Gemeente

Tot de Franse tijd hadden de gemeenten voornamelijk taken op juridisch, administratief en politioneel terrein. Dit veranderde daarna maar langzaam. De ontwikkeling van de gemeentelijke taken verliep in een viertal fasen, die als volgt kunnen worden samengevat: nachtwakersgemeente, met de nadruk op taken als politie, onderwijs en armenzorg (-1870); gemeente als voortrekker, met de nadruk op gezondheid, wonen, werken en het schoonhouden van de fysieke leefomgeving (1870-1914); toenemend medebewind, met de nadruk op de economische rol van de gemeente (1914-1940), en de welzijnsgemeente, met de nadruk op de sociale rol van de gemeente (1945-, onder te verdelen in 1945-1955: wederopbouw en herstel; 1955-1965: welvaartsstaat; 1965-: verzorgingsstaat). Onder medebewind verstaat men het inschakelen van de lagere overheden bij de uitvoering van wetten en algemene maatregelen van bestuur. Dit begon met de Woningwet van 1901. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw ging de gemeente schoorvoetend een zelfstandige rol spelen op sociaal-economisch terrein: volksgezondheid, aanleg van gas, waterleiding en elektriciteit, werkloosheidsbestrijding en maatschappelijk werk. De gemeente Amsterdam vervulde hierbij nadrukkelijk een voortrekkersrol. De SDAP introduceerde in 1899 als eerste landelijke partij een politiek programma op gemeenteniveau. In de loop van de 20ste eeuw werden steeds meer gemeentelijke taken overgeheveld naar het Rijk, met name op sociaal-economisch terrein. Dit betekende een teruggang in autonome taakuitvoering, maar een toename van de medebewindstaken. In plaats hiervan werd de gemeente actief op terreinen als sport en bibliotheekwezen. In de jaren '80 en '90 van de 20ste eeuw begon de slinger weer de andere kant uit te slaan en kreeg de decentralisatiegedachte vat op het openbaar bestuur, bijvoorbeeld op terreinen als volkshuisvesting, sociale zekerheid en zorg en welzijn.

De periode 1870-1914 is wel de bloeitijd van het lokale bestuur genoemd. Het aandeel van de gemeentelijke uitgaven als percentage van de totale overheidsuitgaven steeg van 27% in 1870 tot 42% in 1910. In 1985 was dit teruggezakt tot 30%. Bij dit alles bleef de Gemeentewet van 1851, een van de grote organieke wetten van Thorbecke, het kader bepalen. In de loop der tijd is de wet meer dan 100 maal gewijzigd, zonder dat de fundamenten werden aangetast. Zo overleefde de wet ook de talloze mislukte pogingen vanaf de jaren '60 van de 20ste eeuw om tot een vierde bestuurslaag te komen en het meer succesvolle fenomeen van de agglomeratiebesturen. Zo'n regio met een eigen bestuur ontstond ook hier, met als kern de gemeente Utrecht. Dit was een van de manieren om bestuurlijke problemen via schaalvergroting op te lossen. Andere waren gemeentelijke herindeling en de Wet Gemeenschappelijke Regelingen.

Thema

Inleiding tot 1813