De middeleeuwse ruitergevechten hebben een heel oude oorsprong. De Romeinen hielden zich er al mee bezig en noemden ze "Ludi Trojani", wat betekent: Trojaanse spelen. De Romeinse gladiatorengevechten werden door slaven en beroepsgladiatoren opgevoerd,
maar deze Trojaanse spelen waren voorbehouden aan de adel. Volgens de overlevering zou het gebruik al door Aeneas uit Troje zijn meegebracht. Vooral ten tijde van de eerste keizers, toen het Romeinse rijk zich snel uitbreidde, waren deze spelen populair.
Zo raakten ze ook in Galliƫ in gebruik. Toen enkele eeuwen later de Franken in dit deel van het Romeinse rijk de macht overnamen, bleven de Trojaanse spelen populair. Er kwam wel een nieuwe naam in gebruik. Naar het voortdurend bewegen en draaien (tornare
in het latijn, tourner in het frans) van de ruiters ging men spreken van "tournooien". Een bekend tournooi werd in 842 in Worms gegeven door de Karolingische vorsten Lodewijk de Duitser en Karel de Kale van Frankrijk. Zij vierden de overwinning op hun
broer Lotharius.
De latere Duitse keizer Hendrik de Vogelaar begreep dat hij zijn ridders door tournooien in goede vechtconditie kon houden. Hij was de eerste die regels opstelde voor het spel. Het tournooi werd nu wel steeds meer een reeks van tweegevechten, waarbij
nogal eens bloed vloeide. De Kerk probeerde tournooien te laten verbieden. De ridders werden bedreigd met de kerkelijke ban en wie tijdens een tournooi omkwam, mocht niet in gewijde aarde begraven worden. Maar de animo voor tournooien werd steeds groter.
Het werden enorme feesten, waarvoor ridders van heinde en ver kwamen in de hoop om te midden van pracht en praal door een schone dame gekroond te worden.
Veel vorsten organiseerden de tournooien op een veld in de nabijheid van hun kasteel. Het veld werd afgezet en bestrooid met paardemest zodat de verliezers iets minder hard neerkwamen. Later gebruikte men zand in plaats van mest en werden de tournooien
ook gehouden op pleinen in de steden en soms zelfs binnen, in een grote zaal.
Op 10 september 1441 organiseerde heer Jacob van Gaasbeek, de belangrijkste leenman van de bisschop van Utrecht, een tournooi op de Neude. De Neude was toen nog een drassige, ongeplaveide open ruimte tussen de bebouwing aan de Oudegracht en de immuniteit
van St. Jan. De Raad van de stad liet 326 karrevrachten zand aanrukken om het plein bruikbaar te maken. Er werden tribunes gebouwd voor de belangrijke gasten. Natuurlijk hoorden de stadsregering en de Stichtse adel daarbij, maar er waren ook leden van de
Bourgondische adel, zoals de heren van Nassau, Lalaing en Zevenbergen. Het gewone volk moet vanuit de hele omtrek zijn samengestroomd om te kijken. Minstreels en kwakzalvers kwamen zelfs van buiten de Nederlanden omdat er goed te verdienen viel met zoveel
rijke mensen bij elkaar.
