De fabel van de vlinder en de twee spinnen, 1r


Archief van de familie Van Hardenbroek, inventarisnummer 457-c 29 2v blanco, handschrift GJvH.

Belle schreef deze fabel naar aanleiding van een voorval in 1764, tijdens een bezoek aan het landgoed Westerhout bij Beverwijk. Belle portreteert zichzelf als de vlinder, die het slachtoffer wordt van twee spinnen, Adolf Werner van Pallandt en Jan Bost. De heren hadden enkele openhartige uitspraken van Belle verder verteld en de suggestie gewekt dat ze nachten bij haar op de kamer hadden doorgebracht. Bos liet de fabel uitbeelden in een tekening.


De fabel van de vlinder en de twee spinnen, 1r

Transcriptie

Fragment d'une Fable: Le Papillon et les deux Araignées

Un jeune papillon (trop jeune pour son âge)
Plus qu'aucun papillon imprudent et volage,
Volait mille plaisirs aux plus brillantes fleurs.
Très satisfait de soi, très vain de ses couleurs,
Rien n'arrêtait sa vive allure.
Il croyait que dans la Nature
Rien pour lui n'était inconnu.
Pourtant le monde il n'avait vu
Que par le trou d'une serrure.
Avoir du pré natal visité l'alentour
C'était dans son esprit avoir fait le grand tour.
Il s'amusait à la satire;
Au triste Limaçon il ne savait que dire,
Au léger Moucheron il avait bientôt dit,
L'un était trop pesant, l'autre trop bel esprit;
Et s'attachant à la chétive gloire
De divertir par de malins récits,
Il s'était fait, à ce que dit l'histoire,
Force censeurs, des flatteurs, peu d'amis.
Encore si, méprisant d'inutiles insectes,
Il eut sur ceux-là seuls fait tomber ses brocards!
Mais ce qui plus rendait ses maximes suspectes
A l'Abeille, aux Fourmis il montrait peu d'égards ...
Il ne respecte rien, rit de ceux qu'il admire,
Il n'est pas né méchant ... ah funeste gaieté!
Faut-il que ce penchant à rire
Entraîne tant d'iniquité?


Vertaling

Fragment van een fabel: De vlinder en de twee spinnen

Een jonge vlinder, te jong voor zijn leeftijd,
Meer dan andere vlinders onvoorzichtig en wispelturig,
Stal duizend genoegens uit de schitterendste bloemen.
Erg tevreden met zichzelf, erg trots op zijn kleuren,
Was er niets dat zijn energieke optreden kon remmen.
Hij geloofde dat in de natuur
Niets voor hem onbekend was.
Toch had hij de wereld slechts gezien
Door een sleutelgat.
De omgeving verkennen van de wei waar hij geboren was
Stond in zijn geest gelijk aan een reis naar Italië.
Hij vermaakte zich met satire.
Hij wist niet wat te zeggen tegen de trieste slak
En tegen het lichte vliegje was hij al snel uitgepraat,
De een was te zwaar op de hand, de andere een te verlichte geest.
En omdat hij waarde hechtte aan de kortstondige roem
Van mensen te vermaken door gemene verhaaltjes,
Had hij zich, naar de geschiedenis verhaalt,
Veel kritici en vleiers op de hals gehaald, weinig vrienden.
Had hij er zich maar toe beperkt nutteloze insecten,
Tot mikpunt te maken van zijn schimpscheuten!
Maar wat bovendien zijn uitspraken verdacht maakte:
Hij toonde weinig eerbied voor de bij en de mieren.
Hij heeft nergens respect voor, lacht om hen die hij bewondert,
Hij is niet kwaadaardig ... Ach wat een rampzalige vrolijkheid!
Is het echt nodig dat die neiging mensen uit te lachen
Zoveel onrecht met zich meebrengt?


Belle van zuylen

Bladeren

Weergave