
Kasteel Amerongen is voor het eerst genoemd in 1286, in een verklaring van graaf Floris V van Holland. Borre en Diederic van Amerongen zijn in dat jaar Floris’ leenmannen voor het “huyse” dat zij in Amerongen bouwden. Amerongen is een “huyse” dat door
de loop der eeuwen van een woontoren uitgroeit tot een burcht met meerdere torens en zalen. Het kasteel is regelmatig de inzet van grensoorlogen tussen het Sticht en Gelre.
In 1557 komt het kasteel in bezit van de familie Van Reede. Het bekendste lid van deze familie is Godard van Reede (1621-1691). Hij is lid van de Raad van State en reist als buitengewoon ambassadeur van de Republiek der Verenigde Nederlanden naar Zweden,
Polen, Spanje, Denemarken en Duitsland.
In het rampjaar 1672 bezetten Franse troepen het kasteel. Eigenaar Godard Adriaan van Reede (1621-1691) verblijft in het buitenland en de Fransen onderhandelen dus met zijn echtgenote, Margaretha Turnor. De Fransen eisen allereerst onderwerping van de Van
Reede’s aan het Franse gezag en vervolgens een losprijs voor het kasteel van 3000 gulden. Maar Margaretha wil geen van beiden doen. De Franse soldaten vullen het kasteel met takkenbossen en steken het in brand. In 1674 begint de herbouw, met een bijdrage
van 40.000 gulden van de Staten-Generaal. Het nieuwe kasteel wordt gebouwd in een strak classicistische stijl, naar de laatste mode. De architect is onbekend. De Van Reede’s hebben contacten met hofbouwmeester Mathias Schmidt uit Berlijn, maar het meest
waarschijnlijk is dat de Haagse hofarchitect Maurits Post het ontwerp heeft gemaakt. De bouwvakkers gaan aan de slag op de fundamenten van de middeleeuwse burcht. De uitvoering van de bouw wordt geleid door de Amsterdamse meestertimmerman Hendrick Geurtsz
Schut (1622-1695) en meestermetselaar Cornelis Rietvelt. Margaretha Turnor houdt tijdens de vele reizen van haar man dagelijks toezicht op de bouw.

E. Kurpershoek en E. Kurpershoek, Amerongen: geschiedenis en architectuur.(Zeist 1996)
B. Olde Meierink ... [et al.], Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht.(Utrecht 1995)