16 maart 1636: Oprichting universiteit

 

Beeldmateriaal nr. 123194

 

De eerste plannen voor een oprichting van een universiteit in Utrecht dateren al van 1470. Nederlanders die in die tijd wilden studeren, moesten naar Keulen of Leuven of zelfs nog verder weg. Maar het blijft bij plannen. In de zestiende eeuw is het stadsbestuur van Utrecht er weer mee bezig. Het lijkt er zelfs even op dat de jonge universiteit van Leiden verplaatst wordt naar Utrecht. Utrecht heeft dan al een predikantenopleiding, die gehuisvest is in de voormalige Paulusabdij.
In 1632 richt het stadsbestuur een 'illustere school' op. De eerste hoogleraar in de rechten is Antonius Matthaeus en de eerste hoogleraar in de theologie is Gijsbertus Voetius. Andere leerstoelen zijn filosofie, geschiedenis en klassieke talen. De burgemeesters van Utrecht, de leden van de vroedschap, de schout en de nieuwe professoren komen op 17 juni 1634 bijeen om de nieuwe school in te wijden.
Nog geen twee jaar later, op 16 maart 1636, wordt de 'illustere school' verheven tot Academie. Er wordt dan een rector magnificus benoemd en er komt een faculteit medicijnen bij. De Academie heeft de beschikking over enkele huizen en zalen aan de zuidzijde van de kloostergang van de Dom. Op die plaats is later het huidige Academiegebouw neergezet. De middeleeuwse zaal waarin het Domkapittel vergaderde, is in dat gebouw opgenomen.
De kosten voor de hoogleraren en het onderkomen van de Academie komen grotendeels voor rekening van de stad. Het volgen van openbare colleges is gratis. De studenten zijn vaak nog jong: zelfs jongens van 12 jaar oud worden ingeschreven.
De universiteit heeft ook de beschikking over een bibliotheek. In het koor van de Janskerk is na de reformatie het boekenbezit van de kapittels en kloosters bijeengebracht als 'stadsbibliotheek'. Die stadsbibliotheek wordt in 1636 ter beschikking gesteld van de universiteit. Aanvullingen zijn de geconfisceerde bibliotheek van de katholieke priester Rovenius en de aangekochte boeken van de historicus Aernout van Buchell.
In 1639 wordt op het bolwerk Zonnenburg de eerste Hortus Botanicus aangelegd. Maar Zonnenburg is niet zo geschikt als hortus en in 1723 koopt de universiteit een huis en een tuin aan 'Onder de Linden', het zuideinde van de Nieuwegracht, om een hortus aan te leggen.
Het Anatomisch Theater, waarin lijken worden ontleed, is in de eerste jaren vaak verhuisd: van het koor van de Pieterskerk naar de Catharijnekerk, de Abraham Dolekerk en het Catharijnegasthuis. In 1726 wordt een nieuw Anatomisch Theater aan de Lange Nieuwstraat gebouwd.
De sterrenwacht is in 1642 opgericht. Daarmee bezit Utrecht, na Leiden, de oudste universitaire sterrenwacht ter wereld.

Literatuur

G.W. Kernkamp (red.), De Utrechtse universiteit 1636-1936. (Utrecht 1936)

 

Thema

Tijdbalk