Brief van Hardenbroek aan Belle


Archief van de familie Van Hardenbroek; inventarisnummer 457-c-32 1v-2v blanco; handschrift GJvH; opschrift (in de marge, linkerbovenhoek) lange tijd later toegevoegd in het handschrift van GJvH; ook in Griekse letters: 'dornal' (onduidelijk); in de rechterbovenhoek: '57'; in de rechteronderhoek: '88'.

Gijsbert Jan van Hardenbroek was tot nog toe onbekend als huwelijkskandidaat van Belle. Hij heeft Belle van jongsaf aan gekend en bewonderde haar al jaren voordat hij haar een aanzoek deed. Belle wees hem af. De brief is een antwoord op een brief van Belle waarin zij hem heeft gezegd dat hij zich haar weigering om met met hem te trouwen niet zo moet aantrekken.


Brief van Hardenbroek aan Belle

Transcriptie

Tout ce paquet concerne Mlle de Zuilen, à présent épouse de M. Charrière.

Cruelle, que dis-tu? Il m'en coûte peu, je t'aime peu! Ah! tout l'amour que tu peux inspirer, je le sens. Au premier moment que je te vis, ta beauté, tes grâces, ta voix m'enchantèrent, mon âme fut troublée et ravie; j'ignorais ton coeur, il aurait pu être perfide, volage; je t'aimais déjà, je t'aurais toujours aimée ... Mais non! ton âme était dans tes yeux; avec un coeur perfide tu n'aurais pas été si belle. C'est la vertu qui rendait ta beauté si touchante: elle avait part à mes hommages pendant que je ne voyais que ta beauté. Je te connus mieux et tu me parus encore plus belle. Quand je te voyais sensible, tendre, compatissante, mon coeur s'attendrissait avec le tien; je m'en estimais davantage pour aimer ce que tu aimais, pour pleurer avec toi. Alors j'étais faible. J'aurais voulu te dire: `Je t'estime, je t'adore'. `Elle me plaindrait', je disais-je, `je verrai couler ses larmes, et je serai moins malheureux'. Mais quand je te voyais, ferme, généreuse, renoncer à ce qui t'eut été agréable, pour faire ce qui était bien, j'apprenais à te cacher mon amour. Je parus te dédaigner pendant que je t'idolâtrais ... Jamais je ne te vis sans transport. Jamais te rencontrer, te voir passer, voir flotter tes habits quand je ne te voyais plus, n'a été pour moi une chose indifférente. A la fin des jours ma dernière pensée est à toi. Le soleil ne s'est point levé depuis que je te connais, sans me trouver occupé de toi. Je ne me suis jamais permis d'espérer un instant. Mais peut-on ne pas imaginer le bonheur? Je me dis sans cesse: je ne serai point heureux ... mais quelquefois je n'ai pu m'empêcher de me dire: si j'étais heureux! ah! Dieux ...
On dit que l'amour n'est point propre à rendre l'humain fortuné. Je ne le dirai pas; je ne prononcerai pas ce blasphème contre la nature, contre le sentiment qu'il ?? a mis dans nos âmes


Vertaling

Dit hele pakket betreft juffrouw Van Zuylen, tegenwoordig echtgenote van de Heer Charrière.

Harteloos wezen, wat zeg je? Kan het mij maar weinig schelen? Ik hou toch niet zoveel van je? Och, al de liefde die je iemand kunt geven, die voel ik. De allereerste keer dat ik je zag: je schoonheid, je elegantie, je stem, alles betoverde me. Mijn ziel werd onrustig en raakte in verrukking. Van jouw hart wist ik niets. Het was misschien wel te kwader trouw of onberekenbaar. Maar ik hield al van je. Ik zou altijd van je gehouden hebben ... Maar nee! Je ziel lag in je blik, met een verraderlijk hart was je nooit zo mooi geweest. Het was de deugd die je schoonheid zo ontroerend maakte. Terwijl ik alleen nog maar je schoonheid zag bewees ik ook al eer aan je deugdzaamheid.
Toen ik je beter leerde kennen werd je nog mooier in mijn ogen. Ik zag je vol tedere gevoelens, vol medeleven en mijn hart vertederde zich met het jouwe. Ik steeg in eigen achting omdat ik liefhad wat jij liefhad, omdat ik huilde als jij huilde. Toen was ik zwak. Ik had je willen zeggen: ik heb je hoog, ik aanbid je, maar ik maakte me wijs: `Ze zal me beklagen, ik zal haar tranen zien stromen en ik zal minder ongelukkig zijn'. Maar toen ik zag dat jij, sterk en edelmoedig, afstand deed van wat prettig voor je geweest zou zijn, om het goede te doen, toen leerde ik mijn liefde voor jou geheim te houden. Ik gaf de indruk op je neer te kijken terwijl ik je verafgoodde ...
Nooit heb ik je gezien zonder in vervoering te raken. Nooit is een ontmoeting met jou, een voorbijgaan, het wapperen van je kleren als ik je niet meer zag, iets onverschilligs geweest. Aan het einde van de dag is mijn laatste gedachte voor jou. Sinds ik je ken is de zon niet één keer opgegaan zonder dat ik met je bezig was. Ik heb mezelf nooit toegestaan ook maar enige hoop te koesteren. Maar het is toch onmogelijk je geen voorstelling van geluk te maken? Ik zei voortdurend tegen mezelf: `Ik zal nooit gelukkig worden'. Maar soms kon ik het niet helpen en zei: `Als ik eens gelukkig was! Oh God!'.
Er wordt wel gezegd dat de liefde niet geschikt is om de mens gelukkig te maken. Ik zal dat niet beamen. Die vloek tegen de natuur, tegen het gevoel dat hij in onze ziel gelegd heeft, zal door mijn mond nooit worden uitgesproken...


Belle van zuylen

Bladeren

Weergave