In de zomer van 1617 maakte de Utrechtse geschiedkundige Arnoldus Buchelius
(1565-1641) samen met zijn vrouw een uitstapje naar Groningen en Emden. Allebei waren ze tamelijk reislustig voor die tijd. Buchelius zelf had in Frankrijk gestudeerd en had daarna nog een reis naar Rome gemaakt. Samen met zijn vrouw Claesje van Voorst en
hun twee kinderen was hij in 1609 naar Antwerpen geweest, en alleen moet hij daarna nog vaker de Zuidelijke Nederlanden bezocht hebben. Hij had daar vrienden die dezelfde interesse voor geschiedenis en genealogie hadden.
In Parijs en Rome ging zijn belangstelling vooral uit naar oude Romeinse inscripties, die door geleerden in heel Europa werden opgetekend. Terug in Utrecht verlegde hij zijn aandacht naar middeleeuwse en latere opschriften, vooral op grafzerken. Die waren voor een groot deel in het Latijn. In Groningen en Emden maakte hij allerlei aantekeningen over de gebouwen, en uiteraard hoofdzakelijk grafschriften. Daarbij tekende hij ook de familiewapens na, liefst in kleur.
Wie Buchelius was, wordt in de beide vorige publicaties uitvoeriger beschreven. Hier beperk ik me tot wat relevante aspecten. Hij werd geboren als onechte zoon van een kanunnik, zoals in die tijd niet ongebruikelijk was. Zijn moeder trouwde met een landmeter, en gaf hem een goede opvoeding. Buchelius studeerde korte tijd rechten in Leiden, maar zette zijn studie voort aan een katholieke universiteit in Frankrijk. Pas veel later voltooide hij zijn rechtenstudie in Leiden, waarna hij zich in Utrecht als advocaat kon vestigen. In die tijd werd hij gereformeerd, en trouwde hij met Claesje van Voorst, de rijke weduwe van Valentijn van der Voort. Zij had uit dat huwelijk al een zoon, Jacob, en samen kregen ze ook een zoon, die betrekkelijk jong stierf.
Jacob studeerde in Orléans en noteerde daar enkele grafschriften die een plaatsje kregen in de Monumenta quaedam, midden tussen die van Leeuwarden en Groningen in. Zijn stiefvader Buchelius vermeldde daarbij dat ze door Jacob van der Voort in 1611 waren opgetekend, zonder verdere toelichting. Jacob trouwde toen hij afgestudeerd was, en woonde in Utrecht. Hij overleed tragisch genoeg kort daarna, toen Buchelius en Claesje op reis waren naar Groningen en Emden, of direct na hun thuiskomst. Claesje is daarna nooit meer op reis gegaan.
1617 was in de hele republiek een onrustig jaar door het hoogoplopende conflict tussen remonstranten en contraremonstranten. Op 23 juli nieuwe stijl koos prins Maurits partij door in de Kloosterkerk een preek van een contraremonstrantse predikant bij
te wonen.
Op 4 augustus diende Oldenbarnevelt zijn Scherpe Resolutie in, waardoor hij lijnrecht tegen Maurits kwam te staan. Op 15 juli (ofwel 25 juli oude stijl, die in Utrecht en Groningen aangehouden werd) was het echtpaar naar Amsterdam vertrokken, op weg naar
het noorden. Het nieuws uit Den Haag zal hen in Groningen overvallen hebben, maar al eerder was de sfeer ook in Utrecht zeer gespannen. In zijn reisverslag zegt Buchelius, die fel tegen de remonstranten was, hier niets over. In de praktijk was hij heel
tolerant. Hij logeerde in Groningen bij een bevriende katholieke arts.
Na de Monumenta passim (2002) en de Inscriptiones (2007) is de Monumenta quaedam het derde manuscript van Buchelius dat op internet gepubliceerd wordt. De Monumenta passim, in eerste instantie op de website van Het Utrechts Archief verschenen, was een overbekende bron. Al honderd jaar werd eruit geciteerd, omdat het belangrijke informatie verschaft over Utrechtse kerken en gebouwen en daarmee over Utrechtse families. De Inscriptiones trok vooral aandacht in Leiden, ook al zo'n honderd jaar, terwijl er in de andere Hollandse en Zuid-Nederlandse steden veel minder naar gekeken werd.
Samuel Muller
Nog minder bekend is het veel kleinere derde handschrift dat Buchelius in hetzelfde genre schreef. Het is maar spaarzaam in de literatuur te vinden. Toch had Samuel Muller er in 1886 al een artikel over geschreven onder de titel 'Een bezoek te Groningen
en Emden, in het jaar 1617'. Muller zorgde ervoor dat in de eerste jaren van de twintigste eeuw de 'Utrechtse' Monumenta passim en de Inscriptiones uit particulier bezit aangekocht werden, en in het gemeentearchief en de bibliotheek van
de Rijksuniversiteit te Utrecht veilig opgeborgen werden.
De 'Friese' Monumenta quaedam was in Mullers tijd eigendom van jonkheer mr. Frans J.J. van Eysinga te Leeuwarden. Wat Muller eruit overnam, besloeg nauwelijks drie gedrukte bladzijden en betrof de reis die Buchelius met zijn vrouw maakte vanuit Utrecht. Hij reisde over Amsterdam, stak de Zuiderzee over naar Zwartsluis en reed van daar met een huifkar of een koets door Drenthe naar Groningen. Bij Delfzijl stak hij over naar Emden, waar hij enkele dagen rondkeek. Muller liet "de talrijke afbeeldingen der door hem opgemerkte geslachtswapens op vensters en grafzerken, die hij volgens zijne gewoonte in zijn verhaal inlascht, weg". Hij beperkte zich tot de beschrijving van de reis, "eene beschrijving wèl kort … maar naar het mij voorkomt in vele opzichten belangrijk".
"Er komen enkele interessante mededeelingen in voor, b.v. die over het portret van den reformator a Lasco, - het bericht, dat te Emden op drie na alle huizen (behalve de kerken en publieke gebouwen) nog met riet gedekt waren, - het verhaal over Emdens verval sedert zijne aansluiting aan de Staten-Generaal, - de beschrijving der wapenkamer met hare 'isere getacte vlegels', - de vermelding der schilderijen, - het bericht over de geestelijke tooneelspelen, door de Groninger studenten tegen betaling van entrée opgevoerd, enz. Doch bovendien vindt men hier tal van aardige bijzonderheden: het Amsterdamsche pruimenverbod, dat aldaar in epidemieën nog inheemsch is, - de Groningsche stadsmuzikanten, op eene estrade voor het stadhuis tweemaal 's weeks in hun eigenaardig costuum liederen zingende, - de verbazing van Buchell, over de afwezigheid van ooievaarsnesten op de Emdensche daken, - dit alles behoort inderdaad tot de belangwekkende bijzonderheden, die men nergens elders vindt. En zoo twijfel ik niet, of het korte reisjournaal zal den lezer vermaken, gelijk het mij vermaakt heeft. S.M."
Wat Muller blijkbaar niet wist, was vlak voordat Aernout van Buchell en Claesje van Voorst weer in Utrecht teruggekomen waren, Jacob Valentijn van der Voort was overleden. Hij werd op 20 augustus 1617 overluid, dat wil zeggen dat bij zijn begrafenis de Domklokken geluid werden. Jacob was de enige nog levende zoon uit Claesjes eerste huwelijk, en dus Buchells stiefzoon. Zij hadden nu helemaal geen kinderen meer. Opmerkelijk is dat Buchelius in de Monumenta een ereplaats heeft gegeven aan de notities in Orléans, 'door Jacob van der Voort anno 1611 opgetekend'.
Op 20 of 21 augustus was Buchelius nog in Groningen. We weten dit uit een brief die Ubbo Emmius op 23 augustus schreef aan Janus Gruterus.1 'Ante biduum in colloquio amico fui cum viro insigniter erudito, iuris consulto Ultraiectino, cui nomen Buchornio, ni fallor' (Twee dagen geleden heb ik een vriendschappelijk gesprek gevoerd met een buitengewoon geleerde man, een advocaat uit Utrecht, Buchornius geheten, als ik me niet vergis). 'Natürlich ist Buchelius gemeint', schrijft de uitgever van de brief, prof. H. Brugmans. Het gesprek ging namelijk over de uitgave van de kronieken van Beka en Heda, waar Buchelius toen al aan werkte en waar ook Janus Gruterus bij betrokken was.
Muller publiceerde, zoals in de negentiende eeuw gebruikelijk was, de grotendeels Latijnse tekst van Buchelius zonder vertaling, maar wel met een aantal voetnoten, die in deze online-editie overgenomen zijn. Het gedeelte over Emden werd twee jaar later, in 1888, met vermelding van Muller, opgenomen in het Emder Jahrbuch. Het was 'Professor Dr. Kohlmann' die dit fragment uitgaf, ook weer zonder vertaling maar wel met waardevolle voetnoten. Hij ging daarbij uit van het origineel, met gebruikmaking van de transcriptie en de noten van Muller. Deze tekstpublicatie werd in hetzelfde Jahrbuch gevolgd door een vijftal grafschriften die 'Hauptlehrer de Vries in Emden' uit de Monumenta overgenomen had. Het ging, zoals deze schreef om 'bisher nicht bekannte, jetzt nicht mehr aufzufindene oder nur teilweise erhaltene Grabschriften in der Grossen Kirche zu Emden.' De Vries verrichtte geen aanvullend onderzoek, maar sindsdien was Buchelius een bekende bron voor onderzoekers in Emden.
Pathuis
Een belangrijke gebruiker van de Monumenta quaedam was de Groningse archivaris A. Pathuis. In zijn Groninger gedenkwaardigheden van 1977, p. 9, Lijst van afkortingen, verwijst hij ernaar als 'EVC = Rijksarchief Friesland. Archief
Eysinga-Vegelin van Claerbergen, inv. Nr. X 53. [over de jaren] 1611, 1622-1626. Met tekeningen, deels in kleuren.' Niet minder dan dertien inmiddels verdwenen opschriften in kerkramen of op grafstenen ontleende hij aan het handschrift van Buchelius. Deze
was zijn tijd ver vooruit met het noteren van zulke opschriften.
In zijn Inleiding, op p. 1, schrijft Pathuis, dat in 1839 zijn voorganger H.O. Feith sr. het plan opperde uitgaven te verzorgen, waarin opschriften van torenklokken en van grafzerken in de provincie Groningen zouden worden gepubliceerd. 'De gedachte om grafschriften te registreren dook ook in 1839 tussen Eems en Lauwers niet voor het eerst op. De te Utrecht wonende Arnoldus Buchelius, eigenlijk Aernout van Buchell, 1565-1641, had er zich mee bezig gehouden. De resultaten van zijn activiteiten te Groningen en elders bevinden zich in het rijksarchief in Friesland en in de bibliotheek der rijksuniversiteit te Utrecht.'
Aldus Pathuis, die in een voetnoot nog op een handschrift van Johannes de Witt wijst.
Hij vertelt er niet bij dat die zijn vriend Buchelius twaalf jaar voor was geweest. De Witt was in 1605 namelijk samen met zijn oom Jacob Foeck in Groningen geweest, en daarnaast ook in Leeuwarden. De aantekeningen die hij gemaakt had, schonk hij aan
Buchelius, die er dankbaar gebruik van maakte toen hij in 1617 zelf Groningen bezocht. Eigenlijk verdiende De Witt dus de eer, met zijn handjevol notities de eerste te zijn geweest.
Ze zijn met andere opschriften, die hij in Friesland, Gelderland en Holland opgetekend had, verzameld in een klein boekje,2 voorafgegaan door een briefje van 21 mei 1609 (p. 3). Het betreft aantekeningen gemaakt in Leeuwarden in de Grote Kerk en bij de Wirdumerpoort (p. 5-6), en in Groningen in de Martinikerk en de Aakerk (p. 7-9). Op p. 9 had hij erbij geschreven dat hij dit genoteerd had op 17 augustus 1605, in het gezelschap van zijn oom Jacob Foeck.