
In 1865 breekt de veepest uit in Engeland. In de zomer van dat jaar komt een koppel Engelse ossen aan in Rotterdam en zij blijken besmet te zijn. In augustus 1865 doen zich de eerste gevallen van veepest voor in Nederland. In november bereikt de ziekte
de provincie Utrecht. Op 1 december 1865 meldt de burgemeester van Snelrewaard aan de Commissaris van de Koningin dat bij de boeren A. de Veen, B. de Veen, D. Straver en W. van der Sprong veepest is uitgebroken. Rijksveearts Jan Andries Hinse meldt op 7
december 1865 dat hij bij de dieren van Jacobus van Wijk in Montfoort veepest heeft geconstateerd.
De veepest is een virusziekte. Dieren raken besmet door contact met zieke dieren of via vers vlees, verse huiden en verse mest. De runderen krijgen hoge koorts en zweren op de slijmvliezen van de bek, slokdarm, magen en darmen. Drachtige koeien verliezen
hun kalf. Soms komt er nog een ontsteking van de longen en darmen bij en dan sterft de koe aan uitdroging door diarree. De veepest is in veel gevallen dodelijk voor de runderen, maar hoe beter de conditie van het vee is, hoe groter de overlevingskansen
zijn. Ook na afloop van de acute ziekteverschijnselen is het vee nog enige tijd besmettelijk. Het virus blijft vaak enkele jaren in een besmet gebied actief. In de 18e eeuw heeft de veepest drie maal Nederland geteisterd. De enige middelen om de epidemie
te bestrijden, zijn het afmaken van zieke of mogelijk besmette dieren of inenten. Maar inenten heeft ook risico’s omdat de runderen daardoor enige tijd besmettelijk zijn.
Bij de epidemie die in 1865 begint, sterft meer dan de helft van de runderen in Nederland. Boer Jan Bos uit Harmelen noteert dat er op 7 maart 1866 acht van zijn koeien stierven. In de zomer van 1866 besluit de regering zieke koeien te laten afmaken. De
boeren krijgen een vergoeding. In Utrecht sterven ruim 30.000 runderen en er worden er nog eens ruim 4.000 afgemaakt. De overheid verbiedt het vervoer van koeien, schapen, varkens, vlees en hooi. Maar de boeren ontduiken de regels.
In mei 1867 is er een nieuwe regering en prompt komen er strengere wetten. Er worden inspecteurs aangesteld, boeren krijgen boetes voor overtredingen en zelfs gevangenisstraffen. De stallen moeten ontsmet worden met rookdamp en ingesmeerd met chloorkalk.
In Benschop wordt een boer die zich verzet, doodgeschoten. De harde aanpak heeft wel resultaat. Eind 1867 is de veepest vrijwel over.

Archief
Provinciaal bestuur
Stadsbestuur Utrecht 1814-1967