Veranderingen in 1824

Om de greep van de rijksoverheid op de gemeentebesturen te versterken, werd in 1824 een nieuw reglement voor de steden in de noordelijke Nederlanden vastgesteld. De plattelandsgemeenten volgden in 1825. De belangrijkste verandering is de invoering van een éénhoofdig burgemeesterschap. De burgemeester wordt in Utrecht bijgestaan door drie wethouders. Hij is voorzitter van de Raad en van B & W. De benoeming geschiedt door de koning en wel voor de periode van zes jaar. Alle bevoegdheden van het dagelijks bestuur komen te berusten bij burgemeester en wethouders. Hieronder vallen alle zaken die niet nadrukkelijk tot de competentie van de Raad behoren. De burgemeester handelt op zijn beurt alle zaken af die niet nadrukkelijk tot de competentie van B & W of de Raad behoren. Vaste commissies adviseren B & W en/of zijn belast met de uitvoering van bepaalde taken, zoals financiën, fabricage en markten. De leden van B & W zijn ook lid van de Raad, hoewel bij uitzondering een niet-raadslid tot burgemeester kan worden benoemd. Het algemeen bestuur berust bij de Raad, in Utrecht bestaande uit 24 personen. De zittingstermijn van de kiescolleges wordt verhoogd van drie tot negen jaar. Elke drie jaar treedt een derde deel af. Het Utrechtse kiescollege telt 42 leden. De census voor zowel het actief als het passief kiesrecht blijft gelijk. In de decennia vóór 1848 was in Utrecht circa 5% van de totale bevolking stemgerechtigd en ruim 1,5% kiesgerechtigd.

Beeldmateriaal nr. 24639

Thema

Inleiding 1813-1851