in herinnering brengt, de fiets die haar uit handen werd gerukt en de melk die zij even later toch had mogen houden. Dan dacht zij weer aan dat onheilspellende woord en die wandeling naar het station een paar weken later in alle rust en stilte op een mooie voorjaarsdag. Het was zo’n dag waarop je geen overjas nodig had, laat staan een lumberjack, zo’n woord dat voor haar verbonden bleef met een doodstille woonkamer en een meisje, dat op het puntje van de stoel gezeten onder het goedkeurend oog van twee mensen op leeftijd, ingespannen lezend de wereld aan het verkennen was.
Ook in Austerlitz is een oorlogsgraf
op 4 mei 1945 zijn 3 personen door de SD doorgeschoten. de jongste van deze drie was slechts 22 jaar oud.
Ik mis dit in het archief.
Er is terplaatsen ook een gedenksteen geplaats in 2007.
Ik ben op zoek naar alle informatie over de joodse familie kijzer ik weet dat meijer kijzer heel erg ongelukkig is geweest in Utrecht. De familie kwam van Montfoort en heeft gewoond in de hygensstraat 10 in Utrecht. Jacob en Sientje uit Montfoort hebben in Utrecht ondergedoken gezeten en hebben gelukkig de oorlog overleefd.
Voor info kunt u mij bellen 06 22600484 mailen rossum57@planet.nl
Vriendelijke groet,
Joop van Rossum
Wie kan mij helpen.
Ik ben op zoek naar gegevens van de familie T.H. van Es in de Waalstraat te Utrecht, het was een onderduikadres.
Het huisnummer is niet bekend.
Vr.groeten
Rikie Beek
rikiebeek@quicknet.nl
Ik ben op zoek naar alles van de familie KIJZER waar hebben jacob en Sientje ondergedoken gezeten in Utrecht? Ze woonde in Montfoort
Joop van Rossum, 7-2-2013 21:28Wie heeft informatie over de joodse familie Kijzer die woonde in de Huigenstraat 10 in Utrecht.
Joop
Wie kan mij meer vertellen over mijn oom Johan Dijkstra geb 15 april 1923,mijn oom woonde op de Boerhaavelaan 82 bis Utrecht,mijn oom is 31 januari 1945 door de Duitsers dood geschoten in de buurt van de Vleutenseweg,hij was bij het verzet.
margreet, 7-3-2013 2:03
Bij deze voeg ik een foto bij,van mijn oom Johan Dijkstra
Wie kan mij meer vertellen
Heette de Da Costakade in de oorlog misschien Tollenskade, vanwege het feit dat Da Costa een jood was?
Ik vind brieven aan mijn oma voor het adres Da Costakade én Tollenskade, beiden mhetzelfde huisnummer.
Me Vader Leen Streng was in de Verzet in Oudewater. Ik ben op zoek voor inforamtie van de werke dat me vader en ze vrienden hebben gedaan.
Wie kan mij meer vertellen
Vriendelijke groeten
Leona Murphy
Canada
Kijk op http//www.rhcrijnstreek.nlindex.php?option=corr
volgens mij staat op deze foto je vader
Ik kon de foto niet downloaden
staat een foto van verzets mensen
Kijk op http//www.rhcrijnstreek.nlindex.php?option=corr
volgens mij staat op deze foto je vader
Ik kon de foto niet downloaden
staat een foto van verzets mensen