
Carel Martens stamt uit een familie uit Vlaanderen die voor de godsdienstvervolging gevlucht is naar de noordelijke Nederlanden. In de 16de eeuw woont de familie in Amsterdam, maar al snel verhuizen zij naar Utrecht. Carel studeert in Leiden, want in
Utrecht is nog geen universiteit. In 1628 wordt hij ingeschreven als advocaat aan het Hof van Utrecht. In 1630 sterft zijn echtgenote, Petronella van Voorst, samen met haar pasgeboren zoontje.
Het duurt even voordat Carel Martens opnieuw wil trouwen. In 1634 is hij weer verliefd. Het gaat om Jacoba Lampsins uit Vlissingen. Op 1 februari 1634 vertrekt hij naar Zeeland om haar het hof te maken. Jacoba maakt veel indruk op hem. Als hij terug is in
Utrecht, schrijft hij haar regelmatig. Hij dateert zijn brieven in oude en nieuwe tijdrekening: in Utrecht is de oude tijdrekening nog in gebruik, terwijl het volgens de nieuwe tijdrekening in Holland en Zeeland al tien dagen later is. Op 12 april 1634
vertrekt Carel opnieuw naar Zeeland, voor een verblijf van vier weken. Dan worden er echt trouwplannen gemaakt. Op 12 juli reist Carel weer naar Zeeland. Hij neemt 600 gulden mee om de bruiloft en de cadeaus voor Jacoba te betalen. Op 19 september trouwen
Carel en Jacoba. Op de bruiloft wordt nog eens voor 278 gulden aan wijn gedronken. Carel heeft een nieuw kostuum laten maken voor 67 gulden. Carel en Jacoba gaan in Utrecht wonen, in het huis aan de Nieuwegracht dat Carel al jarenlang huurt van Marichie
Bruijnincks. De meeste meubels uit de tijd dat Carel met Petronella hier woonde, staan er nog. Maar samen met Jacoba koopt hij toch voor 200 gulden nieuw meubilair en huisraad.
Carel sterft in 1649, Jacoba in 1667. De liefdesbrieven die Carel aan Jacoba stuurde, maken nu deel uit van het archief van de familie Martens.

Transcriptie van de liefdesbrief van Carel Martens aan Jacoba Lampsins
Eerbare deuchtrijcke seer discrete jonckvrou
Driemael hebben ick mij verstout U Edele met briven te begroeten ende te bethoonen, soo wel door die middel, als mondelinge verclaringhe U Edele daertevoorens gedaen, dat mijn gesette affectie ende sonderlinghe getrouwe liefde tot U E sal sijn ende
blijven onveranderlick; ‘t gemeen spreeckwoort seydt, dat den aenhouder verwint. Nu bidde ick U Edele oedtmoedich, dat U Edele mijn dienaengaende oock geluckich gelive te maecken, ende dat mijn aengevangen Christelick werck bij U Edele suclxs mach sijn
besteedicht, dat ick oorsaecke mach hebben mij te roemen, dat hoewel mijn importuen aenhouden, door Goodes genadighe bestieringhe, mij eenichsins de eere van victorie mijner lieffelickes oorloochs medegebracht hadde, dat het nochtans gans niet en is in
comparatie vande overgroote discretie ende goedertieren gunste daermede U Edele haer tot mij gelive mochte genegen te thonen. Dese bede mejonckvrou, hebbe ick bij dese occasie U Edele nochmaels moeten doen bij geschrifte, soo ick hoope daerin te
continueren totter tijdt toe, dat ick de eere sal mogen geniten, een briefken van U Edele gunstighe handt te ontfangen betuygende dat mijne wederkomste U Edele niet onaengenaem soude wesen, omme alsoo nae vereijsch der saecke U Edele te bethonen de
devoiren van mijnen willigen schuldigen plicht als sijnde ende blijvende onveranderlick, nae mijnen diensts presentatie, ende iterative (herhalende) recommandatie, in U Edele goede gunste.
Eerbare, deuchtrijcke seer discrete jonckvrou
U E rechtgetrouwen ende geaffectioneerde Dienaer Carel Martens
Tot Utrecht, den 13/23 Martij 1634.
Literatuur
H.J.H. Knoester en A. Graafhuis (redactie), 'Het kasboek van Mr. Carel Martens 1602-1649'. In: Jaarboek Oud-Utrecht1970. p. 154-210.
A. Pietersma, 'Carel Martens (1602-1649), advocaat en stichter van een Utrechtse dynastie'. In: Utrechtse Biografieën, deel 2 (Utrecht, 1995).
Archief