283 Huis Rijnhuizen te Jutphaas 1245 1857 B.N. Leverland 283 Huis Rijnhuizen te Jutphaas Het Utrechts Archief Toegangstitel Inventaris van het archief van het Rijnhuizen te Jutphaas 1245-1857 (1935) Auteur B.N. Leverland Datering toegang ca. 1960 Datering bewerking 2003, 2011 Openbaarheid Volledig openbaar Rechtstitel Opneming in beheer van een particulier, niet in eigendom verkregen 2.9 Huizen en Heerlijkheden Rubrieken Huizen Categorie Inleiding Algemeen De voormalige ridderhofstad Rijnhuizen, gelegen in het Overeind van Jutphaas langs de Vaartse Rijn (tegenwoordig gemeente Nieuwegein), was leenroerig aan het Sticht als Gaasbeeks leen. Gedurende de zestiende eeuw was de ridderhofstad samen met de omringende ambachtsheerlijkheid het Overeind van Jutphaas in het bezit van het geslacht van Rijn van Jutphaas, dat in 1608 uitstierf met het overlijden van Johanna van Rijn van Jutphaas. Als kinderloos weduwe van Wouter van Baexen liet zijn deze bezittingen na aan haar nicht Wilhelmina van Riebeeck, die echter nog in hetzelfde jaar de ambachtsheerlijkheid het Overeind van Jutphaas verkocht aan Nicolaas de Malapert, een van de vele Zuid-Nederlanders die voor de Spanjaarden naar het Noorden uitweken. 1 Bij deze verkoop was niet inbegrepen de ridderhofstad Rijnhuizen, die met 14 morgen land een zelfstandige ambachtsheerlijkheid bleef uitmaken. Twaalf jaar later, in 1620, werden echter ridderhofstad en ambachtsheerlijkheid Rijnhuizen ook verkocht, en wel aan Hendrik van Tuyll van Serooskercke, heer van Serooskerke, Stavenisse enz. (inv.nr. 126). Lang is Rijnhuizen 1 niet in het bezit van het geslacht van Tuyll gebleven, want in 1654 verkoop Agnes van Reede, weduwe van Hendriks zoon Rienier, het goed aan Louis de Geer van Finspong, zoon van Louis de Geer van Finspong en Adrienne Gerard. Sindsdien is het goed in het bezit van het geslacht de Geer gebleven, totdat in 1943 de laatste de Geer van Rijnhuizen overleed, namelijk Ada Mathilda, weduwe van Gijsbert Carel Duco baron van Hardenbroek. Het goed ging toen over in het bezit van Meindert Repke van der Molen gehuwd met jkv. Ada Mathilda Rutgers van Rozenburg, een kleindochter van G.C.D. baron van Hardenbroek en jkv. A.M. de Geer van Rijnhuizen. Rijnhuizen Buiten de 14 morgen land rondom de ridderhofstad, welke het gerecht van Rijnhuizen uitmaakten, behoorden slechts weinig landerijen aan het huis, terwijl door de kleinheid van de ambachtsheerlijkheid de heerlijke rechten ook niet zo veel waard waren, Het aanstellen van schout, schepenen enz. had in de praktijk niet veel invloed, daar doorgaans de gezinsleden van de ambachtsheer en het personeel op de ridderhofstad de enige bewoners van het gerecht waren. Veelal ook waren de personen van schout en schepenen dezelfde als die van het omringende Jutphaas. Van de stukken uit de leenkamer van de ridderhofstad is slechts één leenakte uitgegeven door de heer van Rijnhuizen in het archief van de ridderhofstad bewaard gebleven. De leenkamer was slechts klein: zij omvatte niet meer van twee tiendcomplexen, namelijk de tiend van drie hoeven in het Overeind van Jutphaas en de tiend uit het erf Middeler onder Stoutenburg. 1 Van de rechten verbonden aan de ridderhofstad was het beheer van de armenfundatie van Jutphaas een der belangrijkste (inv.nrs. 174 t/m 186). Deze fundatie was in 1603 gesticht door Johanna van Rijn van Jutphaas, vrouwe van Rijnhuizen. De heren en vrouwen van Rijnhuizen waren beheerders van deze fundatie. Daarnaast hadden Rijnhuizens heren uit het geslacht van Tuyll van Serooskercke bereikt, dat Rijnhuizen ten aanzien van verschillende belastingen niet langer door het gerecht van Jutphaas gequotiseerd zou worden, maar dat de heren van Rijnhuizen voortaan de verschillende ongelden van de heerlijkheid rechtstreeks aan het kantoor van de Staten van Utrecht zouden voldoen, daar de ridderhofstad een zelfstandig gerecht was. Ook de heren uit geslacht de Geer hebben er voortdurend naar gestreefd de heerlijkheid tegenover het omringende Jutphaas zo zelfstandig mogelijk te maken. Overigens waren de bezittingen van de heren van Rijnhuizen (landerijen, huizen) niet gebonden aan de ridderhofstad, maar waren het in de loop der jaren verworven particuliere eigendommen van de opeenvolgende heren. De landerijen lagen in het Overeind van Jutphaas, de huizen voornamelijk in et Nedereind in het dorp Jutphaas. Patronaatsrecht over de kerk van Jutphaas Het belangrijkste van de verworven goederen en rechten was wel het patronaatsrecht over de kerk van Jutphaas. Dat patronaatsrecht kwam sedert de tweede helft van de dertiende eeuw toe aan het kapittel van Oudmunster te Utrecht door de overdracht ervan d.d. 1245 door Hisebrandus de Lentten aan dat kapittel (inv.nr. 238). In de zeventiende eeuw nu is, blijkens de bewaard gebleven archiefstukken, de toestand in dezen tamelijk ingewikkeld. 1 In 1635 blijkt Adriaan Ploos van Amstel, heer van Tienhoven, Oudegein enz., door de Staten van Utrecht met het patronaatsrecht over de Jutphaase kerk beleend te zijn. Naast deze belening door de Staten echter hebben deken kapittel van Oudmunster dit patronaatsrecht (dat zij in 1245 hadden verworven) nog weer in erfpacht aan Adriaan Ploos van Amstel uitgegeven. De moeilijkheid schuilt nu in het feit, dat de heer van Rijnenburg 1 op een of andere manier ook enige zeggenschap over dit patronaatsrecht schijnt te hebben verworven, getuige de vele geschillen tussen deze beiden over de benoeming van de predikanten en kerkmeesters en over het gevoerde beheer van de kerkelijke goederen. De heer van Rijnenburg noemt zich in die geschillen voortduren medepatroon van de kerk van Jutphaas. Bij alle akkoorden echter, gesloten tussen hem en de heer van Oudegein, trekt hij aan het kortste eind. Vermoedelijk is dat dus wel een der voornaamste redenen geweest waarom de heer van Rijnenburg dan in 1666 zijn helft van het patronaatsrecht verkoopt aan Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, die de strijd met Oudegein voortzet (inv.nr. 244). Tijdens al deze geschillen, voornamelijk over de predikantsbenoeming, probeerde ook nog de kerkeraad van Jutphaas - gesteund door de Classis van Utrecht - die benoeming telkens aan zich te trekken. In 1702 tenslotte kwam het patronaatsrecht in één hand doordat toen Carel de Geer heer van Rijnhuizen, zoon van de inmiddels overleden Louis, uit de nalatenschap van Gerard Ploos van Amstel de andere helft van het patronaatsrecht kocht. 2 Sindsdien zijn de heren van Rijnhuizen tot de afschaffing van dit recht bij de grondwetsherziening van 1922 in het bezit ervan gebleven. Het patronaatsrecht omvatte het recht om de predikant voor te dragen, het aanstellen van de kerkmeesters en van de koster-voorzanger-doodgraver- enz., controle op het beheer van het kerkelijk bezit en toezicht op het onderhoud daarvan en dergelijk meer. De kerk van Jutphaas is, naar blijkt uit het Rijnhuizens archief, nooit rijk met aardse goederen gezegend geweest. Grote uitgaven, veroorzaakt door herstelwerkzaamheden aan kerk of pastorie, dwongen in de loop van de zeventiende eeuw herhaaldelijk tot het nemen van hypotheken óp of tot verkoop ván stukken van het toch al geringe grondbezit. En bij een grote reparatie in het midden van de achttiende eeuw moesten de patroon van de kerk (de heer van Rijnhuizen), de ambachtsher van Jutphaas en een aantal notabelen bijspringen om het tekort te helpen dekken (inv.nr. 325) Stukken afkomstig van Cornelia Munter In het archief werd voorts nog een groep stukken aangetroffen, die met Rijnhuizen niets te doen hebben, maar die via het geslacht van Hardenbroek in Rijnhuizens archief terechtgekomen zijn. Het betreft hier een aantal stukken afkomstig van Cornelis Munter, raad en schepen van Amsterdam. Een afstammelinge van deze Cornelis - namelijk Anna Maria Munter - huwde in 1799 met Ernst Louis van Hardenbroek, een oudoom van Gijsbert C.D. van Hardenbroek die in 1880 met Ada Mathilda de Geer van Rijnhuizen huwde. Er zijn enkele stukken van persoonlijke aard bij, maar het merendeel bestaat uit (afschriften van) stukken waarvan Munter ambtshalve kennis had. Daaronder is een deel met namen van magistraten van Amsterdam vanaf ongeveer 1410 tot in 1673, vervaardigd rond het midden van de zeventiende eeuw. Indeling van de inventaris Bij de indeling van het archief is uitgegaan van het voor dit soort archieven gebruikelijke schema, waarbij de stukken worden ingedeeld al naar gelang ze van persoonlijke of van zakelijke aard zijn. De stukken van de eerste groep zijn geplaatst op naam van degenen van wie ze afkomstig zijn. De stukken van zakelijke aard zijn ingedeeld naar de rechten en bezittingen van de heren van Rijnhuizen, waarbij ook rekening is gehouden met de vraag of dezen de betrokken rechten en goederen qualitate qua bezaten dan wel als particulieren verworven hadden. In het aanhangsel tenslotte zijn ondergebracht de stukken zonder of zonder aanwijsbaar verband met het archief. Hier zijn ook de van Cornelis Munter afkomstige stukken ondergebracht. Achter de inventaris zijn enige genealogische tabellen opgenomen, namelijk van het geslacht de Geer met parallel daaraan die van de geslachten Karsseboom en Meinertzhagen voor zover van belang voor hun verwantschap onderling en met de Geer, en van een gedeelte van het geslacht van Hardenbroek met parallel daaraan die van het geslacht Munter voor zover nodig. Voor deze tabellen is, naast gegevens uit het archief zelf, gebruik gemaakt van het Nederlands Adelsboek en van De Vroedschap van Amsterdam door J.E. Elias. Over het geslacht de Geer zijn verschillende publicaties verschenen, voor welke verwezen mag worden naar het Genealogisch Repertorium van E.A. van Beresteyn. 1991B.N. Leverland Addendum (1) Het archief van het huis Rijnhuizen (omvang 3,2 m) is in 1991 in bewaring gegeven bij het voormalig Rijksarchief Utrecht. Voordien was het archief reeds geïnventariseerd door B.N. Leverland. Deze inventaris is in 2003 enigszins aangepast en waar nodig voorzien van deelbeschrijvingen. De volgorde van de beschrijvingen is nagenoeg ongewijzigd gebleven. Utrecht, 2003 Addendum (2) In 2010 is door M.J. van der Molen te Enschede een aanvulling op het archief van het huis Rijnhuizen (omvang 1,5 m) in bewaring gegeven aan Het Utrechts Archief. Deze aanvulling (voornamelijk met stukken uit de periode 1831-1977) is in 2011 in een afzonderlijke inventaris te beschrijven (toegangsnr. 1351). Enkele stukken zijn echter geïntegreerd in onderhavige inventaris. Het betreffen stukken van de heren van Rijnhuizen vóór Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen (1795-1828) en enige zakelijke stukken betreffende het huis en het landgoed. Deze betreffende stukken zijn ingevoegd in bestaande inventarisnummers of er zijn nieuwe inventarisnummers (met subnummering, -a) gemaakt. Er is tevens besloten om de stukken in de inventaris die betrekking hebben op Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen (1795-1828), Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen (1825-1884), Ada Mathilda de Geer (1857-1943) en Meindert Repke van der Molen (1901-1981), beschreven als inv.nrs. 67-84 en 87-112 (omvang 0,24 m), te integreren bij de betreffende stukken van voornoemde personen in de aanvulling. Een concordantie op deze inventarisnummers is als bijlage toegevoegd aan voornoemde inventaris. Utrecht, 2011T.L.H. van de Sande Inventaris 1. Stukken van persoonlijke aard 1.1. Stukken afkomstig van families waarvan leden heer of vrouwe van Rijnhuizen zijn geweest 1.1.1. Van Rijn en Jutphaas 1.1.1.1. Johanna van Rijn van Jutphaas, (( 1608) Overleed kinderloos. Zij was toen weduwe van Wouter van Baexen NB 1 Testament van Johanna van Rijn van Jutphaas, vrouwe van Rijnhuizen en Over-Jutphaas, gepasseerd voor notaris Antonie van Deuticum in 1607, notarieel afschrift, 1618. Met een afschrift, ca. 1620 1 omslag 1.1.2. Van Tuyll van Serooskerken 1.1.2.1. Reinoud van Tuyll van Serooskerken (( 1652) x Agnes van Reede (( 1692) Reinoud van Tuyll van Serooskerken, (( 1652), zoon van Hendrik van Truyll van Serooskerken en Jacomina Oem van Wijngaerden, huwde 7 juni 1636 met Agnes van Reede tot Drakestein (( 26 mei 1692), dochter van Ernst van Reede en Elisabeth van Utenhove. Zij hertrouwde in 1657 met Gerard van Reede. NB 2 Schuldbekentenis van René van Tuyll van Serooskerken, heer van Stavenisse, Rijnhuizen enz., ten behoeve van jonker Cornelis van Bam te 's-Gravenhage, 1646 1646 1 stuk 1.1.3. De Geer 1.1.3.1. Louis de Geer (1622-1695) x Johanna Parmentier (1634-1710) Louis de Geer (1622-1695), zoon van Louis de Geer en Adrienne Gerard, huwde in 1654 met Johanna Parmentier (1634-1710), dochter van Anthony Carel Parmentier en Elisabeth Vivien. In 1654 werd hij heer van Rijnhuizen door koop van de weduwe van Reinoud van Tuyll van Serooskerken. NB 3 Inventaris van stukken betreffende goederen in de provincies Utrecht en Groningen en betreffende obligaties ten laste van de provincie Utrecht van Louis de Geer van Rijnhuizen, en van dergelijke stukken met betrekking tot Louis de Geer de oude en Benjamin de Geer, (ca. 1689) (ca. 1689) 1 katern 4 Testament van Louis de Geer, 1684. Met codicillen, 1692-1694, enige in de Zweedse taal gestelde verklaringen, 1694-1698, een verklaring van Louis de Geers kinderen, dat zij met het testament akkoord gaan, 1698, en een ouder, herroepen testament, 1655 1 omslag 5 Akte, gepasseerd voor notaris Gerrit Houtman te Utrecht, waarbij Johanna Parmentier, echtgenote van Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, voogden over haar na te laten aanstelt, 1655 1655 1 stuk 6 Testament van Johan Wolters, gepasseerd voor notaris Nicolaas Listingh te Amsterdam, waarin hij tevens tot voogden over zijn onmondige kinderen aantstelt o.a. zijn zwager Louis de Geer, heer van Finspong, Rijnhuizen enz. Afschrift, 1669 1669 1 katern 7 Akte waarbij Johanna Parmentier, weduwe van Louis de Geer, in leven heer van Finspong en Rijnhuizen, aan haar kinderen toestaat de nalatenschap van hun vader te verdelen, maar zijzelf het beheer erover houdt en hun de jaarlijkse inkomsten ervan zal uitkeren, 1699, met verklaringen betreffende deze verdeling van Carel en Willem de Geer. Afschrift, 1699-1707 1699-1707 1 katern 8 Aantekening van Anthony Carel Parmentier betreffende twee rentebrieven ten behoeve van zijn dochters Johanna en Antonia, 1653 1653 1 stuk Johanna trouwde in 1654 met Louis de Geer NB 9 Akte van scheiding van de nalatenschap van Antonis Carel Parmentier, in leven heer van Heeswijk en Achthoven, tussen zijn vijf kinderen, 1666. Afschrift. Met een nadere boedelscheiding, 1685, een afschrift van een memorie betreffende een nog te verdelen gedeelte, 1685, en een aantekening betreffende enige nog in te brengen baten, [1685] 1 omslag 10 Akte van scheiding van de nalatenschap van Johan de Latfoeur tussen zijn erfgenamen, 1691. Met een kwijting voor door de executeurs-testamentair ten bate van de boedel ontvangen gelden, 1691, en een akte van nadere scheiding van de nalatenschap, 1692 1 omslag Tot de erfgenamen behoorde Johanna Parmentier, echtgenote van Louis de Geer van Finspong en Rijnhuizen NB 11 Inventaris van de nalatenschap van Paulus Vivien, 1674. Met drie brieven van Carel Parmentier aan zijn zwager Louis de Geer betreffende de verdeling van Viviens nalatenschap, 1674-1675 1674-1675 1 omslag Erfgenamen waren Carel Parmentier en zijn vier zusters, kinderen van Viviens zuster Elisabeth Vivien en Antony Carel Parmentier NB 1.1.3.2. Jan Jacob de Geer (1666-1738) x Jacqueline Cornelia van Assendelft (1682-1754) Jan Jacob de Geer (1666-1738), zoon van Louis de Geer en Johanna Parmentier (1.1.3.1), huwde in 1704 met Jacqueline Cornelia van Assendelft (1682-1754), dochter van Paulus van Assendelft en Petronella van der Esch. Na het overlijden van zijn broeder Carel de Geer in 1730 werd hij heer van Rijnhuizen. NB 12 Brief (?), ingekomen bij Jan Jacob de geer, z.j. Zweeds 1 stuk 13 Staat van het door Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, betaalde collateraal voor zijn legaat uit de nalatenschap van Carel de Geer, heer van Leufsta, Rijnhuizen enz, 1731 1731 1 katern 14 Testament van Jacquelinge Cornelis de Geer, geboren van Assendelft, gepasseerd voor notaris Gustaff Hierzeel te Stockholm, 1707 1707 1 katern 15 Stukken met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van Paulus van Assendelft, 1725-1731 1725-1731 1 omslag Paulus van Assendelft: vader van J.C. de Geer-van Assendelft NB 16 Memorie van in 1722-1723 aangekochte obligaties, [1723], en een memorie van rente-tegoed van obligaties ten laste van Holland en van de Generaliteit, [1724] 1 omslag 1.1.3.3. Jan Jacob de Geer (1714-1781) x 1e Constantia Clara Tamminga (1720-1753), x 2e Anna Theodora van Haeften (1721-1801) Jan Jacob de Geer (1714-1781), zoon van Jan Jacob de Geer en Jacquelinge Cornelia van Assendelft (1.1.3.2), huwde in 1737 met Constantia Clara Tamminga (1720-1753), dochter van Eger Tamminga en Constantia Isabella van der Meulen. In 1755 hertrouwde hij met Anna Theodora van Haeften (1721-1801), dochter van Barthold van Haeften en Margaretha van Lynden tot Hemmen. In 1738 werd hij, na het overlijden van zijn vader, heer van Rijnhuizen. NB 17 Traité de stereometrie enz. door Jan Jacob de Geer, 1730 1730 1 deel 18 Lijsten van uitgaven aan grondwerken, 1744-1746 1744-1746 2 stukken 19-19 Akte van scheiding van de nalatenschap van Constantie Clara de Geer, geboren Tamminga, tussen haar kinderen, gepasseerd voor notaris Jan Kol te Utrecht, 1762. Afschrift, 1764. In duplo 1762. Afschrift, 1764. In duplo 2 delen 19-1 Afschrift van 11 mei 1764 19-2 Afschrift van 12 oktober 1764 20 Rekeningen (met borderellen) van Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, over het door hem gevoerde beheer over de goederen van zijn zoon Jan Jacob, 1762-1772 1762-1772 1 omslag 21-21 Akte van scheiding van de nalatenschap van Jan Jacob de Geer, in leven heer van Rijnhuizen, tussen zijn weduwe en zijn kinderen, 1782. Afschrift. Met akte van huwelijksvoorwaarden tussen J.J. de Geer en Anna Theodora van Haeften, 1755, hun beider testament gepasseerd voor notaris Cornelis de Wijs te Utrecht, 1779, en met akte voor dezelfde notaris, waarbij J.J. de Geer zijn executeurs-testamentair aanwijst, 1772. Notarieel afschrift, 1781 1 deel en 1 omslag Alles in duplo, uitgezonderd de akte van huwelijksvoorwaarden NB 21-1 1781 1 omslag 21-2 1782 1 deel 22-22 Stukken betreffende de boedel van wijlen Walter Senserff en Johanna Elisabeth de Geer, 1731-1766. Met stukken betreffende het voldoen van de collaterale successie op de nalatenschap van Johanna Elisabeth de Geer, laatst weduwe van Jan Maximiliaan van Tuyll van Serooskerken, eerder weduwe van Walter Senserff, door Jan Jacob de Geer, 1767-1771 2 pakken De stukken van 1731-1766 zijn gemerkt D. De stukken van 1767-1771 zijn gemerkt S NB 22-1 1731-1766 22-2 1767-1771 1.1.3.3.7. Als executeur-testamentair van zijn moeder 23 Memorie van contant geld bevonden ten sterfhuize van Jacqueline Cornelia van Assendelft, weduwe de Geer, 1754 1754 1 stuk 24 Akten van verzegeling en ontzegeling van een bureau op Rijnhuizen door notaris G.J. van Spall uit Utrecht op verzoek van Jan Jacob de Geer als excuteur-testamentair van zijn moeder, 1754 1754 2 stukken 25 Kwijtingen voor Jan Jacob de Geer, excuteur-testamentair van zijn moeder Jacqueline Cornelia van Assendelft, gegeven door de erfgenamen voor het ontvangen van gedeelten van hun portie in de nalatenschap van genoemde J.C. van Assendelft, 1754-1758 1754-1758 1 omslag 26 Rekeningen en kwitanties ten laste van de nalatenschap van Jacqueline Cornelia van Assendelft, weduwe van de Geer, 1754-1757 1754-1757 1 omslag 27 Resolutie van de Staten van Holland en West-Friesland waarbij aan Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, uitstel wordt verleend tot het doen van aangifte van goederen en effecten, subject aan de 20e penning, uit de nalatenschap van zijn ouders, 1756 1756 1 stuk 1.1.3.3.8. Als excuteur-testamentair van zijn broeder Anthony 28 Verzoekschrift van Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van uitstel voor het doen van aangifte van de goederen en effecten, subject aan de 20e penning, uit de nalatenschap van zijn broeder Anthony de Geer, 1756. Met de memorie van goederen en effecten, de 20e penning subject, uit deze nalatenschap, 1757 1 omslag 28-a Rekeningen van Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, als voogd over de nagelatene kinderen van Jan Sadelijn en Jacquelina Cornelia de Geer, 1740-1761 1740-1761 1 deel en 1 portefeuille 1.1.3.4. Anthony Gustaaf de Geer (1745-1808) Anthony Gustaaf de Geer (1745-1808), zoon van Jan Jacob de Geer en Constantia Clara Tamminga (1.1.3.3) Na het overlijden van zijn vader in 1781 werd hij heer van Rijnhuizen. NB 29 Brieven, ingekomen bij Anthony Gustaaf de Geer, 1787 1787 1 omslag 30 Brief, uitgegaan van Anthony Gustaaf de Geer. Minuut, 1787 1787 1 stuk 31 Gedichten in het Latijn en Nederlands van Anthony Gustaaf de Geer, heer van Rijnhuizen, 1761-1808 en z.j. 1761-1808 en z.j. 1 omslag Meest gemaakt op familiegebeurtenissen en door hem bewoonde huizen NB 32 Calculatie wat aan yder geïnteresseerde in het fideicommis van vrouwe Margaretha Trip competeert in de renten gesproten uyt de furnissementen en de respective hefingen van het jaar 1796 tot 1801, [1802] [1802] 1 stuk Deelgerechtigd in deze nalatenschap waren o.a. de kinderen van Jan Jacob de Geer en Constantia Clara Tamminga. Zie ook inv.nr. 43 NB 32-a Kasboek, vermoedelijk van Anthony Gustaaf de Geer, 1769-1785 1769-1785 1 deel 32-b Register van ontvangsten van en uitgaven aan diverse handelaren en werklieden, 1782-1800 1782-1800 1 katern 33 Akte waarbij Anthony Gustaaf de Geer, heer van Rijnhuizen, de voogdij over de minderjarige kinderen van wijlen zijn zuster Jacqueline Cornelia de Geer, in leven gravin d'Aumale, overdraagt aan zijn broeder Barthold de Geer, 1787 1787 1 stuk 34 Akte van scheiding van de nalatenschap van Anthony Gustaaf de Geer, in leven heer van Rijnhuizen, tussen zijn erfgenamen, gepasseerd voor notaris Cornelis de Wijs te Utrecht, 1809. Met de rekening van ontvangsten en uitgaven betreffende deze nalatenschap, 1809, en procuraties van de erfgenamen op Everard Kol, die tijdens A.G. de Geers leven diens gemachtigde was, 1809. Notariële afschriften, 1809. In tweevoud 1809. Met de rekening van ontvangsten en uitgaven betreffende deze nalatenschap, 1809, en procuraties van de erfgenamen op Everard Kol, die tijdens A.G. de Geers leven diens gemachtigde was, 1809. Notariële afschriften, 1809. In tweevoud 1 pak 1.1.3.5. Jan Jacob de Geer (1750-1819) x Johanna Agatha de Meinertzhagen (1770-1856) Jan Jacob de Geer (1750-1819), zoon Jan Jacob de Geer en Anna Theodora van Haeften (1.1.3.3), huwde in 1789 met Johanna Agatha de Meinertzhagen (1770-1856), dochter van Jan Daniël de Meinertzhagen en Martha Johanna Nepvue (1.2.2.3.). NB 1.1.3.5.1. Algemeen 35 Doopbewijs van Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen, afgegeven door ds. Daniël Th. Huët van de Waalse kerk te Utrecht, [1781] [1781] 1 stuk 36 Attestatie als lidmaat van de Christelijk Gereformeerde kerk voor Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen, afgegeven door ds. H. de Haan Hugenholtz te Jutphaas, 1781 1781 1 stuk 37 Stukken betreffende de admissie van Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen tot lid van de Ridderschap van Utrecht en van zijn erkenning van te behoren tot de Nederlandse adel. Deels gedrukt, 1814-1817 1814-1817 1 omslag 38 Adelsdiploma van Willem I, koning der Nederlanden, waarbij hij Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, bij SB d.d. 28 augustus 1814 benoemd en geadmitteerd in de Ridderschap van Utrecht, met zijn nageslacht erkent te behoren tot de Nederlandse adel met het predikaat van jonkheer, 1817 febr. 26 1817 febr. 26 1 charter 39 Akte waarbij stadhouder Willem V aan Jan Jacob de Geer, brigadier in het escadron Gardes du Corps, toestemming verleent in het lopende seizoen te jagen in de Honsholredijkse vrijheid van jacht, 1772 1772 1 stuk 40 Akte van huwelijksvoorwaarden, gepasseerd voor notaris Cornelis de Wijs te Utrecht, tussen Jan Jacob de Geer en Johanna Agatha de Meinertzhagen, 1789. Met een afschrift en een staat van door Jan Jacob de Geer ingebrachte goederen, 1789 1789 1 omslag 41 Kennisgeving door zijn broeder Jan Jacob de Geer aan een niet nader genoemde 'cousin' van het overlijden van Anthony Gustaaf baron de Geer, heer van Rijnhuizen, 1808 1808 1 stuk 42 Rekeningen van de begrafeniskosten van Martha Johanna de Geer, dochter van Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, en J.A. de Meinertzhagen, met een lijkdicht door John Playter, 1810 1810 1 omslag (deels geliasseerd) Playter ondertekent met 'her eternal admirer' NB 43 Rekeningen met borderellen van de excuteurs-testamentair van Louis Trip de Marez over de door hem in vruchtgebruik bezeten fideicommissaire nalatenschap van Samuel de Marez en Margaretha Trip, in leven echtelieden, ten behoeve van de in deze nalatenschap gerechtigden, 1773-1790, 1796-1809 1773-1790, 1796-1809 1 pak De rekeningen nr. 5 en 6 over de jaren 1791-1795 ontbreken. Deelgerechtigd in deze nalatenschap waren o.a. de kinderen van Jan Jacob de Geer en Constantia Clara Tamminga. Zie ook inv.nr. 32 NB 44 Kwijtingen voor Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, gegeven door mede-gerechtigden in de nalatenschap van mr. L. Trip de Marez, in leven heer van Hagestein, wegens de fideicommissaire goederen herkomstig van Margaretha Trip, weduwe van Samuel de Marez, vrouwe van Maarsbergen, 1812 1812 2 stukken 45 Bekendmaking van de Commissaris-generaal van Binnenlandse Zaken aan Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, dat hij is gekozen tot notabele en als zodanig te Amsterdam mede zal stemmen over het ontwerp-Grondwet. Gedrukt, 1814 1814 1 stuk 46 Rekeningen van de begrafeniskosten van jonkheer Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, 1819-1820 1819-1820 1 omslag 47 Akte van scheiding van de nalatenschap van jonkheer Jan Jacob de Geer, in leven heer van Rijnhuizen, tussen zijn erfgenamen, gepasseerd voor notaris Christiaan Sanderson te Utrecht, 1820. In duplo. Met rechtskundige adviezen betreffende de verdeling van de nalatenschap, 1819, en met de provisionele boedelscheiding, (1819) 1 omslag 48 Brief van de bankiers Vlaer en Kol te Utrecht aan de vrouwe van Rijnhuizen, 1832 1832 1 stuk 49 Rekeningen voor Johanna Agatha de Meinertzhagen, weduwe van Jan Jacob de Geer, 1836-1856 en z.j. 1836-1856 en z.j. 1 omslag 50 Extract uit het register van overlijden van de gemeente Jutphaas betreffende het overlijden van Johanna Agatha de Meinertzhagen, weduwe van jonkheer Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen, 1856. Met de kennisgeving van het overlijden en de lijst vande hiervan in kennis te stellen personen, 1856 1856 1 omslag 51 Inventaris van de nalatenschap van Johanna Agatha de Meinertzhagen, weduwe van jhr. Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen, gepasseerd voor notaris Cornelis Govert de Balbian van Doorn te Utrecht. Notarieel afschrift, 1856 1856 1 katern 52 Akte van scheiding van de nalatenschap van Johanna Agatha de Meinertzhagen, weduwe van Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen, tussen haar erfgenamen, gepasseerd voor notaris Cornelis Govert de Balbian van Doorn te Utrecht. Notarieel afschrift, 1857 1857 1 katern 53 Inventaris en akte van scheiding van de nalatenschap van Martha Johanna Nepveu, eerst weduwe van Jan Daniël de Meinertzhagen en later van mr. Cornelis Karsseboom, tussen haar erfgenamen, gepasseerd voor notaris Hendrik van Ommeren te Utrecht, 1822. Met andere stukken betreffende deze nalatenschap, 1821-1826 1821-1826 1 omslag Martha Johanna Nepveu was de moeder van Johanna Agatha de Geer, geboren de Meindertzhagen NB 54 Kwitantie van de ontvanger van de 20e en 40e penning voor de schout van Rijnhuizen wegens betaald dienstbodengeld, 1783 1783 1 stuk 55 Kwitanties van de schout van Jutphaas voor de heer van Rijnhuizen wegens betaald Hoorn- en Boomgaardgeld enz. (onvolledig), 1782-1800 1782-1800 1 omslag 1.1.3.5.2. In verschillende ambten 1.1.3.5.2.1. Vaandrig der Gardes Dragonders 56-56 Commissie voor Jan Jacob de Geer tot vaandrig met de rang van luitenant in het regiment van de Gardes Dragonders door Willem V, erfstadhouder en kapitein-generaal van de Verenigde Nederlanden, 1768. Met akten van promotie, 1769, een verzoekschrift van J.J. de Geer ter verkrijging van ontslag uit militaire dienst en de akte van decharge voor hem als ritmeester met de rang van major, 1779. Deels gedrukt 1 charter en 1 omslag 56-1 1768-1779 56-2 1769 mei 22 1.1.3.5.2.2. Drossaard van het graafschap Buren 57-57 Commissie voor Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, tot drossaard enz. van het graafschap van Buren, 1779. Met de akte van decharge, 1781 1 charter en 1 stuk 57-1 1781 57-2 1779 juli 30 1.1.3.5.2.3. Maarschalk van het Overkwartier van Utrecht 58-58 Commissie voor Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, tot maarschalk van het Overkwartier van Utrecht door de stadhouder, 1781. Gedrukt. Met de commissie door de Staten van Utrecht en een afschrift van de instructie voor de Maarschalken aan Utrecht van 1623, 1781 1 charter en 1 omslag 58-1 1781 58-2 1781 okt. 12 59 Oproep voor Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, om als Maarschalk van het Overkwartier van Utrecht de eed van trouw aan de Representanten 's lands van Utrecht af te leggen, 1795 1795 1 stuk 1.1.3.6. Constantia Clara Charlotte de Geer (1792-1864) x 1e Jean Louis Karsseboom (1784-1817), x 2e Jacobus Douw Loke (1779-1837), x 3e Jan Carel van Waldkirck (1777-1841), x 4e Ewout van der Dussen (1791-1859) Constantia C.C. de Geer (1792-1864), dochter van J.J. de Geer en J.A. de Meinertzhagen (1.1.3.5), huwde in 1815 met Jean Louis Karsseboom (1784-1817), zoon van Jacques Karsseboom en Anna Maria von Meinertzhagen; in 1833 met Jacobus Douw Loke (1779-1837), zoon van Johannes Jacobus Douw Loke en Clara Jacoba Macquet; in 1840 met Jan Carel van Waldkirck (1777-1841), zoon van Leonard van Waldkirck en Sara Petronella van de Plaat; in 1844 met Ewout van der Dussen (1791-1859), zoon van Jacob van der Dussen en Henrica Catharina Repelaer. NB 60 Brief van Maria de Voule uit Genève, ingekomen bij Constantia Clara Charlotte van der Dussen, geboren de Geer (onvolledig), 1849 1849 1 stuk 61 Brieven met genealogische inlichtingen, ingekomen bij Jean Louis Karsseboom, 1811 en z.j. 1811 en z.j. 2 stukken 62 Brieven, waarschijnlijk uitgegaan van Jean Louis Karsseboom. Concepten, z.j. z.j. 2 stukken 63 Quaestiones juridicae inaugurales, proefschrift van Jean Louis Karsseboom bij zijn promotie tot doctor in de beide rechten. Gedrukt, 1808 1808 1 deeltje 64 Promotiebul van Jean Louis Karsseboom als doctor utriusque juris aan de Academie te Utrecht, 1808 juni 4 1808 juni 4 1 charter Het zegel is verloren NB 65 Diatribe in politices platonicae principia van Johan Lodewijk Willem de Geer. Gedrukt, 1810 1810 1 deel Met geschreven opdracht voor Jean Louis Karsseboom NB 66 Kennisgeving aan jhr. E. van der Dussen van het voorgenomen huwelijk tussen B.J.L. de Geer en C.A.A.L. van Asch van Wijck, 1846 1846 1 stuk 85 Stukken betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van Constantia Clara Charlotte de Geer, [1865], 1871, z.j. [1865], 1871, z.j. 1 omslag Het betreffen met name stukken met betrekking tot het aandeel van Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen (1825-1884) in deze nalatenschap NB 1.2. Stukken afkomstig van verwante families 1.2.1. Van der Dussen 86 Testament van Charlotte Ulrica van der Dussen, gepasseerd voor notaris Hendrik van Ommeren te Utrecht, 1829. Notarieel uittreksel, 1831 1829. Notarieel uittreksel, 1831 1 stuk Charlotta Urica van der Dussen was een dochter van Abraham Jacob (1705-1794) en Jacquelina Cornelia de Geer (1709-1761), dochter van Jan Jacob (1666-1738) en Jacqueline Cornelia van Assendelft (1682-1754). NB 1.2.2. Karsseboom 1.2.2.1. Algemeen 113 Extract genealogie van het oude Amsterdamsche geslacht Karsseboom, oorspronkelijk uit het zeer aanzienlijk burgemeesterlijk geslacht van Duinen, (1e helft 19e eeuw) (1e helft 19e eeuw) 1 omslag Het handschrift is dat van mr. Jean Louis Karsseboom, zoon van Jacob Karsseboom en Anna Maria Meinertzhagen NB 1.2.2.2. Richard Karsseboom (1633-1683) x Maria Spiering (1637-1705) Richard Karsseboom (1633-1683), zoon van Cornelis Karsseboom en Grietgen Rijckaertsdr. van Coot, huwde in 1666 met Maria Spiering (1637-1705), dochter van Cornelis Spiering en Maria Visch. (zie: Elias, Vroedschap van Amsterdam, dl. 2, 698). NB 114 Akte van huwelijksvoorwaarden tussen Rijckert Karsseboom en Maria Spiering, 1666 1666 1 stuk 1.2.2.3. Cornelis Karsseboom (1743 -( voor 1815) x Martha Johanna Nepveu (1749-1820) Cornelis Karsseboom (1743-( voor 1815), zoon van Cornelis Karsseboom en Helena Catharina Uylenbroek, huwde in 1794 met Martha Johanna Nepveu (1749-1820), weduwe van Jan Daniël Meinertzhagen, en dochter van Jan Nepveu en Johanna Agatha Ouderogge. (zie: Alg. Ned. Fam. Blad (1895) 78). NB 115 Rekeningen ten laste van Martha Johanna Nepveu, weduwe van mr. Cornelis Karsseboom, 1815 en z.j. 1815 en z.j. 1 omslag 116 Testament van Martha Johanna Nepveu, eerst weduwe van Jan Daniël Meinertzhagen, later mr. Cornelis Karsseboom, gepasseerd voor notaris Hendrik van Ommeren te Utrecht, 1817. Notarieel afschrift. Met codicil, 1818 2 stukken 1.2.2.4. Jean Louis Karsseboom (1784-1817) x Constantia Clara Charlotte de Geer (1792-1864) (zie ook 1.1.3.6) Jean Louis Karsseboom (1784-1817), zoon van Jacob Karsseboom en Anna Maria Meinertzhagen, huwde in 1815 Constantia Clara Charlotte de Geer (1792-1864), dochter van Jan Jacob de Geer en Johanna Agatha Meinertszhagen. NB 117 Overeenkomst tussen Martha Johanna Nepveu, weduwe en usufructuaire erfgename van mr. Cornelis Karsseboom, en mr. Jean Louis Karsseboom, erfgenaam van zijn oom mr. Cornelis Karsseboom, over het beheer van Cornelis Karssebooms nalatenschap, 1816 1816 1 katern 1.2.3. (De) Meinertzhagen 1.2.3.1. Algemeen 118 Genealogie van Meinertzhagen, opgesteld door mr. Jean Louis Karsseboom, 1806 1806 1 omslag Zie hierover: Alg. Ned. Fam. Blad (1895) 78 NB 1.2.3.2. Johan Meinershagen Johan Meinershagen moet geleefd hebben in de eerste helft van de zeventiende eeuw. NB 119 Kwijting door Friedrich Windthausen voor het ontvangen van twee termijnen van een som geld, bij testament door Johan Meinershagen aan de keurvorst van Keulen ter beschikking gesteld ten behoeve van de bouw van de Dom aldaar, 1643 1643 1 stuk 1.2.3.3. Johan Daniël de Meinertzhagen (1746-1782) x Martha Johanna Nepveu (1749-1820) Johan Daniël de Meinertzhagen (1746-1782), zoon van Jacob Daniël de Meinertzhagen en Johanna Christophora Cruys, huwde in 1769 met Martha Johanna Nepveu (1749-1820), dochter van Jan Nepveu en Johanna Agatha Ouderogge (zie: Alg. Ned. Fam. Blad (1895) 83). NB 120 Verzoekschrift van Martha Johanna Nepveu, weduwe van Johan Daniël de Meinertzhagen, aan burgemeesters en vroedschap van de stad Utrecht ter vergelijking van het burgerrecht van de stad voor zich en haar zoons Jan Jacob en Henri Louis, met apostille, 1791 1791 1 stuk 1.2.3.4. Jan Daniël de Meinertzhagen (ovl. 1820?) Jan Daniël de Meinertzhagen (ovl. 1820 te Paramaribo?) was een kleinzoon van Johan Daniël de Meinertzhagen (1746-1782) en Martha Johanna Nepveu (1749-1820). NB 121 Wapen der hooftplaats in de rivieren van Essequebo en Demerary, genaamt Stabroek, tekening mogelijk afkomstig van Jan Daniël de Meinertzhagen te Paramaribo, ca. 1820 ca. 1820 1 blad 1.2.3.5. J.L. De Meinertzhagen, gehuwd Berch Gravenhorst J.L. De Meinertzahgen was een kleindochter van Johan Daniël de Meinertzhagen (1746-1782) en Martha Johanna Nepveu (1749-1820). NB 122 Genealogische aantekening van J.L. Berch Gravenhort geboren De Meinertzhagen over haar afstamming uit Cornelis Cruys, admiraal in dienst van tsaar Peter de Grote, met een afschrift, z.j. z.j. 1 omslag Op een plankje geschreven. Haar grootvader Jan Daniël de Meinertzhagen (echtgenoot van Martha Johanna Nepveu) was een kleinzon van Cornelis Cruys NB 2. Stukken van zakelijke aard 2.1. Rechten en goederen behorend aan Rijnhuizen 2.1.1. De ridderhofstad en ambachtsheerlijkheid Rijnhuizen 2.1.1.1. Algemeen 123 Resolutie van de Staten van Utrecht betreffende de erkenning van huizen en hun bewoners als riddermatig, 1535. Notarieel afschrift, 1692. Met een notarieel afschrift van een brief van de Staten hierover aan de stadhouder-generaal, de graaf van Hoogstraten, d.d. 1535 en een lijst van de stichtingsjaren van vrije en riddermatige hofsteden onder Jutphaas, 1692 1 omslag 124 Memorie betreffende de verkoop d.d. 1608 van de ambachtsheerlijkheid van het Overeind van Jutphaas aan Nicolaas de Malapert door Johanna van Rijn, vrouwe van Jutphaas, onder voorwaarde dat de ridderhofstad Rijnhuizen c.a. een zelfstandige ambachtsheerlijkheid zal blijven, ca. 1730 ca. 1730 1 stuk 125-125 Akten van belening van de nagenoemde personen door de Staten van Utrecht met het goed Rijnhuizen c.a., 1608-1782 1608-1782 1 omslag en 5 charters 125-1 Hendrik van Tuyll van Serooskerken, heer van Stavenisse St. Annaland enz., na opdracht door Thyman van Suydoort en Wilhelmina van Riebeeck, echtelieden, 1620. Met volmacht voor Johan van Mijnden, gegeven door Thyman van Suydoort, tot transport van Rijnhuizen aan Hendrik van Tuyll van Serooskerken, 1620, en akte van belening van Reinoud van Tuyll van Serooskerken na de dood van zijn vader Hendrik, 1628. Extracten uit het leenregister 1 omslag 125-2 Wilhelmina van Riebeeck na de dood van Johanna van Rijn, 1608 mei 28 1608 mei 28 125-4 Carel de Geer van Leufsta na de dood van zijn vader Louis de Geer, 1701. Met een volmacht voor Willem de Geer, gegeven door zijn broeder Carel, om voor hem de belening te aanvaarden, 1701 okt. 1 1701 okt. 1 125-5 Jan Jacob de Geer na de dood van zijn oom Carel de Geer, 1731 nov. 24 1731 nov. 24 125-6 Anthony Gustaaf de Geer na de dood van zijn vader Jan Jacob de Geer, met volmacht door Anthony Gustaaf de Geer voor Meinardus Albertus Bentinck om voor hem de belening te aanvaarden, 1782 dec. 7 1782 dec. 7 125-3 Louis de Geer van Finspong na opdracht door Agnes van Reede, weduwe van Reinoud van Tuyll van Serooskerken, 1657 aug. 22 1657 aug. 22 126 Staat van aan Rijnhuizen behorende goederen en rechten met de kwijtingen van Wilhelmina van Riebeeck en haar weduwnaar Willem van Zuylen van Njjevelt voor Hendrik van Tuyll van Serooskerken, heer van Stavenisse, en diens weduwe wegens betaalde koopsom van Rijnhuizen en de aflossing van een daarop gevestigde lijfrente, 1620-1634. Met de akte van verkoop van Rijnhuizen c.a. aan Hendrik van Tuyll van Serooskerken door Wilhelmina van Riebeeck, 1621 1 omslag 127-127 Akte van verkoop van de ridderhofstad Rijnhuizen c.a. aan Louis de Geer van Finspong door Agnes van Reede, weduwe van Reinoud van Tuyll van Serooskerken, 1654 sept. 29. Met akte van willig decreet, kwijtingen voor de betaalde koopsom en andere op deze verkoop betrekking hebbende stukken, 1655-1659 1 omslag en 2 charters 127-1 1655-1659 127-2 1654 sept. 29 127-3 1655 april 7 128 Inventaris van de 'oude brieven ende bescheyden de ridderhofstad van Rijnhuysen raeckende', [1655] [1655] 1 stuk 129 Akte van afstand van het directum dominium over het dagelijks gerecht en de tins van de ridderhofstad en ambachtsheerlijkheid Rijnhuizen c.a. door Odilia van Wassenaar, vrouwe douariere van Loenersloot, ten behoeve van Louis de Geer van Finspong, die de ridderhofstad c.a. heeft gekocht van de vrouwe van Stavenisse, 1656 1656 1 stuk 130 Register ofte Manuaal, register met afschriften van resoluties van de Staten van Utrecht d.d. 1638 en 1650, waaruit blijkt dat de ridderhofstad Rijnhuizen c.a. een zelfstandig gerecht is ook inzake ongelden en dergelijke, onafhankelijk van het gerecht van Jutphaas, ca. 1652, met nog bijgeschreven een verzoekschrift, 1693 1 deel 131 Lijst van de gerechten behorende onder het Overkwartier van Utrecht, ca. 1790 ca. 1790 1 stuk 132 Huurcontracten, afgesloten door de heren van Rijnhuizen betreffende de ridderhofstad Rijnhuizen, 1716-1730 1716-1730 1 omslag 132-a Staat van de afmetingen van het huis Rijnhuizen, ca. 1865 ca. 1865 1 stuk 133 Schattingen van de waarde van Rijnhuizen c.a., ca. 1785-1857 en ca. 1900 ca. 1785-1857 en ca. 1900 1 omslag 133-a Rekening van de schade die de heer van Rijnhuizen geleden heeft, hem toegebracht door 'den Rijngraaf Zalm, het defensie-weezen en de Utrechtse onwettige regeerders' in 1787 1 stuk 134 Aanbesteding door de heer van Rijnhuizen van het schoonmaken van de sloten in en om de boomgaarden van Rijnhuizen, met kwijting van de uitvoerder, 1701 1701 1 stuk 135 Verzoekschrift van de heer van Rijnhuizen aan de Gedeputeerde Staten van Utrecht ter verkrijging van een verbod om zijn aanplantingen op Rijnhuizen te beschadigen en verlof om een premie uit te loven voor hen, die aanwijzingen over de daders kunnen geven, met bijlage, 1754 1754 1 lias 136 Aantekeningen van Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, betreffende de door hem gedane aanplantingen op Rijnhuizen, ca. 1760 ca. 1760 1 stuk 137 Aantekeningen betreffende de heerlijkheden Het Overeind en het Nedereind van Jutphaas en de ridderhofstad Rijnhuizen, ca. 1780 ca. 1780 1 omslag Gedeeltelijk afschrift uit de Tegenwoordige Staat enz. deel XXXII (1772) NB 138 Extract uit het register der besluiten van Gedeputeerde Staten van Utrecht betreffende de verdeling en het bestuur van de gemeenten in de provincie, 1816. Met een gedrukte circulaire van Gedeputeerde Staten van Utrecht betreffende het reglement van organisatie van het platteland in de provincie, 1816, en een reglement op het bestuur ten plattelande, 1825 1 omslag 139 Uittreksel uit de perceelsgewijze legger der gemeente Jutphaas. Gedrukt, 1892 1892 1 stuk 140-140 Plechtbrieven op Rijnhuizen en onderhorige landerijen, 1616-1653, afgelost door Louis de Geer, 1655-1656. Met kwijtingen voor betaalde renten, 1652-1655 9 charters (waarvan 5 getransfigeerd) en 1 omslag 140-1 1652-1655 1 omslag 140-2 1616 aug. 5 140-3 1618 mei 1 140-4 1618 mei 9 140-5 1620 mei 6 en 1647 juni 28 2 charters (getransfigeerd) 140-6 1650 sept. 26 140-7 1636 nov. 19, 1639 jan. 21 en 1653 sept. 12 3 charters (getransfigeerd) 2.1.1.2. Leenkamer van Rijnhuizen Het leenregister van Rijnhuizen 1596-1784 was voorheen opgenomen als inv.nr. 2061 van de rechterlijke archieven NB 141-141 Akte van belening van Jacob van Renesse van Baer met een tiend van drie hoeven land in het Overeind van Jutphaas leenroerig aan het huis Rijnhuizen, door Johanna van Rijn weduwe van Wouter van Baex, vrouwe van het Overeind van Jutphaas en Rijnhuizen, 1599. Met afschriften, 1599, (18e eeuw) 1599. Met afschriften, 1599, (18e eeuw) 1 charter en 1 omslag 141-1 1599, (18e eeuw) 141-2 1599 jan. 22 Zie regest nr. 10 NB 2.1.1.3. Ongelden betreffende Rijnhuizen 142 Verzoekschrift van Cornelis van Ravenswaey, schout van het Nedereind van Jutphaas, als concierge van Jacobina van Wijngaerden, vrouwe van Rijnhuizen, aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van een verbod aan het Gerecht van het Overeind van Jutphaas om Rijnhuizen in de quotisatie van het Overeind te stellen, daar Rijnhuizen een zelfstandige ridderhofstad met een eigen gerecht is, met apostille, 1635. Met extracten uit de Statenresoluties d.d. 1592 en 1629 1 lias 143 Verzoekschrift van Reinoud van Tuyll van Serooskerken, heer van Rijnhuizen aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van vrijstelling van quotisatie door het gerecht van het Overeind van Jutphaas, waarna hij zelf zijn ongelden zal betalen, met apostille, 1639. Notarieel afschrift. Met een verzoekschrift van dezelfde om de 14 morgen land van Rijnhuizen niet meer onder het Overeind van Jutphaas te rekenen maar apart te stellen, met apostille, 1648, en een afschrift van beide verzoekschriften, ca. 1655 1 omslag 144 Memories van Gijsbert van Bijlevelt, rentmeester van Rijnhuizen, omtrent de betaling van de ongelden van Rijnhuizen rechtstreeks aan het comptoir van de Staten van Utrecht. Origineel en afschrift, 1682-1685 1682-1685 1 omslag 145 Verzoekschrift van Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van een ordonnantie aan het gerecht van het Overeind van Jutphaas om Rijnhuizen uit het kohier van enkel huisgeld van Over-Jutphaas te royeren, met apostille, 1694 1694 1 stuk 146 Kennisgeving van Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, aan de Staten van Utrecht dat de ongelden over 1727 en gedeeltelijk van 1728 door hem voldaan zijn, 1730 1 stuk 147 Verzoekschrift van Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van een appointement dat hij op een bepaalde quote zal worden gesteld voor het Gemaal en het Klein Zegel, zoals dat ook voor de overige ongelden ten laste van Rijnhuizen is vastgesteld, met verbod aan het gerecht van Jutphaas om hem in deze lasten te quotiseren, 1740. Met advies van het Hof van Utrecht, dat Rijnhuizen in deze ongelden bij provisie gecombineerd moet blijven met Jutphaas, maar dat het gerecht van Jutphaas de heer van Rijnhuizen evenzo voor deze omslag moet convoceren als de ambachtsheren van de andere gerechten, die in deze ongelden met Jutphaas gecombineer zijn, 1741. Met andere stukken betreffende dit geschil tussen de heer van Rijnhuizen en het gerecht van Jutphaas, 1740-1741 1740-1741 1 omslag 148 Biljetten van door de heer van Rijnhuizen aan de schout van Jutphaas betaald Gemaal en Klein Zegel. Gedrukt, 1738-1740 1738-1740 1 omslag 149 Zetting van het gemaal-, zegel-, logiesgeld enz. over de ridderhofstad en ambachtsheerlijkheid Rijnhuizen, 1749-1751 1749-1751 1 omslag 150 Verzoekschrift van Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van toestemming om de Middelen van Consumptie voortaan rechtstreeks aan de Staten te voldoen, met apostille, 1767 1767 1 stuk 151 Kwitanties van ontvangers van de Generale Middelen en van het Klein Zegel voor de schout van Rijnhuizen wegens betaalde ongelden over Rijnhuizen (onvolledig). Gedrukt, 1782-1788 1782-1788 1 omslag 152 Blafferds van het oudschildgeld van het gerecht van Rijnhuizen, 1690 en 1767. Met een memorie over het oudschildgeld. Met een extract uit het oudschildboek van het Overkwartier van Utrecht, 1725 1 omslag 153 Kohier van de haarsteden op Rijnhuizen, 1693 1693 1 stuk 154 Biljetten van haarstedegeld in het Overeind van Jutphaas, door de heer van Rijnhuizen betaald aan de schout van Jutphaas. Gedrukt, 1751, 1782-1788, 1796-1797 1751, 1782-1788, 1796-1797 1 omslag Het biljet van 1751 is voldaan door de toenmalige huurder van Rijnhuizen NB 155 Biljetten van grondlasten, te betalen door de gebruikers, door de heer van Rijnhuizen betaald aan de schout van Jutphaas. Gedrukt, 1685-1687, 1693-1714 1685-1687, 1693-1714 1 omslag 156 Uitzetting van de Rijnslag en dorpslasten van het Overeind van Jutphaas, 1739 1739 1 stuk 157 Volmacht voor Jan Willem de Groot gegeven door Anthony Gustaaf de Geer, heer van Rijnhuizen, om in zijn naam ten overstaan van de daartoe gestelde commissarissen te verklaren dat hij de honderdste penning van zijn bezittingen betaald heeft, 1796 1796 1 stuk 2.1.1.4. Aanstellen van Leengriffier, schout, schepenen en secretaris 158 Commissie voor Willem van der Houve tot leengriffier van het huis en de heerlijkheid Rijnhuizen door Reinoud van Tuyll van Serooskerken, heer van Rijnhuizen, 1652, met bevestiging dezer commissie door Agnes van Reede, weduwe van Reinoud van Tuyll van Serooskerken, ca. 1653. Met afschriften van de commissie door Reinoud van Tuyll van Serooskerken, ca. 1652, en de commissie door Louis de Geer van Finspong, heer van Rijnhuizen, 1665 1 omslag 159 Commissie voor Philibert van Ravenswaay tot schout van de heerlijkheid Rijnhuizen door Louis de Geer van Finspong, heer van Rijnhuizen, 1666 nov. 3 1666 nov. 3 1 charter 160 Commissie voor Gerard Jan van Spall tot leengriffier en tot schout en secretaris van de ridderhofstad en ambachtsheerlijkheid Rijnhuizen door Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, 1741 1741 1 stuk 161 Verzoekschrift van Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van toestemming om personen uit omringende gerechten tot schepen van de ambachtsheerlijkheid Rijnhuizen te mogen aanstellen, met apostille, 1743 1743 1 stuk 2.1.1.5. Stukken betreffende de werkzaamheden van de schout 162 Afrekeningen van de schout (sinds 1808 rentmeester) van Rijnhuizen aan de heer van Rijnhuizen, 1782/1783-1791/1792, 1793/1794-1801/1802 en 1808/1809-1816. Met bijlagen 1 omslag 163 Rekeningen van de schout van het Nedereind van Jutphaas van alle ongelden aldaar, 1661 en 1663-1665 1661 en 1663-1665 1 omslag 164 Rekening van de schout van Jutphaas betreffende de omslag van 2 gulden per morgen voor de aanleg van een verlaat in het Nedereind van Jutphaas, 1647-1649 1647-1649 1 katern 165 Kwitanties van de schout van Jutphaas voor de heer van Rijnhuizen wegens het voldoen van de buitengewone omslag over gronden in de Oudegeinse polder, 1699-1701 1699-1701 2 stukken 166 Aanschrijvingen enz. van de Staten van Utrecht aan de schout van Rijnhuizen, 1680-1770 en 1810 1680-1770 en 1810 1 omslag (deels geliasseerd) 167 Kwitantie van de rentmeester-generaal van de Domeinen van Utrecht voor de schout van Rijnhuizen wegens betaald paardegeld. Gedrukt, 1783 1783 1 stuk 168 Verklaring van Philibert van Ravenswaay, schout van Rijnhuizen, betreffende de lijkschouw van een in de gracht van Rijnhuizen verdronken kind, 1669 1669 1 stuk 2.1.1.6. Stukken betreffende jachtrecht Deze stukken hebben geen betrekking op het jachtrecht verbonden aan Rijnhuizen, maar op jachtrecht in het algemeen. Zij zijn echter hier geplaatst, omdat dit de meest redelijke plaats ervoor is. NB 169 Plakkaat waarbij de jacht op hazen en veldhoenders op de Veluwe verboden wordt voor hen, die niet van adel zijn of niet beschreven in de ridderschap. Afschrift, 1560 1560 1 stuk 170 Resoluties van de Staten van Utrecht betreffende het recht van ambachtsheren om een hondenslager aan te stellen en betreffende het jachtrecht van de heer van Groenewoude. Afschrift, 1678 1678 1 stuk 170-a Lijst van gekwalificeerden tot de jacht in de seizoenen 1753-1794 1 stuk 2.1.1.7. Stukken betreffende de waterstaat 171 Verzoekschrift van de heer van Rijnhuizen aan de Watergraaf en Deputaten tot de schouw van de Vecht enz. ter verkrijging van toestemming om een steiger bij Rijnhuizen te doen herstellen, 1730 1730 1 stuk 172 Verzoekschriften van de heer van Rijnhuizen aan de Watergraaf en Deputaten tot de schouw van de Vecht enz. ter verkrijging van toestemming voor de aanleg en het herstel van een beschoeiing langs Rijnhuizen, 1760-1768 1760-1768 2 stukken 173 Verlof van de Watergraaf aan Cornelis Schaly, molemaker, om zijn houtvoorraad in de Vaartse Rijn te mogen leggen naast het land van de heer van Rijnhuizen, 1769 1769 1 stuk 173-a Publicatie door de Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht over het verbod voor schippers op de Vaartse Rijn om, zonder toestemming van de eigenaar, aan te leggen aan percelen, en de aanwijzing gebruik te maken van de palen die tussen het dorp Jutphaas en de Doorslag langs de walkant van landgoed Rijnhuizen zijn aangebracht, 1842. Gedrukt 1842. Gedrukt 1 stuk 2.1.2. Stichtingen verbonden aan de ridderhofstad 2.1.2.1. De armenfundatie van Jutphaas 2.1.2.1.1. Algemeen 174 Extract uit het testament d.d. 1607 van Johanna van Rijn van Jutphaas, vrouwe van Rijnhuizen en het Overeind van Jutphaas, betreffende de door haar gestichte armenfundatie te Jutphaas, 1686. Afschrift, ca. 1750 1 stuk 175 Lofdicht op Johanna van Rijn van Jutphaas, vrouwe van Rijnhuizen en het Overeind van Jutphaas, wegens haar armenfundatie te Jutphaas, ca. 1615. Afschrift. Met twee latere afschriften, ca. 1625 en (18e eeuw) 1 omslag 176 Notariële verklaring, dat Martha Johanna de Meinertzhagen weduwe van Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen en haar beide zoons rechtens de beheerders zijn van de armenfundatie van Jutphaas. Afschrift, 1855 1855 1 stuk 2.1.2.1.2. Goederen van de fundatie 177 Rentebrief groot 100 gulden per jaar, losbaar met de hoofdzom van 2000 gulden, ten behoeve van de armenfundatie van Jutphaas gevestigd door Thyman van Parys van Zuydoort en Wilhelmina van Riebeeck, echtelieden, heer en vrouwe van Rijnhuzen, gevestigd op 14 morgen land behorend aan Rijnhuzen, 1619 juni 3 1619 juni 3 1 charter 178 Eigendomsbewijzen van obligaties verkregen door de armenfundatie van Jutphaas, met stukken betreffende vroegere eigendomsovergangen, 1649, 1698-1736. Met een afschrift van een inventaris van obligaties behorende aan de armendunfatie, 1774 1 omslag 179 Verzoekschrift van Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, aan de Staten van Utrecht tot het verkrijgen van toestemming om de inkomsten van een vicarie in de kerk van Jutphaas, staande ter collatie van de heer van Rijnhuizen, over te dragen aan de armenfundatie te Jutphaas, welker uitdelingen ter collatie van Rijnhuzen staan, 1663. Met een akkoord tussen Reinoud van Tuyll van Serooskerken en de erfgenamen van Maria van Byler over een kapitaal behorend aan genoemde vicarie, 1642 2 stukken 180 Memorie betreffende het goed van de armenfundatie van Jutphaas over de jaren 1782-1807 en 1808 1 stuk 2.1.2.1.3. Beheer van de fundatiegoederen 181 Rekening van ontvangst en uitgave betreffende de vijf vrije woningen van de armenfundatie te Jutphaas, welke fundatie aan Rijnhuizen behoort, 1761-1821 en 1828-1855 1761-1821 en 1828-1855 1 deel 182 Kwitanties van renten betaald aan de armenfundatie van Jutphaas wegens inschrijving op het Grootboek der Nederlanden, 1829-1855 1829-1855 1 omslag 183 Verzoekschrift van Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, aan de Staten van Utrecht tot het verkrijgen van vrijstelling van het huisgeld voor een huisje bij de kerk van Jutphaas, waarvan hij de inkomsten heeft bestemd voor de armenfundatie van Jutphaas, z.j. (na 1731). Met een overeenkomst tussen J.J. de Geer en Barbara van Til, weduwe van Thulden, betreffende het bewonen van dit huisje door de genoemde weduwe van Thulden, 1731 1731 2 stukken 184 Afwijzende beschikking van kining Lodewijk Napoleon op de verzoekschriften van enige Instellingen van Liefdadigheid w.o. de armenfundatie van fundatie ter verkrijging van vrijstelling van de verponding, 1809 1809 1 stuk 2.1.2.1.4. Rentmeester van de fundatie 185 Instructie voor de rentmeester van de armenfundatie te Jutphaas betreffende de uitdelingen. Met de minuut, ca. 1750 ca. 1750 2 stukken 186 Commissie voor Philibert van Ravenswaay, schout van Jutphaas en Rijnhuizen, tot rentmeester van de armenfundatie te Jutphaas, gegeven door Louis de Geer, heer van Finspong en Rijnhuizen, 1666 1666 1 stuk 2.2. Rechten en goederen behorend aan de heren van Rijnhuizen 2.2.1. Overeind van Jutphaas 187-187 Akte van overdracht van 14 morgen land in het Overeind van Jutphaas aan Hendrik van Tuyll van Serooskerken, heer van Stavenisse enz., door Thyman van Parys van Zuydoort en Wilhelmina van Riebeeck, echtelieden, 1620. Met een oudere akte van overdracht van 8 morgen land, gemeenschappelijk liggende met de bovengenoemde 14 morgen land, 1485 2 charters Deze 14 morgen land vormen het gerecht van de ridderhofstad Rijnhuizen NB 187-1 1485 nov. 19 Zie regest nrs. 7 en 8 NB 187-2 1620 okt. 30 188 Akte waarbij Johanna van Rijn van Jutphaas, weduwe van Wouter van Baexen, vrouwe van Rijnhuizen, en Willem Adriaansz van Dijck uit Utrecht een aan hen gemeenschappelijk toebehorend perceel land in het Overeind van Jutphaas laten splitsen, waarbij ieders deel ruim 4 morgen groot wordt, 1605 sept. 8 1605 sept. 8 1 charter 189-189 Akte van verkoop van 4 morgen land in het Overeind van Jutphaas aan Jacomina Oem van Wijngaarden, weduwe van Hendrik van Tuyll van Serooskerken, in leven heer van van Rijnhuizen, door Jan van Schaick, 1630. Met goedkeuring van het Hof van Utrecht en de akte van overdracht, 1630. Met een oudere akte van verkoop en overdracht, 1605-1606, en twee akten waarbij Jan van Schaick dit land met renten bezwaart, 1624 en 1627 4 charters en 1 omslag 189-1 1605-1606, 1630 1 omslag 189-2 1606 jan. 22 189-3 1624 nov. 27 189-4 1627 juni 21 189-5 1630 april 10 190 Akte van verkoop van ca. 4 morgen land in het Overeind van Jutphaas aan Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, door deken en kapittel van St. Pieter te Utrecht, 1656. Met kwijting voor de ontvangst van de koopsom, 1657, en enige stukken betreffende de verhuring van dit land door deken en kapittel van St. Pieter, 1639-1645 1 omslag Staat in verband met inv.nr. 191 NB 191-191 Akte van verkoop van 6 morgen land in het Overeind van Jutphaas aan Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, door Adriaan van Dijck en Cornelis Portengen, waarin tevens sprake is van een transport van 4 morgen land in het Overeind door het kapittel van St. Pieter te Utrecht aan Louis de Geer ten gebruike van Adriaan van Dijck, 1657; met kwijting, 1658. Met akte van overdracht, 1658, en een oudere akte van overdracht van een gedeelte van genoemde 6 morgen land, 1631 2 charters en 1 katern Staat in verband met inv.nr. 190 NB 191-1 1657-1658 1 katern 191-2 1631 juni 18 191-3 1658 april 15 192-192 Akte van overdracht, ten overstaan van schout en schepenen van het Overeind van Jutphaas, van een halve hoeve land ter grootte van ruim 9½ morgen gelegen in het Overeind van Jutphaas aan Reinier van Tuyll van Serooskerken, heer van Rijnhuizen enz., door Willem van Hemerden als gemachtigde van het St. Barbara-, het St. Laurens- en het St. Bartholomeusgasthuis te Utrecht, 1643. Met twee kwijtingen door de huismeesters van de genoemde gasthuizen aan Reinout van Tuyll van Serooskerken voor de ontvangst van de afkoopsom van de erfpacht van deze halve hoeve land, 1643, akten van uitgifte in erfpacht door bewaarders van bovengenoemde gasthuizen aan de eigenaars van Rijnhuizen van deze halve hoeve land, 1568-1628, een akte van verkoop van o.a. deze erfpacht, gewaarmerkt en ongewaarmerkt afschrift, 1608, en een memorie betreffende het voldoen van de erfpachtscanon, 1621 7 charters en 1 omslag 192-1 1608, 1621, 1643 1 omslag 192-2 1568 aug. 2 Zie regestnr. 9 NB 192-3 1608 mei 27 192-4 1616 nov. 18 192-5 1620 nov. 3 192-6 1627 mei 16 192-7 1628 mei 24 192-8 1643 april 27 193-193 Akte van verkoop van ca. 2½ morgen land in het Overeind van Jutphaas in de polder van Oudegein aan Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, door Isaac Schaly, 1740. Met akte van overdracht, 1744, en een oudere akte van verkoop, 1726 1 charter en 2 stukken 193-1 1726, 1740 193-2 1744 aug. 25 194-194 Akte van verkoop van de plaats Over-Rijn c.a. in het Overeind van Jutphaas aan Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, door Hendrik van Dijk, 1752. Met akte van overdracht, 1752, en stukken betreffende vroegere eigendomsovergangen, deels in afschrift, 1682-1709 2 charters en 1 omslag 194-1 1682-1709, 1752 194-2 1682 aug. 1 194-3 1752 nov. 6 195 Akte van belening van Anthony Gustaaf de Geer, heer van Rijnhuizen, door de Staten van Utrecht met het huis Wynestein c.a. in het Overeind van Jutphaas, 1782 dec. 7 1782 dec. 7 1 charter 196 Huurcontract afgesloten door de heer van Jutphaas betreffende de plaats Overrijn in het Overeind van Jutphaas aan de Vaartse Rijn, 1807. Met een concept, 1789 2 stukken 197 Huurcontract afgesloten door de heer van Rijnhuizen betreffende het huis Weijlust in het Overeind van Jutphaas, 1807 1807 1 stuk 198 Akten van openbare verpachting van de boomgaarden van Rijnhuizen, 1702-1729 1702-1729 1 omslag De boomgaarden liggen zowel in het Over- als in het Nedereind van Jutphaas NB 199 Pachtbrieven gegeven door de heer van Rijnhuizen betreffende 10 morgen bouwland en 2 kampen weiland in het Overeind van Jutphaas achter Rijnhuizen, 1678-1735 1678-1735 1 omslag 200 Pachtbrieven gegeven door de heer van Rijnhuizen betreffende 8½ morgen land in het Overeind van Jutphaas achter Rijnhuizen, 1783-1806 1783-1806 2 stukken 201 Pachtbrieven gegeven door de heer van Rijnhuizen betreffende 2½ morgen weiland in het Overeind van Jutphaas in de Oudegeinse polder, 1806-1807 1806-1807 2 stukken 202 Huurcontract afgesloten door Ada Mathilda de Geer van Rijnhuizen, vrouwe van Rijnhuizen, weduwe van G.C.D. baron van Hardenbroek van Lockhorst, betreffende ruim 4¾ ha. Boomgaardland genaamd Geinoord te Jutphaas, 1935 1935 1 katern 203 Rekening van J. Brugman voor Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, voor het opstellen c.a. van pachtvoorwaarden 1732 1 stuk 204 Akte van verkoop van 24 morgen land en boomgaard in het Overeind van Jutphaas aan Pieter de Malapert, heer van Jutphaas, door Willem de Geer als gemachtigde van zijn broeder Carel de Geer, heer van Rijnhuizen. Afschrift (onvolledig), 1725 1725 1 stuk 205 Aantekening betreffende de overdracht van 1 morgen weiland in het Overeind van Jutphaas aan W. van Utenhove door Anthony Gustaaf de Geer, heer van Rijnhuizen, ca. 1790 ca. 1790 1 stuk 206 Verzoekschrift van Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van toestemming tot het planten van enige bomen in het Overeind van Jutphaas aan de kant van de Rijndijk, met apostille, 1744 1744 1 stuk 207 Aanbesteding door de heer van Rijnhuizen van het graven van een sloot en het zinken van een perceel weiland, 1700. Met de kwijting van de aannemer voor de ontvangst van zijn geld, 1701 1 katern 208 Gunstige beschikking van de Commissaris-generaal van Oorlog op het verzoekschrift van enige landeigenaars in Jutphaas, w.o. de heer van Rijnhuizen, om met uit de Vaartse Rijn opgebaggerde modder hun land te mogen verbeteren zonder die landerijen op te hogen, 1822. Met een ouder, afgewezen, verzoekschrift, 1822 1822 2 stukken 209 Contract tussen Pieter de Malapert, heer van Jutphaas, met Jan Jacob de Geer als gemachtigde van zijn broeder Carel de Geer, heer van Rijnhuizen, enerzijds en het gerecht van het Overeind van Jutphaas anderzijds betreffende de aanleg en het onderhoud van een steenstraat tussen Plettenburg en de Rijnbrug in Jutphaas, 1700. Met bijlagen, 1700 1700 1 omslag 210 Verzoekschrift van Jan Jacob de Geer aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van een bevel aan Johan de Pauw om het door hem geïnde huisgeld over een huis in het Overeind van Jutphaas aan de heer van Rijnhuizen te restitueren, 1688, met afwijzend apostille, 1689. Met een kwijting voor het voldoen van achterstallig huisgeld, 1674 2 stukken 211 Akkoord tussen de schout van Jutphaas en Johannes de Pauw betreffende het innen van de ongelden van Jutphaas over de jaren 1667-1673 door Johan de Pauw, 1671 1671 1 stuk 212 Biljetten van ongelden van het Overeind van Jutphaas door de heer van Rijnhuizen betaald aan de schout van Jutphaas, 1675-1681, 1683-1690, 1692-1740, 1752, 1782-1788, 1795-1797 en 1801. Gedrukt. Met een kwijting van de schout van Jutphaas voor de heer van Rijnhuizen wegens het voldoen van over de jaren 1656-1666 achterstallige ongelden van het Overeind van Jutphaas, 1688 1 pak 213 Extract uit de legger van de verponding van ongebouwde eigendommen in de gemeente Jutphaas, 1812 1812 1 stuk 214 Uittreksel van de perceelsgewijze kadastrale legger van de gemeente Jutphaas, 1884. Met een kennisgeving van de uitkomsten van een meting van twee verenigde percelen, 1883 2 stukken 2.2.2. Nedereind van Jutphaas 215-215 Akte van verkoop van een huis c.a. aan de Rijndijk in het Nedereind van Jutphaas aan Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, door Adriaantje Anthonisdr. van Woerden, weduwe van Evert Jansz van der Steege, 1667. Met de akte van overdracht, 1667, en een oudere akte van overdracht, 1665 2 charters en 1 stuk 215-1 1667 215-2 1665 okt. 21 215-3 1667 mrt. 24 216-216 Arrest van het Hof van Utrecht waarbij Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, wordt bevestigd in het bezit van het huis van de kinderen van wijlen Jan Willemsz aan de Rijndijk in het Nedereind van Jutphaas, in het openbaar ten verzoeke van Willem Verheul verkocht wegens schuld aan genoemde Verheul en door Louis de Geer gekocht, 1675. Met de akte waarbij Jan Willemsz dit huis met een rente bezwaarde, 1643, afgelost, 1678 2 charters 216-1 1643 mrt. 16 216-2 1675 sept. 13 217-217 Akte van openbare verkoop van een huis aan de Rijn in het Nedereind van Jutphaas aan Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, door de exploiteur van de Staten van Utrecht, 1682. Afschrift. Met de akte van overdracht, 1682, en de rekening van de secretaris van Jutphaas voor Louis de Geer wegens zijn werkzaamheid in dezen, 1682 1682 1 charter en 2 stukken 217-1 1682 217-2 1682 juli 5 218-218 Koopcontract tussen Pieter van Soest, verkoper, en Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, koper, betreffende een daglonershuisje c.a. bij de kerk van Jutphaas naast de armenhuisjes, 1757. Met de akte van overdracht, 1757, en de kwijting voor het voldoen van de koopsom, 1757 1757 1 charter en 2 stukken 218-1 1757 218-2 1757 dec. 14 219 Akte van openbare verkoop van de grafstede nr. 96 in de kerk van Jutphaas aan de heer van Rijnhhuyzen door de executeur-testamentair van Pieter Stoffelsz van Cattenbroek, 1772. Met de kwijting voor de betaalde koopsom, 1772, en een oudere akte van verkoop met kwijting, 1700 1 omslag 220 Huurcontract afgesloten door de heer van Rijnhuizen betreffende een huisje bij de kerk van Jutphaas, 1686. Met verlengingen, 1698-1731 1698-1731 1 stuk Zie ook inv.nr. 227 NB 221 Huurcontracten afgesloten door de heer van Rijnhuizen betreffende een huis nr. 2 staande aan de Rijn in Jutphaas, 1730-1735 1730-1735 2 stukken 222 Huurcontracten afgesloten door de heer van Rijnhuizen betreffende een huis aan de Rijn in het dorp Jutphaas, 1776-1779 1776-1779 1 stuk 223 Huurcontracten afgesloten door de heer van Rijnhuizen betreffende een huis aan de Rijn in het dorp Jutphaas, 1777-1779 1777-1779 1 stuk 224 Huurcontracten afgesloten door de heer van Rijnhuizen betreffende vijf huizen in het Nedereind van Jutphaas, 1807 1807 1 omslag 225 Akte van openbare verkoop van zes huizen aan de Rijn in het Nedereind van Jutphaas en 2½ morgen weiland in het Overeind van Jutphaas door Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, 1809 (gewaarmerkt afschrift). Met verzoekschrift van J.J. de Geer aan het Departementale Hof van Utrecht tot het verkrijgen van toestemming deze onder fideicommis staande huizen te mogen verkopen, met apostille. Afschrift, 1809 1809 2 katernen 226 Akte van verkoop van een huis aan de Rijndijk in het Nedereind van Jutphaas aan Matthias van Roijen door Willem de Geer als gemachtigde van zijn broeder Carel de Geer, heer van Rijnhuizen, 1724 1724 1 stuk 227 Kwitanties van enkele en dubbel huisgeld voor een huisje bij de kerk van Jutphaas ten laste van Maria Walraven-Wales. Deels gedrukt, 1723-1732 1723-1732 1 omslag Zie ook inv.nr. 220 NB 228 Biljetten van enkel en dubbel huisgeld in het Nedereind van Jutphaas door de heer van Rijnhuizen betaald aan de schout van Jutphaas. Gedrukt, 1684-1738 1684-1738 1 omslag De biljetten van 1691, 1699 en 1709 ontbreken NB 229 Biljetten van haardstedegeld in het Nedereind van Jutphaas door de heer van Rijnhuizen betaald aan de schout van Jutphaas. Gedrukt, 1693-1740, 1782-1788, 1795-1799 en 1800 1693-1740, 1782-1788, 1795-1799 en 1800 1 omslag 230 Biljetten van ongelden van het Nedereind van Jutphaas door de heer van Rijnhuizen betaald aan de schout van Jutphaas. Gedrukt, 1782-1785, 1787-1788, 1795-1797, 1801 1782-1785, 1787-1788, 1795-1797, 1801 1 omslag 2.2.3. Stad Utrecht 231 Akte van institutie door de officiaal van de aartsdiaken van de Dom van Guilelmus Bogart tot de vicarie op het St. Nicolaas- of St. Barbara-altaar in de Geertekerk te Utrecht, staande ter collatie van Johanna van Rijn van Jutphaas, weduwe van Wouter van Baex, 1600 april 18 1600 april 18 1 charter Collatrice was Johanna van Rijn van Jutphaas, zonder vermelding van 'vrouwe van Rijnhuizen' NB 232 Akte waarbij Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen, van Cornelia van der Hoop, weduwe van Nicolaas van Westreenen, een stal c.a. aan het Pieterskerkhof te Utrecht in huur ontvangt, 1809 1809 1 stuk 2.2.4. Neder-Langbroek 233 Akte waarbij Anthony Gustaaf de Geer, heer van Oud-Broeckhuyzen, van Gerrit Mom, heer van Maurik, het huis Groenestein in het gerecht van Neder-Langbroek in huur ontvangt, 1780 1780 1 katern 2.2.5. Darthuizen 234 Akte van openbare verkoop van de ridderhofstad Oud-Broeckhuyzen, leenroerig aan de ridderhofstad Zuilenburg en gelegen onder Darthuizen, van de hofstede de Duivevlugt onder Darthuizen, en van 3 morgen elzenbos onder Over-Langbroek door Anthony Gustaaf de Geer, heer van Rijnhuzyen, 1786. Met de rekening van de makelaar W. Dop te Utrecht voor zijn werkzaamheden in deze verkoop, 1786 1786 1 omslag 2.3. Tienden 235 Verklaring van Willem Verheul, welke landerijen in de Oudegeinse polder behoren onder de tiend, die hij in huur heeft van de heer van Rijnhuizen, 1701 1701 1 stuk 236 Kwitanties van de ontvanger van de Bisdoms Tienden voor de heer van Rijnhuizen voor de betaling van de redemtie van diens tienden onder het gerecht van Rhenen. Gedrukt, 1783-1784 1783-1784 2 stukken 2.4. Patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas 2.4.1. Algemeen 237-237 Akte waarbij Hisebrandus de Lentten zijn patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas aan het kapittel van St. Salvator te Utrecht overdraagt, 1245. Met bevestiging van deze overdracht door bisschop Otto van Utrecht, 1245. Met afschriften van beide stukken, (17e eeuw) 2 charters en 2 stukken 237-1 (17e eeuw) 237-2 1245 juni 7 Zie regestnr. 1 NB 237-3 1245 juli Zie regestnr. 3 NB 238-238 Akte waarbij Bernardus gezegd Preis, persona van Jutphaas en Doetinchem, aan Theodericus, kanunnik van St. Salvator te Utrecht, afstand doet van zijn recht op het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas, 1245. Met afschrift, (17e eeuw) 1245. Met afschrift, (17e eeuw) 1 charter en 1 stuk 238-1 (17e eeuw) 238-2 1245 juni 7 Zie regestnr. 2 NB 239-239 Arbitrale uitspraak door Reimarus, proost van St. Pieter te Utrecht, en anderen in het geschil tussen het kapittel van St. Salvator te Utrecht c.s. en IJssebrandus de Lenten, miles, c.s. over het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas, 1248. Met afschrift, (17e eeuw) 1 charter en 1 stuk 239-1 (17e eeuw) 239-2 1248 juni 5 Zie regestnr. 5 NB 240-240 Akte waarbij paus Martinus IV het kapittel van Oudmunster te Utrecht bevestigt in het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas, 1282. Met afschrift, (17e eeuw) 1 charter en 1 stuk 240-1 (17e eeuw) 240-2 1282 mrt. 7 Zie regestnr. 6 NB 241-241 Akten van belening van de heren van Rijnhuizen met het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas door de Staten van Utrecht, 1702-1782. Met extract van een oudere akte van belening van Adriaan Ploos van Amstel, heer van Oudegein, d.d. 1635, 1638 3 charters en 1 stuk 241-1 1638 241-2 1702 juli 21 241-3 1733 dec. 18 241-4 1782 dec. 7 242-242 Erfpachtbrieven van het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas voor de heren van Rijnhuizen gegeven door deken en kapittel van Oudmunster, 1702-1782. Met een oudere erfpachtbrief voor de erfgenaam van de heer van Oudegein, 1698. Met een afschrift van de erfpachtbrief d.d. 1731 en kwitanties van betaalde pachtsom, 1782-1785 4 charters en 1 omslag 242-1 1731, 1782-1785 242-2 1698 juli 4 242-3 1703 febr. 5 242-4 1731 april 2 242-5 1782 sept. 30 243-243 Koopcontract van de helft van het partonaatsrecht over de kerk van Jutphaas tussen Wilhem van Renesse van Baer, heer van Rijnenburg, verkoper, en Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, koper, 1666. Met de akte van overdracht van het halve patronaatsrecht en andere stukken betrekking hebbend op deze verkoop, deels extracten, 1667 1 charter en 1 omslag 243-1 1666-1667 243-2 1667 sept. 23 244 Gerechtelijke aanzegging vanwege de gemachtigde van Jan Jacob de Geer, heer van Finspong, aan Godert van Ochtern dat deze ten behoeve van zijn opdrachtgevers slechts het halve patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas kan verkopen, daar de andere helft aan Rijnhuizen behoort, 1698 1698 1 stuk 245 Akte van verkoop van de helft van het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas aan Carel de Geer, heer van Rijnhuizen, door Johan van Alendorp en Maria Machteld Croock, echtelieden, heer en vrouwe van Oudegein en 't Gein, in ruil voor een tiend in de Oudegeinse polder, 1701. Met verzoekschrift van Johan van Alendorp en Carel de Geer aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van goedkeuring van deze verkoop, 1702 2 stukken 246 Memorie van Jan Jacob de Geer betreffende de aankomst van het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas in zijn geheel aan Rijnhuizen, 1733 1733 1 stuk 247 Memorie betreffende het patronaatsrecht voor de heer van Oudegein, [1636] [1636] 1 stuk 248 Resolutie van de Vroedschap van Utrecht, dat geen approbatie moet worden gegeven aan het akkoord tussen de heer van Blijenburg en die van Oudegein over het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas, 1654 1654 1 stuk 249 Brief van de Staten van Utrecht aan de Classis van Utrecht houdende de erkenning van Adriaan Ploos van Amstel, heer van Tienhoven, 't Gein enz., als patroon van de kerk van Jutphaas door de Staten van Utrecht. Afschrift, 1635 1635 1 stuk In 1704 op verzoek van Willem de Geer (broeder en gemachtigde van Carel de Geer, heer van Rijnhuizen) door het omslaan van een zegel gewaarmerkt NB 250 Verzoekschrift van Carel de Geer, heer van Rijnhuizen, patroon van de kerk van Jutphaas, aan de Staten van Utrecht tot het verkrijgen van een bevestiging in zijn patronaatsrecht tegenover de Classis van Utrecht, 1705 1705 1 stuk 251 Resoluties van de Staten van Utrecht betreffende het patronaatsrecht en de uitoefening daarvan, 1635. Afschrift, ca. 1705 1 stuk 252 Brief, ingekomen bij Willem de Geer met betrekking tot het verbod van de Staten aan de ambachtsheer van Jutphaas zich te mengen in zaken de kerk betreffende, 1695 1695 1 stuk 253 Volmacht voor Gerrit Bredie, schout van Rijnhuizen, gegeven door Jan Jacob de Geer, heer van Finspong, om voor hem alle rechten enz. van Rijnhuizen waar te nemen en speciaal Rijnhuizens patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas, 1698 1698 1 stuk 254 Aantekeningen over een akkoord met betrekking tot het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas, ca. 1730 ca. 1730 1 stuk 255 Verzoekschrift van Jan Jacob de Geer, heer van Finspong, patroon van de kerk van Jutphaas, aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van toestemming om op het los laten lopen van vee op het kerkveld van Jutphaas een boete te stellen ten bate van de armen van het dorp, met apostille, 1731 1731 1 stuk 256 Akkoord tussen Louis de Malapert, ambachtsheer van Jutphaas, en Jan Jacob de Geer, heer van Rijnhuizen en patroon van de kerk van Jutphaas, over het presenteren van het armenzakje in de kerk, 1739. Met een resolutie van de kerkeraad dit akkoord te zullen eerbiedigen, 1739 1739 2 stukken Louis de Malapert was sedert 1738 gehuwd met Louise de Geer, zuster van J.J. de Geer heer van Rijnhuizen NB 2.4.2. Bij de patroon ingekomen brieven 257 Brieven van de Staten van Utrecht, ingekomen bij Willem van Gendt, heer van Rijnenburg, als collator van de kerk van Jutphaas, 1587-1590 1587-1590 2 stukken 258 Brief van ds. A. Teekmannus te Jutphaas aan de patroon van de kerk van Jutphaas, 1636 1636 1 stuk 259 Brief van ds. Henricus van Rhenen, predikant van Jutphaas, ingekomen bij de heer van Oudegein, patroon van de kerk van Jutphaas, 1675 1675 1 stuk 260 Brieven van te Jutphaas beroepen predikanten, ingekomen bij de heer van Rijnhuizen als patroon van de kerk van Jutphaas, 1819-1824 1819-1824 1 omslag 261 Brieven ingekomen bij de secretaris van Jutphaas betreffende het beroepen van een nieuwe predikant, 1612 1612 3 stukken 2.4.3. Uitoefening van het patronaatsrecht bij een predikantsvacature 262 Stukken betreffende de presentatie van nieuwe predikanten te Jutphaas door de heer van Oudegein, hetzij alleen hetzij met de heer van Rijnenburg, en na 1702 door de heer van Rijnhuizen alleen als patroon van de kerk van Jutphaas, 1622-1815 1622-1815 1 omslag 263 Verzoekschrift van Carel de Geer, heer van Rijnhuizen en patroon van de kerk van Jutphaas, aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van een ordonnantie aan de kerkeraad van Jutphaas betreffende het beroepen van de door hem voorgedragen predikant, 1705. Minuut. Met stukken waaruit het presentatierecht van de patroon blijkt zonder enige inmenging door de Jutphase kerkeraad of de Classis van Utrecht. Afschriften, 1587-1705 1587-1705 1 omslag 264 Brieven aan predikanten met verzoek een beroep naar Jutphaas te aanvaarden, uitgegaan van de heer van Rijnhuizen als patroon van de kerk van Jutphaas, 1824 en z.j. 1824 en z.j. 2 stukken 265 Resolutie van de Staten van Utrecht, waarbij Adriaan Ploos van Amstel, heer van Tienhoven, Oudegein enz., wordt erkend als patroon van de kerk van Jutphaas, 1635. Met stukken betreffende het geschil over dit patronaatsrecht tussen de heer van Oudegein en de kerkeraad van Jutphaas samen met de ambachtsheer van Jutphaas in verband met de predikantsvacature, 1635 1635 1 omslag 266 Stukken betreffende het proces van de kerkeraad van Jutphaas samen met de Classis van Utrecht contra de heren van Oudegein en van Rijnhuizen over het patronaatsrecht naar aanleiding van de predikantsvacature, 1693-1694 1693-1694 1 omslag De heer van Oudegein was in proces met die van Rijnhuizen over het patronaatsrecht, en nu trachtte de kerkeraad de predikantsbenoemming aan zich te trekken NB 267 Resolutie van de Staten van Utrecht betreffende het bedienen of bezetten van vacante predikantsplaatsen op het platteland, 1704 1704 1 stuk 268 Presentaties en commissie voor predikanten te Jutphaas, met andere stukken op de bezetting van deze plaats betrekking hebbende. Afschrift (in duplo), 1635-1661 1635-1661 2 katernen 269 Verzoekschrift van Louis van Renesse van Baer, heer van Rijnenburg, aan de Staten van Utrecht tot het verkrijgen van erkenning van zijn recht als medepatroon van de Juthaasse kerk om een predikant te mogen aanstellen, met appointementen van de Staten, met het akkoord tussen de heer van Oudegein, patroon van de kerk van Jutphaas, en de heer van Rijnenburg over de uitoefening van het presentatierecht. Afschrift, 1661 1661 1 katern 270 Verklaring, afgelegd in de provinciale synode van Utrecht door de afgevaardigden naar de nationale synode, betreffende het verkiezen van een predikant, 1661 1661 1 stuk 271 Verzoekschrift van Louis de Malapert, ambachtsheer van Jutphaas, aan de Classis van Utrecht om aan de heer van Oudegein het recht tot presentatie van een predikant te Jutphaas te ontzeggen, ca. 1637 ca. 1637 1 stuk 2.4.4. Bij de predikant ingekomen en van hem uitgegane brieven 272 Brieven, ingekomen bij Henricus van Rhenen, predikant te Jutphaas, 1695 en z.j. 1695 en z.j. 2 stukken 273 Brief, uitgegaan van Henricus van Rhenen, predikant te Jutphaas. Minuut, 1695 1695 1 stuk 2.4.5. Aanstellen van kerkmeester 274 Commissies tot kerkmeester van Jutphaas, gegeven door de heer van Oudegein en die van Rijnhuizen, na 1702 alleen door de heer van Rijnhuizen, als patroon van de kerk van Jutphaas, 1694-1712 1694-1712 1 omslag 275 Reglement betreffende het beheer van de kerk van Jutphaas, 1715. Afschrift, 1716. Met een stuk betreffende de aanstelling van twee nieuwe kerkmeesters ingevolge bovengenoemd reglement, 1715 (in duplo) 1 omslag 276 Stukken betrefende het proces van Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, contra Gerard Ploos van Amstel, heer van Oudegein, over het gezamenlijk uitoefenen van het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas naar aanleiding van een commissie tot kerkmeester door de heer van Oudegein alleen gegeven. Deels in afschrift, 1692-1695 1692-1695 1 omslag 2.4.6. Beheer en administratie van het kerkgoed 2.4.6.1. Algemeen 277-277 Verklaring van Otto, bisschop van Utecht, dat de bewoners van de hoeve land, waarop de kerk van Jutphaas gebouwd is, vrij zijn van verschillende lasten, 1245. Met afschrift, (17e eeuw) 1 charter en 1 stuk 277-1 (17e eeuw) 277-2 1245 dec. 13 Zie regestnr. 4 NB 278 Inventaris van stukken door Adriaan van Zeijst, oud-kerkmeester van Jutphaas, overgegeven aan de in functie zijnde kerkmeester, 1679 1679 1 stuk 279-279 Resoluties van de kerkmeesters met de predikant, genomen in hun vergaderingen betreffende de welstand van de kerk, 1680-1692. In tweevoud 1680-1692. In tweevoud 2 deeltjes 279-1 Resoluties (1) 279-2 Resoluties (2) 280-280 Rekeningen van de kerk van Jutphaas, 1667/1668-1796/1797. Met borderellen, 1659-1668 1667/1668-1796/1797. Met borderellen, 1659-1668 2 pakken 280-1 1667/1668-1675/1676, 1679/1680-1682/1683, 1702/1703-1711/1712, 1744/1745-1749/1750, 1751/1752-1766/1767, met borderellen, 1659-1668 280-2 1769/1770-1796/1797 281-281 Acquitten, behorende bij de kerkrekeningen, 1640-1696 1640-1696 2 pakken Niet alle rekeningen zijn meer aanwezig, zie nr. 280 NB 281-1 1640-1670 281-2 1678-1696 282 Manualen van inkomsten en uitgaven van de kerk van Jutphaas, 1652-1657, 1659-1666. Met een memorie en een staat van inkomsten en uitgaven, 1668-1679 1 omslag 283 Aantekeningen van inkomsten van de kerk van Jutphaas uit oudeigens en landerijen, ca. 1695-1711 ca. 1695-1711 1 omslag 284 Extract uit de notulen van de kerkeraad van Jutphaas betreffende het verhogen door de kerkmeesters van het oudeigen ten behoeve van de kerk, gaande uit het huis waarin de koster woont, en het door de kerkmeesters vrijstellen van de koster van de betaling van dit oudeigen, 1703 1703 1 stuk 285 Staat van landerijen behorende aan de kerk van Jutphaas met de inkomsten daaruit, ca. 1710 ca. 1710 1 stuk Met aantekening: 'De voorsz. Landerijen sijn beswaard mer een cap. van fl. 3000 tegen 4 pct. is jaarlijks fl. 120.' NB 286-286 Obligaties ten laste van de kerk van Jutphaas, 1649-1666, afgelost, 1659-1679 1 charter en 1 omslag 286-1 1649-1666 286-2 1649 mrt. 9 287 Gerechtelijke aanzegging door de gerechtsbode van Jutphaas vanwege de diaconie aldaar aan Cornelis van Waey, kerkmeester van Jutphaas, dat de kerkmeesters de in 1681 van de diaconie geleende gelden zo spoedig mogelijke moeten terugbetalen, 1697. Met een extract uit de notulen d.d. 1682-1683 van de bijeenkomsten van predikant en kerkmeesters van Jutphaas betreffende het opnemen van fl. 100 uit de diaconiekas om een schuld aan de weduwe van Hemert af te betalen, [1683] 1 omslag 288 Verzoekschrift van de kerkmeesters van Jutphaas aan de Staten van Utercht tot het verkrijgen van toestemming een hypotheek te vestigen op de landerijen van de kerk om daaruit de herstelkosten van de kerk te voldoen, met apostille, 1708. Met een verzoekschrift om de meerdere, nog resterende herstelkosten te mogen omslaan over de ingezetenen van het dorp, met apostille, 1708 1708 2 stukken 289 Verzoekschrift, van Adriaan Cornelis van Zeijst, secretaris van Jutphaas, aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van een appointement dat hij aan schout en gerecht van Jutphaas slechts inzage in de kerkrekeningen behoeft te verlenen, met bijlagen, 1665. Met een verzoekschrift van schout en gerecht dat de rekening aan hen moet worden ter hand gesteld, met apostille, 1664 1 omslag 290 Stukken met betrekking tot het geschil tussen schout en gerecht van Jutphaas met de heer van Rijnenburg, medepatroon van de kerk van Jutphaas, enerzijds en Adriaan Cornelis van Zeijst anderzijds over het door van Zeijst gevoerde beheer over de kerkgoederen, 1665 1665 1 omslag 291 Stukken met betrekking tot het proces van de heer van Oudegein, patroon van de kerk van Jutphaas, met de kerkmeesters van Jutphaas contra Adriaan Cornelis van Zeijst, oud-kerkmeester van Jutphaas, ter zake van door van Zeijst onder zich gehoudern kerkelijke administratieve bescheiden, 1679-1680 1679-1680 1 omslag 292 Verzoekschrift van ambachtsheer, schout, schepenen en hoofdgeërfden van Jutphaas aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van een appointement dat zij inzage mogen hebben van de kerkrekening van Jutphaas en van de verzoekschriften van de kerkmeester betrefende de door deze met de patroon opgestelde ordonnantie op het begraven en dat zijn daarvan afschriften mogen maken, met apostille, 1684. Afschrift, 1685 1 stuk 293 Stukken betrefende het geschil tussen de patroon met de kerkmeesters enerzijds en schout met gerecht van Jutphaas anderzijds over posten uit de ordinaris kerkrekening 1701-1712 en de extra-ordinaris rekening welke zouden moeten worden omgeslagen over de ingezetenen van Jutphaas, 1712-1714 1 omslag 2.4.6.2. Verpachtingen van landerijen enz. in het Nedereind van Jutphaas 294 Akten van openbare verpachting van het gewas van de notebomen op de brink en het kerkhof van Jutphaas alsmede (vanaf 1656) van de kerkboomgaard, 1649-1669, 1671 en 1680-1690 1 omslag 295 Stukken betreffende het proces van Willem van Renesse van Baer, medepatroon van de kerk van Jutphaas, contra Adrianus van Zeijst, administrateur van de kerkgoederen van Jutphaas, ter zake van de door van Zeijst gedane verkoop van de notebomen op het kerkhof, 1666 1666 1 omslag 296 Akten van openbare verkoop van bomen brandhout door de kerkmeesters van Jutphaas, 1674-1689 1674-1689 1 omslag 297 Voorwaarden van openbare verpachting van landerijen van de kerk van Jutphaas, 1650. Met een memorie, 1636 2 stukken 298 Pachtbrieven van 3 morgen 176 roeden land achter de kerk van Jutphaas, gegeven door Gerard Ploos van Amstel, patroon van de kerk, en de kerkmeesters, 1642-1650 1642-1650 2 stukken 299 Pachtbrieven van 3 morgen 380 roeden land in het Nedereind van Jutphaas gegeven door Gerard Ploos van Amstel, patroon van de kerk, en de kerkmeester, 1644-1689 1644-1689 1 omslag 300 Pachtbrieven van 3 morgen 391 roeden land in het Nedereind van Jutphaas gegeven door Gerard Ploos van Amstel, patroon van de kerk van Jutphaas, en de kerkmeesters, 1644-1650 1644-1650 1 omslag 301 Stukken betreffende het geschil tussen de kerkmeesters van Jutphaas en Aert Dircksz naar aanleiding van de afscheiding tussen het land van genoemde Aert Dircksz en de grond van de pastorie, 1624 1624 2 stukken 302 Akte van openbare verkoop van een huis c.a. met 3 morgen land in het Nedereind van Jutphaas door de armmeesters van Jutphaas, 1684. Met andere stukken betreffende deze verkoop, 1684 1684 1 omslag 303 Verzoekschrift, met bijlagen, van ds. Henricus van Rhenen te Jutphaas aan de Staten van Utrecht tot het verkrijgen van vrijstelling van belasting op 70 roeden land bij de pastorie, 1689. Minuut. Met oudere verzoekschrifen met bijlagen, 1670-1683, en een memorie met bijlagen, 1681 1 omslag Deze 70 roeden land zijn een onderdeel van de halve morgen land bedoeld in inv.nr. 304 NB 304 Verzoekschrift van de kerkmeesters van Jutphaas aan de Staten van Utrecht tot het verkrijgen van kwijtschelding van achterstallige betaling voor een halve morgen land bij de pastorie, door de kerk verschuldig aan de comptoir van de gebeneficeerde goederen, met apostille, 1689. Met oudere, afgewezen, verzoekschriften, met bijlagen, 1680-1685 1 omslag Zie ook inv.nr. 303 NB 2.4.6.3. Verpachtingen van landerijen enz. in Achttienhoven 305 Pachtbrieven van ruim 5 en nog ruim 5½ morgen land onder Achttienhoven gegeven door Gerard Ploos van Amstel, patroon van de kerk van Jutphaas, en de kerkmeesters, 1629 en 1650-1659. Met een bekendmaking door de kerkmeesters, dat zijn ca. 11 morgen land zullen verpachten, 1683 1 omslag De pachtbrief d.d. 1629 handelt alleen over de 5½ morgen land NB 306 Akkoord tussen Gosen Francken uit Westbroek en de kerkmeesters van Jutphaas over de pachtschuld van Cornelis Martens voor ca. 11 morgen land onder Achttienhoven, 1672. Met akte van beslag op de goederen van Cornelis Martens door de kerkmesters van Jutphaas. Afschriften, 1672 1672 2 stukken 307 Pachtbrieven van ruim 16 morgen land onder Achttienhoeven, strekkende van de Scheele brug tot de Hollandse Rade, gegeven door de kerkmeesters van Jutphaas, 1627-1659 1627-1659 1 omslag 308 Borgstelling van Jan Aertsz, Thonis Hendrix en Aert Jansz ten behoeve van de kerkmeesters van Jutphaas voor de pachtschuld van de weduwe van Aelbert Anthonis Bosch over ruim 16 morgen land onder Achttienhoven, 1672. Met een verzoekschrift van de kerkmeesters aan het Hof van Utrecht tot het verkrijgen van toestemming beslag te leggen op de goederen van de weduwe van Aelbert Anthonis Bosch wegens pachtschuld, 1672 1672 2 stukken 309 Akkoord tussen de kerkmeesters van de kerk van Jutphaas en Bartholomeus Bosch over diens pachtschuld van 16 morgen land onder Achttienhoven, 1681. Met verzoekschrift van de kerkmeesters van Jutphaas aan het Hof van Utrecht tot het verkrijgen van toestemming beslag te leggen op Bosch' bezittingen wegens zijn pachtschuldl met apostille, 1678 2 stukken 310 Akte van openbare verkoop van ca. 16 morgen land onder Achttienhoven, strekkende van de Scheele brug tot de Hollandse Rade, door de kerkmeesters van de kerk van Jutphaas, 1678. Met andere stukken betreffende deze verkoop, 1678-1679 1678-1679 1 omslag 311-311 Akte waarbij de kerkmeesters van de kerk van Jutphaas 5½ morgen land onder Achttienhoven, tussen de hofstede Rosendael en de Ravenbrug strekkende van de Vecht tot de Gageldijk, ruilen voor 4 morgen land onder Achttiendhoven, 1703. Afschrift. Met andere stukken betreffende deze ruil en met oudere transportbrieven van deze 4 morgen land, 1700-1706 1700-1706 3 charters en 1 omslag 311-1 1703, 1706 311-2 1700 mei 27 311-3 1703 april 24 311-4 1703 april 24 312 Akte waarbiij de kerkmeesters van Jutphaas aan Maria Schuijt, weduwe van Bruno van der Dussen, in erfpacht geven 4 morgen wei- en hooiland gelegen in de hoge heerlijkheid Achttienhoven, 1765 1765 1 stuk 2.4.6.4. Stukken betreffende inkomsten uit hypotheken enz 313 Ondervraging van Jacob Ewoutsz over een hypotheek, door de kerkmeesters van de kerk van Jutphaas verstrekt aan zijn vader, op een hont land van de kerk in het Nedereind van Jutphaas door het gerecht van Tolsteeg ten verzoeke van de kerkmeester van Jutphaas, 1616 1616 1 katern 314 Akte waarbij de kerkmeesters van de kerk van Jutphaas met Maria Stenis, weduwe Royestein, en haar zoon de grafsteden nr. 89 en 90 omruilen voor de nrs. 85 en 86, 1703. Met een conceptakte van verkoop van de grafsteden nrs. 89 en 90 door de kerkmeesters aan de vrouwe van Rijnenburg ter vergroting van de grafkelder van Rijnenburg, 1703 1703 2 stukken 2.4.7. Onderhoud van kerk en pastorie 2.4.7.1. Kerk en toren 315 Aanbesteding van het maken van een nieuw torenuurwerk door de kerkmeesters van Jutphaas, 1609. Met kwijtingen van de aannemer voor ontvangen arbeidsloon, 1609-1613 1609-1613 1 stuk 316 Verzoekschriften van de kerkmeesters van Jutphaas aan de ambachtsheer en het gerecht van Jutphaas en aan de vroedschap van de stad Utrecht ter verkrijging van subsidie tot herstel van het torenuurwerk van Jutphaas, [1681]. Met een verklaring van een timmerman uit Utrecht en een Rotterdamse klokkengieter omtrent de toestand van de klok in de toren van Jutphaas, 1679-1681 1679-1681 1 omslag 317 Voorwaarden van aanbesteding door patroon en kerkneester van de kerk van Jutphaas van het herstel en onderhoud gedurende twaalf jaren van kerk en toren van Jutphaas, 1668 1668 1 stuk 318 Lijst van schenkers van een raam in de kerk van Jutphaas, 1659 1659 1 katern 319 Kladberekeningen van eventuele subsidies voor de bouw van een nieuwe kerk in Jutphaas, 1676 1676 1 omslag 320 Verzoekschrift van de kerkmeesters van Jutphaas aan de stadhouder tot het verkrijgen van subsidie voor de kerk van Jutphaas uit de ontvangsten ad pios usus van de provincie Utrecht. Concept, 1679 1679 1 stuk 321 Verzoekschriften van Gerrit van Hemert, leidekker, aan het Hof van Utecht tot het verkrijgen van toestemming over te gaan tot actie tegen de kerkmeesters van Jutphaas ter zake van nog niet betaald arbeidsloon uit de jaren 1654-1663, [1677], de sententie van het Hof in het proces van Van Hemert, later diens weduwe, contra de kerkmeesters van Jutphaas, 1678, specificaties van de achterstallige gelden, [1677], en de kwijting van de weduwe Van Hemert ten behoeve van de kerkmeesters voor het betalen van de achterstallige gelden uitgezonderd fl. 100, 1678. Met extracten uit de notulen d.d. 1682-1683 van de bijeenkomsten van predikant en kerkmeester van Jutphaas betreffende het opnemen van fl. 100 uit de diaconiekas om de schuld aan de weduwe Van Hemert af te betalen, [1683] 1 omslag 322 Contract tussen de kerkmeesters van Juthaas en Salomon de Jouwer, leidekker, betreffende het onderhoud voor de rijd van zes jaren van het dak van de kerk van Jutphaas, 1681 1681 2 stukken Het ene stuk is getekend door kerkmeester Van Cothen, het andere door de aannemer S. de Jouwer NB 323 Overeenkomst tussen Pieter de Malapert, heer van Jutphaas, en Willem de Geer als gemachtigde van zijn broeder Carel, heer van Rijnhuizen, en patroon van de kerk van Jutphaas, om de oude kerk af te breken, de tufsteen te verkopen, met de opbrengst daarvan een nieuwe kerk te bouwen en in een eventueel tekort ieder fl. 1000 bij te dragen. Concept, [1706] [1706] 1 stuk 324 Inspectieverslag en begroting van de herstelkosten van de kerk van Jutphaas door de aannemer G. Blotelingh, 1706. Met een zelfde verslag en begroting door een andere aannemer en Blotelinghs antwoord daarop, 1706 1706 1 omslag 325 Akte waarbij de patroon van de kerk van Jutphaas, de ambachtsheer van Jutphaas en enige andere besluiten gezamenlijk de rekening van de herselkosten van de kerk in 1744 te betalen, 1744 1744 1 stuk 326 Volmacht voor Adriaan van Zeijst, secretaris van Jutphaas, gegeven door Adriaan Ploos van Amstel. Patroon van de kerk van Jutphaas, en de kerkmeesters om te Dordrecht of elders blauwe zerken te kopen voor de grafsteden in de kerk van Jutphaas, 1659 1659 1 stuk 327 Voorwaarden van aanbesteding van het maken van een trap met de stoepen bij de kerk van Jutphaas en een schoeiing langs het zandpad, 1658 1658 1 stuk 328 Gerechtelijke aanzegging vanwege Diderik van Velthuysen, heer van Heemstede, aan de kerkmeesters van Jutphaas, dat zij aan de door van Velthuysen gezonden schrijnwerker moeten toestaan zijn bank in de kerk van Jutphaas mee te nemen teneinde die te veranderen, met relatie van de gerechtsbode van Jutphaas, 1684 1684 1 stuk 329 Resoluties van het gerecht van het Over- en het Nedereind van Jutphaas met betrekking tot het (ver)plaatsen van gestoelten in de kerk van Jutphaas, met in margine protesten hiertegen van de heer van Rijnhuizen als patroon van de kerk, 1731-1733. Afschriften 1731-1733. Afschriften 2 stukken 2.4.7.2. De pastorie 330 Aanbesteing van hertstelwerk aan de predikantswoning van Jutphaas, 1648 1648 1 stuk 331 Verzoekschrift van de kerkmeesters van Jutphaas aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van subsidie voor het verbouwen van de predikantwoning. Afschrift, 1649 1649 1 stuk 332 Verzoekschrift van de kerkmeesters van Jutphaas aan de Staten van Utrecht ter verkrijging van toestemming tot het aangaan van een lening ter dekking van de resterende onkosten voortvloeiend uit het verbouwen van de predikantswoning, 1649 1649 1 stuk 333 Aanbesteding door het gerecht van het Nedereind van Jutphaas en de kerkmeesters van Jutphaas van de aanleg en het onderhoude gedurende twee jaar van een zandpad vanaf de dam aan de Rijn tot aan de brug van de pastorie, 1628 1628 1 stuk 2.4.8. Aanstellen van de koster 334 Arrest van het Hof van Utrecht in het proces van Louis de Geer, heer van Rijnhuizen, contra Gerard Ploos van Amstel. Heer van Oudegein, over het gezamenlijk uitoefenen van het patronaatsrecht over de kerk van Jutphaas naar aanleiding van een commissie tot koster, gevolgd door een tot kerkmeester, door de heer van Oudegein alléén gegeven, 1671. Met andere stukken betreffende dit proces en retroacta. Deels in afschrift, 1647-1671 1647-1671 1 omslag 335 Memorie voor de heer van Oudegein, patroon van de kerk van Jutphaas, betreffende het inkomen van de koster-voorzanger van de kerk van Jutphaas, 1663 1663 1 stuk 336 Brief van Gerard Ploos van Amstel, heer van Oudegein en patroon van de kerk van Jutphaas, waarin hij de voorzanger en voorlezer voor de eerstkomende zondag aanwijst, 1694 1694 1 stuk 337 Verzoekschrift van de kerkeraad van Jutphaas aan de Staten van Utrecht tot het verkrijgen van toestemming om, hangende het proces tussen de heer van Oudegein en die van Rijnhuizen, zelf een voorzanger aan te stellen, 1695. Concept en minuut. Met een tweede verzoekschrift om een voorganger te mogen aanstellen, 1695 1695 1 omslag 338 Commissie tot het gecombineerde ambt van koster, voorlezer, voorzanger en doodgraver van de kerk van Jutphaas gegeven door de patroon van deze kerk, 1660-1776 1660-1776 1 omslag 339 Ordonnantie op het begraven in de kerk en op het kerkhof van Jutphaas, 1680. Met de minuut, 1680, en een afschrift van de instructie voor de doodgraver in de Buurkerk te Utrecht, z.j. 1 omslag De instructie voor de doodgraver van de Buurkerk heeft als voorbeeld voor deze ordonnantie gediend NB 340 Overeenkomst tussen de ambachtsheer van Jutphaas en de heer van Rijnhuizen, patroon van de kerk van Jutphaas, om het ambt van schoolmeester van Jutphaas te combineren met dat van koster-voorlezer-enz. van de Jutphase kerk, 1739 1739 1 stuk 341 Instructie voor de schoolmeester van Jutphaas, 1635. Met een algemene instructie voor de scholen in het Sticht, z.j. Afschriften 1 katern en 1 stuk 2.4.9. Stukken betreffende de diaconie 342 Resolutie van de Staten van Utrecht betreffende de redactie van het artikel in de kerkordening over de verkiezing van ouderlingen en diakenen, 1619 (afschrift, ca. 1705) 1 stuk 343 Stukken betreffende het geschil tussen de ambachtsheer van Jutphaas en de heer van Rijnhuizen als patroon van de kerk van Jutphaas over het afhoren van de diaconierekening door de heer van Jutphaas, 1731-1732 1731-1732 1 omslag 3. Stukken afkomstig van de familie Munter Deze stukken zijn via het geslacht Van Hardenbroek van Lockhorst op Rijnhuizen terechtgekomen. Het in 1799 gesloten huwelijk van Ernst Louis van Hardenbroek (1774-1843) met Anna Maria Munter (1774-1858), achterkleindochter van de na te noemen (Cornelis Munter), bleef kinderloos. Genoemde Ernst Louis van Hardenbroek was een oud-oom van Gijsbert Carel Duco van Hardenbroek (1857-1902), gehuwd met Ada Mathilda de Geer van Rijnhuizen (1857-1943). NB 3.1. Cornelis Munter (1652-1708) x Maria Piso (1650-1729) Cornelis Munter (1652-1708), zoon van Joan Munter en Maria Geelvinck, huwde in 1679 Maria Piso (1650-1729), dochter van Willem Piso en Constantie Spranger (zie: Elias, Vroedschap van Amsterdam, dl. 2, 658). NB 3.1.1. Persoonlijk 344 Uitnodigingen voor Cornelis Munter tot het bijwonen van de begrafenis van diverse personen, 1692-1695 1692-1695 1 omslag 345 Diverse aantekeningen, deels van genealogische aard, [1705] [1705] 1 stuk 3.1.2. Openbaar leven 346 Aantekeningen, rechtskundige adviezen en resoluties van de Staten van Holland met betrekking tot het in 1424 door Jan van Beieren aan Holland gegeven, en later meermalen bevestigde, privilege om een buiten de provincie geboren persoon uit de regeringscolleges te mogen weren, 1588. Afschrift, ca. 1630. Gedrukt 1 katern 347 Gebed bij de opening van de vergaderingen van de Staten van Holland en West-Friesland, met de eed voor nieuwe leden en dergelijke. Gedrukt, [1675] [1675] 1 katern 348 Resoluties van de Staten van Holland en West-Friesland betreffende het uitgeleide aan koning Karel II van Engeland met rapport van zijn ontvangst in Den Haag, 1660 1660 1 omslag 349 Memorie betreffende de rouw aangenomen door de Staten van Holland wegens het overlijden van de koningin van Engeland, 1695 1695 1 stuk 350-350 Lijst van Raden, schouten, burgemeesters, schepenen enz. van de stad Amsterdam over de jaren 1413-1673, (2e helft 17e eeuw). Met enige aantekeningen betreffende de Raden van Amsterdam, die in de zeventiende eeuw zijn overleden, 1690 1 deel en 1 omslag 350-1 (2e helft 17e eeuw) 1 deel 350-2 Ca. 1690 1 omslag 351 Resolutie van de vroedschap van Amsterdam betreffende de zitplaatsen van de schepenen in de vergaderingen van de vroedschap. Afschrift, 1663 1663 1 stuk 352 Memorie van hetgeen door burgemeesters en vroedschap van Amsterdam is gedaan ten aanzien van de Engelse regering sedert het overlijden van koning Karel II van Engeland en betreffende de uitwijzing van enige door koning Jacobus II als rebellen beschouwde Engelsen, 1686. Minuut. Met bijlagen, 1685-1686 1 omslag 353 Rapport van de stadswerkbazen betreffende hun onderzoek naar de bescherming van Amsterdam tegen stormvloed. Gedrukt, 1680 1680 1 stuk 354 Brief van Paulus Buys aan Cornelis Munter, schepen van Amsterdam, betreffende de strafbaarheid van het frauduleus in de grond boren of in brand steken van schepen, 1702. Met bijbehorende memorie over dit onderwerp, 1702 1702 1 omslag 355 Akte van belening van Gerrit Bicker, oud-burgemeester van Amsterdam, met de ambachtsheerlijkheden Amstelveen, Nieuweramstel, Sloten en Osdorp door de Staten van Holland en West-Friesland, 1604. Met afschriften van de voordracht van Bicker aan de Staten door de burgemeesters van Amsterdam van 1604 en extract van de aantekeningen door Andries Bicker over zijn belening na opdracht door burgemeester de Graaf in 1624, (2e helft 17e eeuw) 1 omslag Andries Bicker was een zoon van Gerrit Bicker NB 3.2. Willem Munter (1682-1759) x 1e Catharina Pels (1687-1736), x 2e Catharina Cornelia Backer (1688-1758), weduwe van Henrick Bicker Willem Munter (1682-1759), zoon van Cornelis Munter en Maria Piso(1), huwde in 1712 met Catharina Pels (1687-1736), dochter van Andries Pels en Angenita Bouwens. Hij hertrouwde in 1739 met Catharina Cornelia Backer, wed. Bicker (1688-1758), dochter van Jan Backer en Anna Catharina ten Grotenhuys (zie: Elias, Vroedschap van Amsterdam, dl. 2, 693). NB 356-356 Akte van belening van Willem Munter met de hof te Wickeren bij de stad Udem door Frederik, koning van Pruisen, markgraaf van Brandenburg enz., 1710. Met een oudere akte van belening, 1679 2 charters 356-1 1679 febr. 21 356-2 1710 mrt. 8 356-a Stukken betreffende het ontslag van Willem Munter als burgemeester van Amsterdam, 1748 1748 1 omslag 3.3. Overige 357 Aantekening over de gebeurtenissen in het jaar 1787 te Amsterdam, vermoedelijk door een lid van de familie Munter, 1787 1787 1 stuk 4. Stukken waarvan het verband met het archief niet duidelijk is 358 Rechtskundig advies omtrent een erfrechtskwestie en een omtrent de uitleg van huwelijksvoorwaarden, (4e kwart 17e eeuw) (4e kwart 17e eeuw) 1 stuk Afkomstig uit een grote katern NB 359 Repliek in het proces van Ludolph de With, heer van Harmelen, contra Cornelis François van Heemskerk betreffende een legaat uit de nalatenschap van Anna van Rijsenburch. Minuut, [1694] [1694] 1 stuk 360 Bekentenis van Hans Jurgensz Haan betreffende een door hem begane doodslag, 1740. Bijgevoegd enige aantekeningen hierop, [1741] 1 omslag 361 Lijst van planten nodig voor kruidenwijn, (begin 19e eeuw) (begin 19e eeuw) 1 stuk Bijlagen Regestenlijst 1. Hisebrandus de Lentten, ridder, verklaart het patronaatsrecht van de kerk te Jutphaas overgedragen te hebben aan het kapittel van Oudmunster te Utrecht, met dien verstande dat de kanunnik Diederik van Burkerke er gedurende zijn leven de beschikking over zal behouden, voorts dat de proost nooit enige deel in de collatie zal hebben 1245 juni 7 [feria quarta infra ebdomadam secundam Pentecostes] Origineel (inv.nr. 237). De zegels van de oorkonder en van proost, deken en kapittel van Oudmunster zijn verloren. Gedrukt: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, dl. 2, nr. 1034. NB 2. Bernard Preis, pastoor van Jutphaas en Doetinchem, doet afstand van zijn recht op het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas, dat hem toekwam van zijn bloedverwanten Bernhard en Otto Preisinge, ten behoeve van zijn bloedverwant Diederik, kanunnik van Oudmunster te Utrecht, zulks in overeenstemming met het door Hisebrand van Lenten, ridder, bepaalde. 1245 juni 7[feria quarta infra ebdomadam secundam Pentecostes] Origineel (inv.nr. 238). Drie zegels verloren. Gedrukt: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, dl. 2, nr. 1035. NB 3. Bisschop Otto bekrachtigt de overdracht door Hisebrand van Lenten, ridder, Bernard en Otto Preisinge van het patronaatsrecht van de kerk te Jutphaas aan het kapittel van Oudmunster en de kanunnik Diederik van Burkerke. 1245 juli Origineel (inv.nr. 237) met het geschonden zegel van de oorkonder in groene was. Gedrukt: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, dl. 2, nr. 1043.4. NB 4. Bisschop Otto, uitspraak doende in het proces tussen Albero, pastoor van Jutphaas, en enige parochianen aldaar, verklaart dat de bewoners van de hoeve land, waarop de kerk van Jutphaas is gebouwd, vrij zijn van het onderhoud van de Hoofddijk en van de wetering alsook van de bisschoppelijke precarie, doch niet van het greppelwerk. 1245 december 13[in die sancte Lucie Virginis] Origineel (inv.nr. 277). Het zegels van de oorkonder is verloren. Gedrukt: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, dl. 2, nr. 1061. NB 5. Reimar, proost van St. Pieter te Utrecht, en andere scheidslieden en middelaars in het proces over het patronaatsrecht van de kerk te Jutphaas doen uitspraak: Usebrandus de Lenten, ridder, Willem Slabart, burger van Utrecht, en diens zoon Johannes, geestelijke, zullen Diederik, kanunnik van Oudmunster, en zijn kapittel dit recht niet meer betwisten; deze zullen de kerkelijke straffen tegen de tegenpartij doen intrekken. 1248 juni 5[in die beati Bonifacii] Origineel (inv.nr. 239) met de geschonden zegels van Reimar, proost van St. Pieter te Utrecht, Everhard, proost van Tiel, Wulfram, deken van Oudmunster te Utrecht, en Hendrik van Amersfoort in groene was; het vijfde zegel bijna geheel verloren. Gedrukt: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, dl. 2, nr. 1172. NB 6. Paus Martinus IV bevestigt de vroeger geschiedde overdracht van het patronaatsrecht van de kerk te Jutphaas door Isebrand van Lente, ridder, en anderen aan deken en kapittel van Oudmunster te Utrecht 1282 maart 7[Nonis Marcii] Origineel (inv.nr. 240). Loden bul verloren. Op de van 2 gaten voorziene pliek staat: L P gam; in dorso: J. de sancto germano pro Bro Traiecti. Afschriften 15e - 17e eeuw (B, C, D): HUA, archief Oudmunster, nr. 935 II fol 39v, HUA, handschriften, nr. 361 VI fol 37, UB Utrecht HSS nr. 1235 II blz. 413. Druk: Cod. Dipl. H.G. 2e serie IV 2 blz. 178 (J.J. de Geer naar A), Bull. Traj. I nr. 354 (naar B). Reg.: Brom II nr. 2032. Verg. nr. 1034, 1035 en 1042. Gedrukt: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht IV, 1, nr. 2096 (naar A). NB 7. Albert Pijl Olifierszoon, schout int Overeynde van Jutfaes in Johans gerechte van Jutfaes, lantgenoten en buren oorkonden, dat Hildebrant van Jutfaes, Gijsbert van Jutfaes en joncfrou Hildegont sijn wijff Dircxdochter van Honswijck, Aernt Gunter en joncfrou Alijt sijn wijff, des voirseyden Hildebrants en Gijsberts suster van Jutfaes, 14 morgen land c.a., gelegen in het voornoemde gerecht achter en naast de hofstede van de voornoemde Johan van Jutfaes en strekkend vanuit de Jutphaesser wetering tot in de Doorslag, waar Meyster Reychaert van Loenen boven naastgeland is en waar beneden de heren van Oudemunster tUtrecht en Henrick die Witte naastgeland zijn, in vrijen eigendom hebben overgedragen aan Johan van Jutfaes en joncfrou Janna sijn wijff. 1429 september 1[des Donredages nae sinte Johans dach decollacio] Geïnsereerd in inv.nr. 187. Zie regestnr. 8 (d.d. 1485 nov. 19) NB 8. Johan Jansz, schout opt Overeynde van Jutfaes in Adriaens gerechte, landgenoten en buren van het gerecht oorkonden, dat Adriaen van den Rijn en van Jutfaes 8 morgen land in het Overeind van Jutfaes, gemengder voren liggend met 14 morgen land, heeft overgedragen aan IJsbrant van der Hair Johanszoon tot welke overdracht hij gerechtigd was op grond van de geïnsereerde gerechtsbrief d.d. 1429 september 1. 1485 november 19[op sinte Elizabetthen dach] Origineel (inv.nr. 187), met het geschonden zegel van de schout in groene was. Het zegel van Adriaan van Rijn is verloren. NB 9. De bewaarders van het St. Barbara-gasthuis en het St. Laurens-gasthuis en de bewaarders van het St. Bartholomeus-gasthuis, alle binnen Utrecht, geven een halve hoeve land ter grootte van 9½ morgen ½ hont en 16 een clopperschaften, gelegen in joncheer Gerrits gerecht Jutphaes in de kerspel van Jutphaes aan de oostzijde van de Rijn en strekkende van de Jutphaesserdijck over die Doorslage aent Oudegeinsche lant tussen lande der heeren van Ste Marie tUtrecht aen die overzijde ende joffer Catrijn Floris was van der Donck, na dode van Jan van Rijn van Jutphaes in erfpacht aen joncheer Gerrit van Rijn van Jutphaes en zijn nakomelingen voor 24 pont penningen 's jaars. 1568 augustus 2 Origineel (inv.nr. 192) met de licht geschonden zegels van de gasthuizen in groene was. NB 10. Johanna van Rijn van Jutphaes, weduwe van Wouter van Baex, ambachtsvrouwe int Overeynde van Jutphaes, beleent joncheer Jacob van Renesse van Baer na de dood van zijn vader joncheer Johan van Renesse van Baer met een tins groff ende smal van 3 hoeven land in het Overeind van Jutphaes, gezamenlijk liggende met 5 hoeven land, te verheergewaden met een dubbelt Stichts heergewaad. 1599 jannuari 22 Origineel (inv.nr. 141) met het geschonden zegel van de oorkonder in rode was. NB Genealogie van de familie De Geer van Rijnhuizen, met voor zover van belang de geslachten Karsseboom en Meinertzhagen Genealogie van de familie Van Hardenbroek (gedeeltelijk), met voor zover van belang het geslacht Munter