
Keizer Hendrik V brengt regelmatig bezoeken aan de stad Utrecht. Hij is er opgegroeid bij bisschop Koenraad en in 1114 heeft hij zelf aan bisschop Godebald de ring en de bisschopsstaf verleend. In 1122 verblijft keizer Hendrik voor het Pinksterfeest in
Utrecht. In het keizerlijk paleis Lofen overlegt hij met de bisschoppen en graven uit zijn rijk. Enkele dagen na Pinksteren breken er gevechten uit tussen de leden van de keizerlijke garde en de dienstmannen van de bisschop van Utrecht. Er ontstaat veel
opschudding in de stad en er vallen zelfs doden. De dienstmannen van de bisschop vluchten en de bisschop wordt gevangen gezet op beschuldiging van majesteitsschennis. Keizer Hendrik laat ook de graaf van Utrecht, Willem van Goye, gevangen zetten en uit de
grafelijke macht ontheffen. Door bemiddeling van de aartsbisschop van Keulen komt bisschop Godebald tegen betaling van een losgeld weer vrij. Maar de keizer wil zich wel verzekeren van de steun van de Utrechtse burgers. Op 2 juni 1122 laat hij de inwoners
van Utrecht en Muiden een eed van trouw afleggen. In ruil daarvoor bevestigt hij het privilege dat bisschop Godebald al eerder aan deze steden heeft verleend. Hij voegt daar nog een nieuw voorrecht aan toe: iedereen die een bijdrage levert aan de aanleg
van de stadswal, krijgt vrijstelling van tolbetaling op de Utrechtse markt. De oorkonde waarin dit is vastgelegd, is bekend als het Utrechtse stadsrecht. Op dezelfde dag vaardigt de keizer nog een tweede oorkonde uit, op verzoek van de Utrechtse burggraaf
Arnold, de Utrechtse schout Galo en vooraanstaande Utrechtse burgers. In deze tweede oorkonde is een tarieflijst voor de Utrechtse tol opgenomen en verder wijst de keizer de rechtspraak over de bezoekers van de Utrechtse markt toe aan de schepenbank van
de stad.
De privileges van keizer Hendrik zijn van groot belang voor de ontwikkeling van de stad Utrecht. De burgers van de stad maken haast met de aanleg van stadswallen, maar het is een groot project en ze zijn er tientallen jaren mee bezig. Op de fundatiesteen
van de Smeetoren is vermeld dat de toren in 1145 is gebouwd. Het gerecht van de schepenen groeit uit tot de belangrijkste bestuursinstantie van de stad. Utrecht hoort met Staveren (1108) en Deventer (1123) tot de oudste steden van de noordelijke
Nederlanden.
De twee oorkondes van keizer Hendrik V zijn de oudste stukken in het archief van de stad Utrecht en worden bewaard in Het Utrechts Archief.

Kaj van Vliet, Utrecht, Muiden en omgeving. Oude privileges opnieuw bezien. In: Jaarboek Oud-Utrecht,1995.
K. van Vliet, De stad van de burgers, in: A. Pietersma (red), Paradijs vol weelde. Utrecht, 2001