Hennepteelt heeft tegenwoordig een heel andere betekenis dan vroeger. In de zeventiende eeuw wordt in de Lopikerwaard en het Land van Woerden veel hennep geteeld voor de touwproductie. Hennep is geen inheems gewas in Nederland. Het is afkomstig uit Azië. Er zijn diverse soorten hennep, variërend van soorten die vezels produceren tot soorten waarvan de vrouwelijke variant hasjiesj produceert. Het Nederlandse klimaat is meer geschikt voor de vezelproducerende plant. Deze hennep groeit in een korte periode tot een hoogte van twee tot drie meter. Het kan jarenlang op hetzelfde stuk grond worden verbouwd. De hennepteelt in de Lopikerwaard is eigenlijk het gevolg van afwateringsproblemen in de polders en geen eerste keus van de boeren. Hennep groeit uitstekend op drassige grond, vooral wanneer er veel mest is opgebracht. De boeren in de zeventiende eeuw leggen speciale ‘hennepwerven’ of ‘henneptuynen’ aan voor de teelt. Na de oogst roten zij de hennep in de sloten rondom de ‘hennepwerven’. De vezelhennep wordt verwerkt tot garen voor scheepstouw, visnetten en zeilen.
De boeren in Lopik verbouwen rond 1600 veel hennep. Bijna de hele oude polder Lopik, ten noorden van de Lopikerweg, is eigendom van het Utrechtse kapittel van Sint Marie. Het kapittel geeft in 1607 aan landmeter Jan Rutgerszoon van den Berch opdracht om hun eigendommen in kaart te brengen. In een speciaal kaartboekje tekent hij alle ‘hennepwerven’ van Lopik, van de molen bij Zevender tot voorbij de molen van Batau.
Sommige hennepwerfjes zijn nog steeds herkenbaar. Het zijn vrij kleine stukken grond omgeven door sloten.
N. Stoppelenburg, 'De hennepwerven van Lopik', in: Tijdschrift Oud-Utrecht74 (2001).
Internet: www.touwmuseum.nl
Archief