
Het kaartboek van de landerijen van de Sint Stevensabdij begint in 1662. Het merendeel van de kaarten is in dat jaar getekend door Hugo Ruysch. In de achttiende eeuw is het kaartboek aangevuld door Johan Hersant, J. de Roij, en Gerbrand Nicolaas Back.
De kaarten zijn getekend op perkament en ingekleurd. De abdij bezit landerijen in Oostveen, Maarssen, Maarssenveen, Kamerik, Lopikerkapel, Montfoort, Schoonauwen, Houten en andere dorpen in de provincie Utrecht. De landerijen zijn eigendom geworden van de
Sint Stevensabdij door schenkingen van vrome en rijke burgers.
De Sint Stevensabdij van Oudwijk is gesticht in 1135 als een Benedictinessenklooster. De stichteres is burggravin Mechteld, de weduwe van Arnold, burggraaf van Utrecht. Eén van de eerste abdissen van Oudwijk, Sophia, correspondeert met de beroemde Duitse
abdis Hildegard van Bingen. Sophia wil zich als kluizenares laten insluiten, maar Hildegard antwoordt haar dat zij ‘in vera visione mysteriorum Dei’ (in een waar visioen van de mysteriën van God) voor Sophia de vermaning heeft gehoord om op haar post te
blijven. In 1173 wordt door Willem van Voorne en zijn vrouw Rysela een nieuwe kerk bij het klooster gebouwd. Hun dochter Hedwig is non in het klooster. Tot 1536 kiezen de nonnen hun eigen abdissen. Maar in dat jaar krijgt Karel V het benoemingsrecht voor
de abdijen in de Nederlanden en vanaf dat moment wijst hij de abdis aan. Nadat Utrecht in 1580 is overgegaan tot de reformatie, besluiten de burgemeesters het klooster gedeeltelijk te slopen. Het complex ligt erg dicht bij de stad en als het Spaanse leger
Utrecht aanvalt, is het een mooie verschansing. In 1582 wordt de toren afgebroken. In 1584 wordt het complex in brand gestoken door de Utrechtse burgers, juist op de dag dat het stadsbestuur besluit de laatste kloostergebouwen te laten slopen. De abdis
trekt in het conventshuis aan de Nieuwegracht in Utrecht, de nonnen vinden onderdak in een gehuurd huis.
De Sint Stevensabdij blijft na de reformatie in gereformeerde vorm bestaan, net als de andere ‘jufferenconventen’ in en rond Utrecht. De Staten van Utrecht stellen uit het vermogen van deze kloosters een aantal jaarlijkse toelagen of ‘prebenden’ vast voor
adellijke dames. Na het overlijden van de katholieke nonnen worden ongehuwde protestantse jonkvrouwen in hun plaats benoemd. Deze gereformeerde jufferen wonen verspreid in de stad Utrecht. In 1795, tijdens de Bataafse revolutie, heft de regering alle
kloosters op. Ook de Sint Stevensabdij houdt op te bestaan. Vanaf 1796 zijn geen prebenden meer uitbetaald.
Tegenwoordig is er van de oude Sint Stevensabdij niets meer over. Nu staat hier de buitenplaats Oudwijk 19, vlakbij het Wilhelminapark.

C. A. van Kalveen, ‘De vijf adellijke vrouwenkloosters in en om de stad Utrecht’, in: De kerk en de Nederlanden. Hilversum 1997
A. van Hulzen, Utrechtse kloosters en gasthuizen. Baarn, 1986