1725: Schoemaker begint topografische collectie

De Amsterdamse koopman Andries Schoemaker begint in 1725 met het maken van topografische afbeeldingen in steden en dorpen van de Noordelijke Nederlanden. Samen met zijn broer Gerrit trekt hij door het land. Schoemaker verzamelt de tekeningen in albums, gesorteerd per provincie. Soms tekenen Gerrit en hij oude afbeeldingen na en ze voegen ook wel gedrukte plaatjes toe aan het album. In 1728 gaat Schoemaker samenwerken met de tekenaar Cornelis Pronk en zijn leerling Abraham de Haen. Elke zomer trekken zij door het land om zoveel mogelijk tekeningen te maken en allerlei informatie te verzamelen. Schoemaker beschrijft elke plaats die hij bezoekt en noteert historische informatie en anecdotes. Als hij belangrijke archiefstukken ontdekt, schrijft hij die over. Zijn werk bereikt een totale omvang van ongeveer 9000 pagina’s.
Schoemaker wijdt twee albums aan de stad Utrecht. In zijn achttiende eeuwse hanepoten schrijft hij in deze delen pagina’s vol met verhalen over het kasteel Wiltenburg, de Vredenburg, Trijn van de Leemput en nog veel meer. Hij tekent wapens van Utrechtse families na en plakt zijn verzameling plattegronden en prenten van de stad tussen de verhalen.
Aan de steden en dorpen in de provincie Utrecht wijdt Schoemaker ook twee delen.
In de Vechtstreek bezoekt hij de dorpen Abcoude, Baambrugge, Breukelen, Maarssen, Nieuwersluis en Vreeland en hij noteert bij elk dorp iets bijzonders. ‘Maarssen is een heerlijk en deftig dorp gelegen aan de rivier de Vecht die door het dorp loopt. Het is aan beide sijde met deftige huysen bebout’ schrijft Schoemaker. Verder zegt hij dat het dorp ‘geweldig heeft moeten suchten onder het gewelt der Fransen’ en om dat te illustreren heeft hij een afbeelding van het slot Maarssen nagetekend. Het slot is immers in 1672 door de Fransen verwoest. Van Maarsseveen laat hij het rechthuis langs de Vecht zien, waar ‘het Swarte Varken’ uithangt.
In 1727 bezoekt Schoemaker Leusden en hij noteert: ‘Leusden is maar een klein dorp tegenwoordig en is gelegen een groot half uur buyten Amersfoort’. In dat jaar zijn maar zeven huizen in het dorp bewoond. Schoemaker is erg onder de indruk van de ouderdom van Leusden en citeert brieven van de bisschoppen uit 1136 en 1286, waarin Leusden wordt genoemd. Later maakt hij nog een notitie over de ‘giftbrief’ van Karel de Grote, waarin deze ‘het dorp Lusiduna’ schenkt aan bisschop Alberic van Utrecht.

Montfoort. Tekening Schoemaker.

Literatuur

D. Philips, "De tekeningen van Andries Schoemaker". In: Maandblad Oud-Utrecht1960 vol 33, p. 140-142.
A.J. Gevers, A.J. Mensema, Over de hobbelde bobbelde heyde: Andries Schoemaker, Cornelis Pronk en Abraham Haen op reis door Overijssel, Drente en Friesland in 1732. Alphen aan de Rijn, 1985.

 Internet: www.kb.nl/bc/hand/schoemaker.html

Thema

Tijdbalk