
Sancti Salvatoris kerck tot Utrecht, genaempt Oudemunster.
Anno a nativitate Domini nostri, Jesu Christi, Salvatoris omnium, MCCCXCIII, id. juliis, infrascriptae relliquiae fuerunt visitatae et decenter recognitae, in capsa sancti Pancratii martyris. In primis de relliquiis sancti Pancratii, item sancti Bonifatii, martyris, item sancti Calixti, papae, item Panthaleonis, martyris, item de capillis sancti Quintini, martyris, item sancti Martini, archiepiscopi, item sancti Germani, episcopi, item costa sancti Antonii, monachi, item sancti Eligii, episcopi, item de tybia sancti Montani, confratris, item de digito sancti Walerici, confessoris, item sanctae Electae, virginis, item cineres de corpore et sepulcro beati Jacobi, apostoli, filii Zebedei, item de membris Abrahae, patriarchae, item de capite eiusdem, item de manna in sepulcro sancti Joannis evangelistae, inventa per reverendum patrem, dominum Hubertum, episcopum Yppusensem, presentibus dominis Everardo Foec, decano, Richardo de Oy, Bertoldo Ruwenhove, Alardo de Cloetingen, Wilhelmo de Clivis, Gerardo de Bronckhorst, Dankardo Bays, Joanne de Bronio, Adolpho Vrijdach, Uremberto Utenleen, Giselberto Hoey, Egberto de Daventria, Francone over de Vecht et Theodorico van den Grave, cannonicis capituli huius ecclesiae sancti Salvatoris.
Anno 1421, 17 aprilis, inventae relliquiae Gregorii, episcopi, a Willebrordo tertii, et ex tumba lapidea, subter gradus septentrionalis chori ipsius ecclesiae, eaeque repositae concessis indulgentiis.
Extant adhuc apud Salvatorem, cannonicorum testamenta, Gerardi Foec et Everardi Foec, quorum uterque, ut videtur, fuere successive decani collegii sancti Salvatoris. Et obiit ille anno 1383, 8 martii, omniaque sua canonicis dedit, tantum quibusdam aedibus domino Everardo, decano, et usufructum cuiusdam domus Bertradi, sorori suae, legatis ad vitam. Hic vero anno 1418, mensis martii 26, qui similiter omnia fere sua ecclesiae donavit, tamen Beatrici de Reno, moniali Albarum, quaedam ad vitam assignavit.
Statutum extat de presentiis distribuendis, sub Frederico domino Ossekin, decano sancti Salvatoris, de anno 1343, et aliud de 1391.
De Sint Salvatorkerk in Utrecht, Oudmunster genoemd
In het jaar 1393 na de geboorte van Onze Heer Jezus Christus, ons aller Zaligmaker, op 15 juli, zijn de hieronder beschreven relikwieën onderzocht en op gepaste wijze geautoriseerd, in de schrijn van St. Pankras, martelaar. Achtereenvolgens de relikwieën van St. Pankras; St. Bonifatius, martelaar; St. Calixtus, paus; Pantaleon, martelaar; de haren van Quintinus, martelaar; St. Maarten, aartsbisschop; St. Germanus, bisschop; een rib van St. Antonius de kluizenaar; St. Eloy, bisschop; het scheenbeen van St. Montanus, kloosterling; de vinger van St. Walrik, belijder; St. Electa, maagd; de as van het lichaam en uit het graf van St. Jacobus de apostel, de zoon van Zebedeus; ledematen van de aartsvader Abraham, en ook zijn hoofd; manna uit het graf van St. Jan de evangelist, gevonden door Hubert [Schenck], bisschop van Hippus. Dit onderzoek gebeurde in aanwezigheid van Everhard Foeck, deken, Richard van Oey, Bertold van Ruwenhove, Allert van Cloetinge, Willem van Kleef, Gerard van Bronkhorst, Dankert Bays, Jan van Brogne, Adolf Vrijdag, Urembert Utenleen, Gijsbrecht Hoey, Egbert van Deventer, Frank over de Vecht en Dirk van den Grave, kanunniken van het kapittel van Oudmunster.
Op 17 april 1421 zijn de overblijfselen van Gregorius, de derde bisschop na Willibrord, gevonden, en uit het stenen graf onder de trap van het noordelijke koor van Oudmunster [gehaald] en opnieuw begraven, met verlening van aflaten.
Oudmunster heeft nog de testamenten van de kanunniken Gerard en Everhard Foeck, die achtereenvolgens dekens blijken te zijn geweest van het kapittel van Oudmunster. De eerste overleed 8 maart 1383, en hij gaf al zijn bezittingen aan de kanunniken. Alleen sommige huizen vermaakte hij aan Everhard, de deken, en het levenslang vruchtgebruik van een huis aan Bertken, zijn zuster. De ander stierf op 26 maart 1418 en schonk eveneens bijna al zijn bezit aan de kerk, maar wees enige goederen voor het leven toe aan Beatrijs van Rijn, non in het Wittevrouwenklooster.
Er bestaat een akte van de verdeling van presentiegelden onder Frederik Ossekyn, deken van Oudmunster, uit 1343, en een andere uit 1391.
Bladeren
Weergave