De Monumenta-handschriften van Aernout van Buchel

Tussen 1610 en 1620 stelde de Utrechtse oudheidminnaar Aernout van Buchel of Buchelius (1565-1641) een drietal bijzondere handschriften samen met beschrijvingen en tekeningen van de grafzerken, wapenborden, inscripties en andere historische bijzonderheden die hij tegenkwam in de kerken en kloosters in de stad Utrecht, en daarbuiten in de provincie Utrecht en in diverse andere provincies van de Noordelijke Nederlanden. Hij had vooral belangstelling voor de genealogie en heraldiek van de oude Utrechtse geslachten. De handschriften zijn alle in het Latijn en beslaan in totaal bijna 700 bladzijden. Het meest bekend is het deel over de kerken in en om de stad Utrecht, de Monumenta passim in templis ac monasteriis Traiectinae urbis atque agri inventa, waarvan het origineel berust in de bibliotheek van Het Utrechts Archief (nr. XXVII L 1). Grafmonumenten uit kerken elders in het Sticht, in de gewesten Holland en Zeeland en in de Betuwe beschrijft hij in de Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa (Universiteitsbibliotheek Utrecht, hs. 1648). In het tweede deel van dit handschrift besteedt hij bovendien aandacht aan Antwerpen, Mechelen, Leuven en Brussel en een aantal kleinere plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden. Daarnaast bevat het nog enige andere aantekeningen en verhandelingen. Minder omvangrijk is het derde handschrift, de Monumenta quaedam sepulcralia et publica (Tresoar, Leeuwarden, hs. EVC 3373), dat handelt over kerken in Friesland, Groningen en Emden, alsmede in Luik, Kamerijk en Orléans.

De Monumenta van Aernout van Buchel
uit Utrechtse kerken (stad)
De Inscriptiones van Aernout van Buchel
uit kerken (o.a. provincie…
De Monumenta quaedam van Aernout van Buchel

De handschriften vormen een historische bron van grote waarde, niet alleen door de zorgvuldigheid waarmee Van Buchel te werk is gegaan maar ook omdat veel van hij aantrof later verloren is gegaan. Hij maakte zijn beschrijvingen en tekeningen meest op basis van eigen waarneming. Buiten het Sticht maakte hij echter ook wel gebruik van informatie van anderen. De gegevens zijn over het algemeen tamelijk betrouwbaar, maar een professionele tekenaar was hij zeker niet. Het gros van zijn gegevens verzamelde hij in het tweede decennium van de zeventiende eeuw, maar zowel de Monumenta passim als in de Inscriptiones bevatten nog tal van aanvullingen uit periode daarna, tot aan zijn dood in 1641.

Omdat de drie werken zo nauw verwant zijn en ook wel als drie delen van hetzelfde werk worden gezien, worden hier (met dank aan de Universiteitsbibliotheek en Tresoar) naast de tekst (transcriptie en vertaling) van de Monumenta passim ook die van de Inscriptiones en de Monumenta quaedam aangeboden.

De transcripties en de vertalingen zijn van de hand van dr. C.G.M. (Kees) Smit.

 

Collectie

Handschriften