Platteland

De indeling in en het bestuur van de plattelandsgemeenten werden vastgesteld in 1816. Hoofd der gemeente is dan een door de koning benoemde schout, eventueel met een assistent-schout en/of twee assessoren of bijzitters. Een gemeenteraad met drie tot zeven door Provinciale Staten voor negen jaar benoemde leden, die tot de 'vroedste en gegoedste' inwoners behoren, vormt het algemeen bestuur. Iedere drie jaar treedt een derde deel af. De ambachtsheren, zoals de familie Engelen van Pijlsweerd, worden deels in hun heerlijke rechten hersteld; zij krijgen onder meer het recht van voordracht van de schout en de leden van de gemeenteraad. In gemeenten die geen heerlijkheden zijn, komt het recht van voordracht van de gemeenteraadsleden toe aan de gemeenteraad zelf. De inwoners hebben dus geen actief kiesrecht.

Deze reglementen golden onder meer voor de in 1816 tot de vier nieuwe plattelandsgemeenten Abstede, Catharijne, Lauwerecht en Tolsteeg samengevoegde zestien buitengerechten, die van oudsher tot de stadsvrijheid hadden behoord. In de praktijk bleken deze vier nieuwe gemeenten echter niet levensvatbaar. De uitoefening van vele gemeentelijke taken, zoals de armenzorg en de registratie van de burgerlijke stand, bleef in handen van de stad. Daarom werden deze gemeenten - met uitzondering van Oost- en Westraven, die onderdeel gingen uitmaken van de gemeente Jutphaas - in 1823 opgeheven en bij de stad Utrecht gevoegd. In de loop van de 19de en de 20ste eeuw werden de grenzen van de stad nog enkele malen gewijzigd. De belangrijkste betroffen de annexatie van het grootste deel van de gemeente Zuilen en de tot de gemeente Maartensdijk behorende wijk Tuindorp (1954) en de samenvoeging met de gemeente Vleuten-De Meern (2001). Als pleister op de wonde kregen de Zuilenaren een eigen Gemeenschapsraad, die in 1964 ter ziele ging.

 

Beeldmateriaal nr. 38025

Thema

Inleiding 1813-1851