Samenstelling, materiële beschrijving, datering en provenance

De samenstelling van Monumenta quaedam
De Monumenta quaedam gaat ruwweg over de drie noordelijke steden Leeuwarden, Groningen en Emden. Maar evenals de Monumenta passim en de Inscriptiones is de Monumenta quaedam tamelijk onoverzichtelijk samengesteld. Anders gezegd, de oorspronkelijke opzet, die goed te herkennen is, wordt vaak doorkruist. Buchelius heeft vooraf een indeling gemaakt, die na verloop van tijd niet meer klopte. Voor de ene stad of kerk had hij teveel ruimte vrijgemaakt, voor de andere te weinig. Had hij te weinig ruimte, dan moest hij zijn aanvullingen een stuk verderop een plekje geven. Had hij ruimte over, dan vulde hij die vaak met onderwerpen die niets met het geheel te maken hadden.

We moeten dus niet gek opkijken als de Monumenta quaedam begint met Emden, om na Leeuwarden en Groningen weer te eindigen. Dat wil zeggen, niet helemaal, want de laatste bladzijden eindigen met Franeker en De Bildt. Nog vreemder is dat hij na Leeuwarden tien bladzijden heeft besteed aan de Franse universiteitsstad Orléans. Deze aantekeningen zijn geheel of gedeeltelijk gebaseerd op aantekeningen van zijn stiefzoon Jacob, die Orleans in 1611 bezocht. Zes daarvan komen overeen met de opzet van de Monumenta, het noteren van grafschriften, de andere vier zijn lijsten van Nederlandse studenten in de vijftiende eeuw. Daarop volgt dan weer een pagina (fol. 20r) met grafschriften uit Luik en Kamerijk, die eigenlijk thuishoren in de Inscriptiones. Het is geen wonder dat J.W.C. van Campen van Buchelius kon zeggen: ‘In zijn materiaal is hij tenslotte verdronken’.1 Hij maakte zelden een index, en daardoor raakte hij de weg kwijt in zijn notities.

Een tweedelig handschrift
Het handschrift2 bestaat uit twee zeer ongelijke delen:
1. Monumenta quaedam sepulcralia et publica, fol. 1-29.
2. Observationes ecclesiasticae sub presbyteratu meo, fol. 36-158.3
Deze Observationes behelzen een reeks persoonlijke verslagen van de kerkenraadsvergaderingen door Buchelius als ouderling van de gereformeerde kerk in Utrecht over de periode 18 juli 1622 – 29 okt. 1626, afgewisseld met aantekeningen over zijn activiteiten als ouderling. Het vervolg op deze Observationes heet Ecclesiastica Ultraiectina en bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek Utrecht: Cat. Tiele nr. 1053 (5 H 10): Arn. van Buchell, fol. 3r-118r. Deze vervolgaantekeningen lopen van 1626 tot 1638.
De Monumenta quaedam en de Observationes zijn samen gebonden in een perkamenten band. Het is waarschijnlijk de originele band van Buchelius zelf, maar er is geen letter of ander teken zoals hij ze vaak gebruikte, op te ontdekken. Het is daarom ook mogelijk dat de band in de achttiende eeuw een gemarmerde kartonnen kaft verving, zoals Buchelius ze ook wel had. Nieuw is het twintigste-eeuwse schutblad met het ronde watermerk ‘Pro patria’ en ‘Eendracht maakt macht’.

Het manuscript bevindt zich in het Tresoar te Leeuwarden, die de collecties van de Provinciale Bibliotheek en het Rijksarchief in Friesland beheert. Het maakt deel uit van het Familie-archief Eysinga-Vegelin van Claerbergen, en had sinds het jaar 1965 het inventarisnummer EVC 1323a. (De andere subnummers waren: 1323b Tractatus de Nobilitate, 1323c. Stam- en wapenboek, fragment, 1323d. Stam- en wapenboek, z.j.). In 2008 is de nieuwe inventaris van Barteld de Vries uitgekomen, en kreeg het boek het nieuwe nr. 3373. Het wordt op p. 296 beschreven onder de ‘Stukken verzameld door jhr. Idzert Frans van Eysinga (1794-1870)’.

Een paar bladzijden uit de Monumenta quaedam werden, zoals gezegd, door S. Muller in 1886 gepubliceerd in Oud-Holland. Een uittreksel van de Observationes gaf hij een jaar later uit in Bijdragen en mededelingen van het Historisch Genootschap (1887) p. 29-63.

Materiële beschrijving
Het manuscript van de Monumenta quaedam telt 49 beschreven bladzijden, met daartussen 7 blanco pagina’s. Totaal 56 bladzijden ofwel 28 bladen. Van de 56 bladzijden hebben er 36 een afbeelding, een tekening in inkt en waterverf, meestal van een wapen. 26 tekeningen zijn alleen blauw of geel ingekleurd, de meeste blauw, naar de grafsteen, een paar geel, naar de koperen of bronzen grafplaat. Alleen hier en daar is een tekening niet ingekleurd. Op niet meer dan tien bladzijden staan wapens in meerdere kleuren afgebeeld. In tegenstelling tot de twee andere manuscripten zijn in dit boek praktisch alleen wapens of grafzerken met eenvoudige figuren afgebeeld. Tekeningen of aquarellen van gebouwen, of van heiligenfiguren of stichters in kerkramen ontbreken volledig.

Het formaat is kwarto; het boek is ongeveer de helft kleiner dan de Monumenta passim en de Inscriptiones. Het boekblok meet 190 x 140 mm. Het eerste deel, de Monumenta quaedam, fol. 1-29v, wordt door vijf blanco folia, fol. 30r-34v, gescheiden van de Observationes, fol. 35r-157v. In deze beschrijving zal vooral de Monumenta nader bekeken worden. Hiervan zijn beschreven: fol. 2r-13r, 14r-16r, 17r, 18r-20r, 21r-22v, 24r-26v, 27v-29v. Het oude schutblad fol. 1r-v is blanco en vuil.

Het is moeilijk de katernen te onderscheiden, omdat het boek stijf ingebonden is en de katerndraden minder dan een centimeter van de onder- en bovenkant ingenaaid zijn. Maar ook die draden zijn niet altijd te zien. De katernen van de Observationes lijken merendeels uit acht bladen te bestaan. Hopelijk zal nader onderzoek meer helderheid bieden. Wat de Monumenta betreft, lijkt het te gaan om drie katernen van meer dan acht bladen:
- katern 1: fol. 1r-9v, 9 bladen. Fol. 9r lijkt aan 8v vastgeplakt te zijn en is vuil, de bovenrand is vergeeld en ingescheurd
- katern 2: fol. 10r-22v, 13 bladen. Vier blanco pagina’s: 13v, 16v, 17v, 20v
- katern 3: fol. 23r-34v, 12 bladen. Dertien blanco pagina’s: 23r-v, 27r, 30r-34v

De katerngrenzen vallen niet samen met de indeling van de tekst. Buchelius heeft dus in de Monumenta, onafhankelijk van de katernen, ruimte gereserveerd voor de verschillende plaatsen. Aan het eind heeft hij nog tien bladzijden vrijgehouden voor aanvullingen, voordat hij in 1622 begon aan zijn doorlopende kerkeraadsverslagen.

Custoden gebruikte Buchelius in de Monumenta quaedam lang niet overal, en merkwaardig genoeg iets vaker op de recto- dan de versozijde. Achtereenvolgens: 3v, 4v, 5r, 5v, 7r, 14v, 15r, 18v, 19r, 21r, 21v, 22r, 28r. Hij gebruikte ze vooral om aan te geven dat een gedicht of een lijst op de volgende bladzijde doorging, niet zozeer om losse bladen of katernen in de goede volgorde te kunnen binden. De foliëring is van de hand van Buchelius zelf.

De Monumenta ziet er buitengewoon verzorgd uit. Er zijn nauwelijks tien pagina’s aan te wijzen waar Buchelius kleine verbeteringen aangebracht heeft. Opmerkelijk is dat er geen aantekeningen van latere bezitters of gebruikers in voorkomen. Alleen Samuel Muller heeft door het hele boek heen, maar vooral in de Observationes, in de marge met potlood verticale strepen gezet langs de gedeelten, die hij in zijn tijdschriftpublicaties heeft opgenomen.

Datering
Bij de datering van de Monumenta quaedam wordt vaak het jaartal 1617 genoemd. In dat jaar bezocht hij met zijn vrouw Groningen en Emden en hij beschrijft die reis op fol. 21r-28v. Wat hij in Groningen optekende van grafschriften en dergelijke, vinden we op fol. 21v-25v, tussen zijn reisverhaal. Daarentegen staan de notities die hij in Emden maakte helemaal voorin, op fol. 2v-8r. Het is mogelijk dat hij al eerder alleen in Emden geweest was en dat die notities een paar jaar eerder te dateren zijn, op zijn vroegst in 1612, een jaartal dat op fol. 2v en 6r te vinden is.

Zijn verblijf in Leeuwarden valt vermoedelijk niet samen met de reis naar Groningen en Emden. Op fol. 11v staat een overlijden in november 1615. Buchelius zal dus niet lang daarna een keer in Friesland geweest zijn. Op de allerlaatste bladzijde, fol. 29v, noteert hij een overlijden in 1618 in De Bildt. Waarschijnlijk is hij kort daarna in Franeker en De Bildt geweest, mogelijk in combinatie met zijn bezoek aan Leeuwarden.

In juli 1622 heeft Buchelius een aantal bladzijden achter de Monumenta opengelaten, na fol. 29, en is op fol. 36 verdergegaan met de Observationes ecclesiasticae. Dat wijst erop dat hij na 1618 nauwelijks iets heeft toegevoegd aan zijn aantekeningen over de noordelijke provincies. Toen het boek een paar jaar ongebruikt had gelegen, heeft hij er de notities in zijn nieuwe functie als ouderling in geschreven.

Provenance
Het handschrift werd na Buchelius’ dood in 1641 door Cornelis Booth in zijn nalatenschap gevonden. In de door Booth opgestelde catalogus van Buchelius’ handschriften komt voor ‘in quarto, Acta presbyterii’, in de marge staat: ‘Onder neeff [Mr. Johan] van Nellesteyn’4 (UB hs. 1831). Een aantekening achterin het handschrift nr. EVC 1323a zelf staat de volgende aanwijzing over de herkomst: ‘Behoort an[no] 1796 aan U. van Burmania; present van den hr. H. Cannegieter, oud-professor (honorarius) te Franiquer’. Hoe deze hoogleraar aan het boek gekomen is, weten we niet. Maar het levensverhaal van die twee heren maakt wel iets duidelijk over het verdere verloop.

Hermanus Cannegieter (1723-1804) was sinds 1750 hoogleraar rechten, taal-, oudheid- en geschiedkunde in Franeker. In 1795, na het uitroepen van de Bataafse republiek werd hij door de patriotten uit zijn functie ontheven, maar werd in 1802 herbenoemd ondanks zijn hoge leeftijd.5 Ulbo van Burmania (1737-1816) was tot 1795 grietman van Leeuwarderadeel. Er zijn brieven van hem bewaard gebleven uit 1762-1763, toen hij in dienst van Maria Louise en later van Willem V was.6 Hij was een van de eerste leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letteren te Leiden in 1766 en zond een deel van zijn dichtwerk ‘Onbestendigheid van het Ondermaansche’ in.

In 1795 probeerde hij de bestuurlijke hervormingen tegen te houden, maar hij werd uit zijn ambt ontslagen en in 1798 zelfs gearresteerd. Sindsdien woonde hij ambteloos en kinderloos met zijn vrouw in Anjum op de Holdingastate. Hij was de laatste eigenaar van dit huis waar zijn familie sinds 1729 woonde. Inmiddels waren zijn schulden zo hoog opgelopen dat hij al zijn grondgebied verkocht en aan de kost probeerde te komen als schoolmeester.7

‘Volgens de signatuur’, aldus Barteld de Vries, ‘was de Monumenta (nr. 3373 van de nieuwe inventaris), eigendom van jhr. Idzert Frans van Eysinga (1794-1870)’. Het is waarschijnlijk dat Burmania het handschrift de laatste twintig jaar van zijn leven in zijn bezit gehouden heeft, en dat het na zijn dood aan Idzert van Eysinga gekomen is. Toen Burmania overleed, was Eysinga pas 22 jaar oud. Het is mogelijk dat hij het pas veel later verworven heeft.

De familie Van Eysinga was een van de bekendste adellijke geslachten in Friesland. De familie Vegilin van Claerbergen kwam pas in 1641 naar Friesland maar heeft drie eeuwen een belangrijke rol op bestuurlijk terrein vervuld. Door het huwelijk van Schelto van Eysinga met Catharina Vegilin van Claerbergen in 1750 werden de familiearchieven grotendeels samengevoegd. Belangrijke figuren waren Frans Julius Johan van Eysinga en zijn zoon Idzert Frans. Frans liet het Eysingahuis te Leeuwarden bouwen, waar hij zijn verzameling kunstvoorwerpen bijeenbracht. Zijn zoon Idzert (1794-1870) woonde in het Burmaniahuis in Leeuwarden. Idzerts zoon, die ook weer Frans Julius Johan (1818-1901) heette, was o.a. secretaris van de Ridderschap van Friesland. Hij heeft het Vegilin-archief, dat tijdens zijn leven was samengevoegd met dat van de Eysinga’s, ondergebracht in het Eysingahuis.

In 1858 had hij het plan een groot aantal handschriften te verkopen. ‘Of de opsteller van de lijst, de Leeuwarder archivaris Wopke Eekhoff, de Eysinga’s ervan heeft overtuigd om niets te verkopen, is niet uitgesloten’, meent De Vries (p. 25). Het Eysingahuis werd in 1879 gekocht door het Friesch Genootschap dat hier twee jaar later het Fries Museum opende.

Inventaris
In 1923 is het archief door de familie aan het Rijksarchief overgedragen en is met de inventarisatie begonnen, maar door de grote wanorde is die nooit voltooid. In 1965 maakte rijksarchivaris S.J. Fockema Andreae een Inventaris van de huis- en familiearchieven Van Eysinga-Vegilin van Claerbergen (inv. 35). Deze voorlopige getypte ‘beknopte’ inventaris bleek nauwelijks bruikbaar te zijn. De omschrijving die ruim veertig jaar gebruikt is van ons handschrift, luidde: “Nr. 1323 a Handschrift van A.B(uchelius) 1e Monumenta quaedam (Emden, Mariënburg, Leeuwarden Oldenhove, Orange8 (genoteerd door Jac. van der Voort, 1611) Groningen, Emden, Franeker), 2e Observationes ecclesiasticae van A.v.B. als ouderling te Utrecht, 1622-1626, 1 deel.”

In 1977 verzorgde A.P. van Nienes een Uitgebreide versie en supplement inventaris. Omstreeks 1990 besloot men tot een herinventarisatie, die pas in 2008 is afgesloten. De definitieve inventaris was die van Barteld de Vries, Het familiearchief Van Eysinga-Vegilin van Claerbergen, Leeuwarden 2008.


1 Van Campen 1940, p. XIII.

2 Ik dank Gisela Gerritsen voor het corrigeren van dit en het volgende gedeelte.

3 Het is de bedoeling, deze veel geraadpleegde bron hierna uit te geven.

4 In het familie-archief Martens van Sevenhoven bevindt zich de boedelinventaris van mr. Joh. van Nellesteyn (Brinkhuis dl.1, p. 23)

5 NNBW 10, k. 169-170.

6 Van Nienes 2002, nr. 103 (ook online).

7 Vuyk 2005, noot 69 (ook online), en NNBW 10, k. 169-170. Zie ook http://www.stinseninfriesland.nl/.

8 Zou moeten zijn: Orléans.

Collectie

Monumenta quaedam