Monumenta Van Buchel pag. 53 (fol. 29r)


Monumenta Van Buchel pag. 53 (fol. 29r)

Transcriptie

Catalogus prepositorum huius Maioris ecclesiae1
Sanctus Adelbertus, Deirorum regis filius, et socius Willebrodi, primus prepositus Traiectensis, Egmondae sepultus.
Craft sub Frederico episcopo, anno 838.
Ragenboldus, prepositus sub Baldrico, anno 943.
Habeo annales Egmondanorum procerum, in quibus legitur Gisbertum Walengeri filium, prepositum fuisse Traiectensem, circa annum 1005. Verum, cum Bockkenbergius huius non meminerit,2 neque etiam annales vulgari lingua conscripti, nihil certi statuere audeo.
Udo alias Odo, prepositus, anno 1026.
Focco, prepositus sub Bernoldo episcopo, anno 1046.
Lanzo, prepositus sub Conrado episcopo, anno 1086.
Ansfridus, prepositus, anno 1063.
Ludolfus, prepositus, anno 1081.
Lanzo, supra.
Arnoldus, prepositus sancti Martini.
Rodolphus, prepositus anno 1108, qui occiditur ab inimicis suis anno 1112, Liber ceruleus A, folio 3.
Mengodus, prepositus, anno 1118, 1131.
Rotardus, anno 1120 fit tandem episcopus Cameracensis; alibi ponitur Lutgardus; eodem anno alibi Lietardus.
Harbertus alias Hardbertus, anno 1132.
Conradus, frater Conradi imperatoris, prefuit anno 1145. Hic postea electus Pataviensis episcopus et inde archiepiscopus Salsburgensis.
Godefridus de Renen, prepositus, est electus episcopus anno 1156, moritur 27 maii anno 1178. *
Theodoricus de Hollandia, anno 1196 a quibusdam eligitur episcopus Traiectensis et moritur anno 1198, sepultus Ticini.3 *
Florentius de Hollandia, prefuit anno 1204.
Quo anno etiam quidam Ludovicus Maior prepositus praefuit, qui dedit decano et capitulo liberam potestatem, instituendi sacerdotes in 4 ecclesiis parrochialibus.
Otto de Lippia, anno 1212, electus episcopus Traiectensis. *
Theodoricus de Randerode, prefuit anno 1227 et 1247, cuius sigillum a me alibi expressum; 1239. Vide Librum album X, folio 14. *
Theodoricus de Wijckerode 1247.
Cuius predecessor Henricus, frater comitis Gelriae, inde episcopus Leodiensis. Liber D, diploma Latina, 70 sec.
Gobertus de Parweys, prefuit4 anno 1263 et adhuc anno 1266, 1250. Liber albus X, 40. Register 5, 29. *
Anno 1243 Theodoricus maior prepositus.
Adolphus de Waldeck, prefuit 1287, Liber q 28, anno 1289.
Hic anno 1301 a quibusdam est electus episcopus Traiectensis, sed Guido de Hannonia prevaluit, et Adolphus est eodem anno electus episcopus Leodiensis. Liber caeruleus, folio 38, 1280; 44, 1289.
Guillelmus Clivius vocatur prepositus Ultraiectensis anno 1302, in Burchii Guidone, pag. 190.
Engelbertus, prepositus et archidiaconus Traiectensis, in litteris de anno 1302, Liber albus 71.
Engelbertus (alibi Wilhelmus) de Hoorn obiit 20 decembris. *
Wilhelmus de Hoorn, prepositus anno 1304, occubuit bello Zeelandico, secundum Hedam.5
Theodoricus, 1311. *
Bartolomeus de Wassenaer, Theodorici filius, wort ontrent dese tijt Domproost genaemt, sed abusive, ut quidam Domheren qui in aliis tamen collegiis canonici.
Jacobus Osthornius, qui anno deinde 1322 eligitur episcopus.
Florentius de Jutdfaes, prefuit anno 1313, moritur 28 martii anno 1337, hic inchoavit domum in Doirn quae non longe post collapsa est. *
Henricus de Mierlaer, canonicus capitularis, eligitur a capitulo suo 6 aprilis anno 1337 prepositus Traiectensis.6 Hic refecit castrum in Doirn sumptu proprio, anno 1356 perfectum, et obiit anno 1362, ipso Agnetis. *
Swederus Uterloo, canonicus capitularis, 1363 eligitur et moritur 1378. *
Gijsbertus Cock, canonicus capitularis Traiectensis, eligitur post mortem Uterloo, et moritur 20 maii anno 1391. *
Wilhelmus de Coulster, cancellarius ducis Alberti, comitis Hollandiae, admissus est ad preposituram Traiectensem 21 maii anno 1392, et moritur 10 octobris 1399. *
Joannes de Montfort, admissus in octobri [13]99 ad prebendam et preposituram Traiectensem, per mortem Coulstri vacantem. Hic tandem resignavit et fit burchgravius, duxitque uxorem. Vide sigillum huius anno 1400, Liber albus X 153. *
Swederus de Culemborch, successit Montfordio 8 novembris anno 1414, qui anno 1424 eligitur episcopus, maiori tamen parte capituli reluctante. *
Prosper de Columna, Romanus, admissus ad preposituram 4 junii anno 1426 ex cessione Swederi; hic tandem fit cardinalis. *

1. In de transcriptie van deze lijsten wordt niet in voetnoten verantwoord, wat in de marge of tussen de regels geschreven staat. Zie de Inleiding.

2. Zie Bockenberg 1586.

3. Patavia doorgehaald.

4. Bovengeschreven: 1252. D. 6.

5. Heda 1612, 347.

6. In de marge: De hac electione vide litteras de anno 1337 in Libro albo, folio 68, 110.


Vertaling

Naamlijst van de proosten van de Domkerk1
St. Adelbert, zoon van de koning van de Deiren (?), en helper van Willibrord, de eerste Domproost, te Egmond begraven.
Craft, onder bisschop Frederik, in 838.
Ragenbold, proost onder Balderik, in 943.
Ik bezit de kroniek van het adellijke geslacht van Egmond waarin staat, dat Gijsbrecht, zoon van Walenger, Domproost is geweest omstreeks 1005. Maar omdat Bockenberg2 geen melding van hem heeft gemaakt, evenmin als de kronieken die in de volkstaal geschreven zijn, durf ik niets met zekerheid te zeggen.
Udo of Odo, proost in 1026.
Focco, proost onder bisschop Bernold in 1046.
Lanzo, proost onder bisschop Koenraad in 1086.
Ansfried, Domproost in 1063.
Ludolf, proost in 1081.
Lanzo, zie hierboven.
Arnoud, Domproost.
Rudolf, proost in 1108, werd door zijn vijanden vermoord in 1112; Liber caeruleus A, fol. 3.
Meingod, proost in 1118, 1131.
Rothard in 1120, hij werd later bisschop van Kamerijk; ergens wordt Ludger genoemd, en in het zelfde jaar ergens anders Lietard.
Harbert, ook Hardbert, in 1132.
Koenraad, broer van keizer Koenraad III, bekleedde het ambt in 1145, en werd later gekozen tot bisschop van Passau en vervolgens tot aartsbisschop van Salzburg.
Godfried van Rhenen, proost, is in 1156 tot bisschop gekozen; hij stierf op 27 mei 1178. *
Diederik van Holland, in 1196 werd hij door sommigen tot bisschop van Utrecht gekozen, en hij stierf in 1198; hij werd begraven in Pavia.
Floris van Holland bekleedde het ambt in 1204.
In dat jaar trad ook een zekere Lodewijk op als Domproost. Hij gaf de deken en het kapittel de vrije hand in het aanstellen van priesters in de vier parochiekerken.
Otto van Lippe, in 1212; hij werd gekozen tot bisschop van Utrecht.
Dirk van Randerode bekleedde het ambt in 1227 en 1247; zijn zegel is door mij elders afgebeeld; 1239, zie Liber albus X, fol. 14.
Dirk van Wijkerode 1247; zijn voorganger Hendrik was een broer van de graaf van Gelre, later bisschop van Luik. Liber D, latijnse oorkonde, fol. 70 e.v.
Gobert van Parweys bekleedde3 het ambt in 1263, en ook nog in 1266, 1250. Liber albus X, fol. 40, Liber Reg. fol. 5, 29.
In 1243 Dirk Domproost.
Adolf van Waldeck bekleedde het ambt in 1287 0 28, in 1289.
Hij is in 1301 door enkelen voorgedragen als bisschop van Utrecht, maar Gwijde van Avesnes (of Henegouwen) verkreeg de meerderheid, en Adolf is in hetzelfde jaar gekozen tot bisschop van Luik. Liber caeruleus, fol. 38, 1280; 44, 1289.
Willem van Kleef wordt Domproost genoemd in 1302 in Het leven van Guido, van [Lambert] Van der Burch, pag. 190.
Engelbert, proost en aartsdiaken van Utrecht, in een akte uit 1302. Liber albus, fol. 71.
Engelbert (elders Willem) van Hoorn, stierf op 20 december [1311].4
Willem van Hoorn, proost in 1304, sneuvelde in de oorlog om Zeeland, volgens Heda [pag. 230].
Dirk, 1311.
Bartholomeus van Wassenaar, zoon van Dirk, wordt omtrent deze tijd Domproost genoemd, ten onrechte, zoals sommige Domheren, die in andere kapittels kanunniken [heten].
Jacob van Oosthoorn [lees Oudshoorn] werd vervolgens in 1322 gekozen tot bisschop.
Floris van Jutfaas bekleedde het ambt in 1313; hij stierf op 28 maart 1337. Deze heeft een begin gemaakt met het huis te Doorn, dat niet lang daarna is ingestort.
Hendrik van Mierlaer, capitulair kanunnik, werd door zijn kapittel op 6 april 1337 gekozen tot Domproost.5 Hij heeft het kasteel te Doorn op eigen kosten herbouwd en voltooid in 1356. Hij stierf in 1362 op St. Agnes.
Zweder van Uterlo, capitulair kanunnik, werd gekozen in 1363 en stierf in 1378.
Gijsbert Cock [van Opijnen], capitulair Domkanunnik, werd gekozen na de dood van Uterlo en stierf op 20 mei 1391.
Willem van Coulster, kanselier van hertog Albrecht, graaf van Holland, is tot de Domproosdij toegelaten op 21 mei 1392 en hij stierf op 10 oktober 1399.
Jan van Montfoort is in oktober 1399 toegelaten tot de prebende en de Domproosdij, die vacant waren door de dood van Coulster. Hij heeft er later afstand van gedaan, want hij werd burggraaf en trad in het huwelijk. Zie zijn zegel in 1400, Liber albus X, fol. 153.
Zweder van Culemborg is Jan van Montfoort opgevolgd op 8 november 1414; hij werd in 1424 gekozen tot bisschop, maar de meerderheid van het kapittel verzette zich daartegen.
Prosper de Columna, uit Rome, is toegelaten tot de proosdij op 4 juni 1426, na afstand van Zweder; hij werd later kardinaal.

1. Vergelijkbare lijsten van proosten en dekens van de vijf kapittelkerken staan in Van de Water, I, 239-261, met aanvullingen op 752-755.

2. Zie Vermaseren 1955.

3. Bovengeschreven 1252. D. 6.

4. Hij was volgens Van de Water, I , 752 ook proost van Oudmunster.

5. In de marge: zie over deze verkiezing een akte uit 1337 in het Liber albus, fol. 68, 110.


Monumenta

Bladeren

Weergave