Politieke partijen

Pas ten gevolge van het optreden van Thorbecke ontstond in de jaren '40 van de 19de eeuw een tegenstelling tussen conservatieve en liberale gemeenteraadsleden. Tot Utrecht was het liberale denken echter nog nauwelijks doorgedrongen. Zo waren er in 1844 in de provincie Utrecht slechts drie adhesiebetuigingen met het voorstel van de Negenmannen voor een nieuw politiek bestel (in Groningen bijvoorbeeld 1200!). Van partij- en fractievorming was nog geen sprake. Dit bleef ook na de invoering van het directe kiesrecht voor de gemeenteraden in 1851 het geval. Wel rekenden de meeste leden zich in de periode na 1860 tot de liberale richting. Er waren verschillende kiesverenigingen, zoals de liberale Utrechtsche Kiezers Vereeniging en het rooms-katholieke Recht voor Allen. De scheidslijnen waren niet altijd even scherp: soms werden dezelfde kandidaten door verschillende kiesverenigingen gesteund. Nog vrij lang was de weerzin tegen partijvorming groot, omdat deze herinnerde aan de partijtwisten in de patriottentijd.
Echte politieke partijen ontstonden in de jaren '80 en '90 van de 19de eeuw, zoals de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Het eerste gemeenteraadslid van antirevolutionaire huize werd al in 1851 gekozen en in 1891 verscheen de eerste 'werkman' in de gemeenteraad.
Aan de liberale machtspositie kwam pas een einde na de eerste gemeenteraadsverkiezingen in 1919 op basis van het algemeen kiesrecht. De liberalen kregen toen slechts 16% van de stemmen. Tussen 1935 en 1966 maakten de liberalen zelfs geen deel meer uit van het college van B & W. De Rooms-Katholieke Staatspartij, later Katholieke Volkspartij, en de ARP ruilden hen in tegen de SDAP, later PvdA. In die periode was het gebruik dat het college van B & W was samengesteld naar evenredigheid van het aantal gemeenteraadszetels. Hieraan kwam een voorlopig einde in de periode van de polarisatie in de jaren '70 van de 20ste eeuw. In 1982 kreeg Utrecht voor het eerst een 'programcollege', bestaande uit een meerderheidscoalitie zonder het CDA. In de hoogtijdagen van het poldermodel in de jaren '90 keerden de afspiegelingscolleges terug. Ontsteltenis wekten in diezelfde periode de hoge stembuscijfers van extreem-rechts in Utrecht. Een belangrijke wijziging vormde de invoering in 2002 van het zogeheten duale bestuursmodel op gemeentelijk niveau. B & W bestuurden, de gemeenteraad controleerde, wethouders maakten niet langer deel uit van de gemeenteraad en dus van een raadsfractie, en konden ook van buiten worden aangetrokken. Naast de gemeentesecretaris verscheen de raadsgriffier als secretaris van de gemeenteraad.

 

Beeldmateriaal nr. 100715

Thema

Inleiding na 1851