86-2 inventaris van de archieven van de bisschoppen van deventer van de oud-katholieke kerk van nederland, voorheen oud-bisschoppelijke cleresie (1738) 1758-1959 (1963), door m.m.m. staal 1738 1958 J. Bruggeman, herzien door M.L. Loef en M.M.M. Staal 86-2 oud-katholieke kerk in nederland (okn): bisschoppen van deventer Het Utrechts Archief Openbaarheid Volledig openbaar Titel inventaris inventaris van de archieven van de bisschoppen van deventer van de oud-katholieke kerk van nederland, voorheen oud-bisschoppelijke cleresie (1738) 1758-1959 (1963), door m.m.m. staal Omschrijving Inventarissen van de archieven van de aartsbisschoppen van Utrecht en van de bisschoppen van Deventer van de oud-katholieke kerk van Nederland Auteur J. Bruggeman, herzien door M.L. Loef en M.M.M. Staal Titels nadere toegangen Geen nadere toegangen Datering toegang 1928 / 1944 / 1993 1. Inleiding 1.01. Achtergronden van de scheuring van 1723 Aan het begin van de achttiende eeuw waren er twee controversen, die de katholieken in de Republiek verdeelden. De eerste was kerkrechtelijk van aard en dateerde al vanaf de Opstand. Het ging in essentie om de vraag, wat nu precies de positie van de katholieke kerk onder het protestantse bewind was. De tweede was theologisch van aard en behelsde de strijd tussen de geestverwanten van Cornelius Jansenius en zijn tegenstanders, vooral te vinden onder de jezuïeten. Na de Opstand was een normaal functioneren van de in 1559 ingestelde nieuwe bisschoppelijke hirarchie onmogelijk geworden. De bisschopszetels waren in de jaren zeventig en tachtig van de zestiende eeuw alle vacant geraakt doordat de bisschoppen waren gevlucht of overleden. De laatste Utrechtse aartsbisschop Schenk van Toutenburg stierf in 1580. In 1583 benoemde Johannes van Bruhesen, als deken van het Domkapittel sede vacante belast met het bestuur, vanuit zijn ballingsoord Keulen de priester Sasbout Vosmeer tot zijn plaatsvervanger, met de titel vicaris- generaal. Een jaar later kreeg Vosmeer tevens de bestuursmacht in het bisdom Middelburg in delegatie van de uitgeweken bisschop Johan van Strijen. In hetzelfde jaar kreeg hij van de nieuw benoemde pauselijke nuntius te Keulen volmachten voor het bestuur van de hele kerkprovincie Utrecht. In 1592 volgden uitgebreider volmachten en noemde paus Clemens VIII Vosmeer 'apostolisch vicaris van de Hollandse Zending'. Daarmee gaf hij te kennen, dat hij hem aan het hoofd had gesteld van het hele gebied, dat onder ketters bewind was gekomen en dat hij voortaan als missiegebied beschouwde. In 1596 werd de Hollandse Zending onder de nieuw opgerichte Brusselse internuntiatuur geplaatst. In 1602 tenslotte werd Vosmeer tot bisschop gewijd. Uit angst om aanstoot te geven aan de protestantse overheid en ook om aartshertog Albertus van Oostenrijk, die eigenlijk nog het voordrachtsrecht had, niet voor het hoofd te stoten, gaf de paus hem niet de titel 'aartsbisschop van Utrecht', maar 'aartsbisschop van Philippi', een titel in partibus infidelium 1 1 Een titel in partibus infidelium wilde zeggen dat een bisschop gewijd was op de titel van een door de verovering of oorlogsomstandigheden niet toegankelijk bisdom, meestal in het geïslamiseerde Middenoosten. Feitelijk kon hij in zijn bisdom geen bestuursmacht uitoefenen, maar hij bezat wel de bisschoppelijke wijdingsmacht, die niet aan een bepaald bisdom gebonden was. Voetnoot In de loop van de zeventiende eeuw bleek nu, dat er verschillende visies mogelijk waren op de positie van Vosmeer en zijn opvolgers. Volgens de apostolisch vicarissen zelf en de meeste wereldlijke geestelijken en katholieke leken in de Republiek waren zij in wezen aartsbisschoppen van Utrecht, de opvolgers in rechte lijn van Willibrord. Slechts om politieke redenen voerden zij hun titel niet openlijk. Volgens de tegenovergestelde, ultramontaanse kerkopvatting daarentegen had het aartsbisdom Utrecht, nadat het onder ketters bewind was gekomen, als zodanig opgehouden te bestaan. De apostolische vicarissen hadden in deze visie een veel afhankelijker positie dan die van bisschop. Zij stonden aan het hoofd van het zendingsgebied Holland en ontvingen hun bevoegdheden in delegatie van de pauselijke nuntius, die weer de directe afgevaardigde was van de paus. Deze opvatting werd gehuldigd door de pauselijke curie en de reguliere geestelijken, vooral de jezuïeten, die hun opleiding hadden genoten aan het Collegium Urbanum van de Congregatio de Propaganda Fide te Rome 1 1 L.J. Rogier, Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en 17e eeuw (2 dln; Amsterdam, 1946) II, 5-37; B.A. van Kleef, Geschiedenis van de oud-katholieke kerk van Nederland (Assen, 1953) 53-63. Voetnoot Verband houdend met de positie van de vicaris was er de kwestie van de rechten van het vicariaat van Utrecht, dat door apostolisch vicaris Rovenius in 1633 was opgericht uit de restanten van de oude kapittels. Was dit slechts een raadgevend college van de apostolisch vicaris in het zendingsgebied, zoals de pausgezinden meenden? Of was het vicariaat de rechtsopvolger van de oude kapittels met alle daarbij behorende rechten, zoals het recht een nieuwe bisschop te kiezen en het bisdom sede vacante te besturen? De vicaris, de leden van het vicariaat zelf en de meeste andere wereldlijke geestelijken huldigden de laatste opvatting. In de loop van de zeventiende eeuw kwamen de twee partijen, seculieren en regulieren, steeds feller tegenover elkaar te staan 1 1 Rogier, Geschiedenis van het katholicisme, II, 80-84, 106-108, 147-155. Voetnoot Het tweede grote geschilpunt tussen de beide partijen was, zoals al werd aangestipt, dogmatisch- theologisch van aard en werd in de Republiek geïmporteerd vanuit Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden. Het betrof de leer van het jansenisme, genoemd naar Cornelius Jansenius, professor in de theologie te Leuven en bisschop van Ieper. Jansenius interpreteerde in zijn boek Augustinus (1640) de genadeleer van de kerkvader in die zin, dat de menselijke vrije wil ondergeschikt was aan de goddelijke genade. Daarmee stonden hij en zijn volgelingen diametraal tegenover de leer van de Spaanse jezuiet Molina, die inhield dat de mens met hulp van de goddelijke genade uit eigen vrije wil het heil kon bereiken 1 Tussen de beide partijen ontbrandde een hevige strijd, waarbij elk trachtte het gezag van de paus voor zijn doel in te schakelen. Aanvankelijk werd deze machtsstrijd gewonnen door de jezuieten. 1 L. Ceyssens, 'Diepere gronden van het Jansenisme', Tijdschrift voor theologie, VI (1966) 395-420; A. Gazier, Histoire générale du mouvement janséniste (Paris, 1922) I, 1- 54. De term 'jansenist' was aanvankelijk een scheldwoord; later werd het een geuzennaam. Voetnoot In 1665 en 1713 vaardigden de pausen Alexander VII en Clemens XI belangrijke bullen tegen de jansenisten uit, die de geschiedenis zouden ingaan als 'Formulier van Alexander VII' en 'Unigenitus'. Om politieke redenen werden de tegenstanders van deze bullen door de franse koningen Lodewijk XIV en XV vervolgd. Velen van hen, onder wie de beroemdheden Antoine Arnaud en Pasquier Quesnel, weken uit naar het buitenland, en kwamen tenslotte in de Republiek terecht, waar zij een rol van betekenis speelden in de gebeurtenissen die daar volgden 1 1 Van Kleef, Geschiedenis, 97-113; P. Polman, Katholiek Nederland in de achttiende eeuw (3 dln; Hilversum, 1968) I, 24-25; B. van Bilsen, Het schisma van Utrecht (Utrecht, 1949) 16-24. Voetnoot 1.02. Aanleidingen tot de scheuring In de Hollandse zending waren de twee controversen: gallicanisme of het streven naar een nationale kerk versus ultramontanisme, en jansenisme versus anti-jansenisme met elkaar vermengd geraakt, als gevolg waarvan de partijstrijd tussen seculieren en regulieren steeds heftiger was geworden. De seculiere clerus, opgeleid aan de colleges Hoge Heuvel en Pulcheria te Leuven, was daar in aanraking gekomen en sympathiseerde deels met de ideeën van Jansenius, Quesnel en anderen, of werd daarvan beschuldigd door de regulieren. De reguliere clerus steunde vóór alles de paus en verketterde ieder die hem niet blindelings gehoorzaamde. Het verscherpte klimaat bleek in 1688 na de dood van apostolisch vicaris Johannes van Neercassel. Aangezien de oorspronkelijke kandidaat voor de opvolging, de kerkhistoricus Hugo van Heussen, in Rome verdacht werd van gallicaanse sympathieën, werd uiteindelijk de Utrechtse pastoor Petrus Codde benoemd. In 1689 werd hij gewijd tot aartsbisschop van Sebaste. Vanaf de benoeming regende het klachten en beschuldigingen van reguliere zijde aan het adres van Codde en de seculiere geestelijkheid, klachten die uiteindelijk werden gebundeld in het Breve Memoriale van de jezuiet Doucin. Daarin werden Codde en de zijnen beschuldigd van 'jansenistische ketterijen' zoals aansporingen tot het lezen van de bijbel door de gelovigen, te weinig eerbied voor aflaten, relieken en heiligenbeelden, en te grote gestrengheid in de biecht. Wat Doucin en zijn medestanders in werkelijkheid het meest stak, was niet de 'ketterse inslag' van de nederlandse seculieren, maar het feit, dat zij een bepaalde onafhankelijkheid van Rome hadden bewaard 1 1 W.P.C. Knuttel, De toestand der Nederlandsche Katholieken ten tijde der Republiek (2 dln; Amsterdam, 1945-1946) II, 1-9. Voetnoot In 1698 zond Codde, diep verontwaardigd over het Memoriale, een exemplaar naar Rome, met het verzoek een onderzoek in te stellen, het jaar daarop gevolgd door een Responsio ad Breve Memoriale 1 Het resultaat was, dat hij naar Rome werd ontboden om zich voor een spe-ciale commissie te verantwoorden. Ook gelastte het pauselijk hof dat de Leidse pastoor Theodorus de Cock, die in 1694 een memorie met beschuldigingen tegen Codde en zijn medestanders naar Rome had gezonden, tot provicaris ad interim benoemd moest worden. Codde weigerde dit laatste en benoemde in plaats daarvan twee leden van het vicariaat, Van Heussen en Cats 2 1 Rogier, Geschiedenis van het katholicisme, II, 304-310. 2 Rogier, Geschiedenis van het katholicisme, II, 255-311; Van Kleef, Geschiedenis, 88-93; Van Bilsen, Schisma, 32-38. Voetnoot Te Rome aangekomen verdedigde hij zich schriftelijk in een Declaratio (1701), die echter weinig effect sorteerde. Veel meer invloed had het bezwaarschrift van 23 priesters uit de Hollandse zending met klachten over Codde, waarschijnlijk opgesteld door De Cock, eveneens uit 1701. Coddes Responsiones hierop, medeondertekend door 303 geestelijken uit de Hollandse zending, nog in hetzelfde jaar aan de Propaganda voorgelegd, konden daar weinig aan veranderen. In mei 1702 werd Codde tenslotte de vraag voorgelegd, of hij bereid was het Formulier van Alexander VII onvoorwaardelijk te ondertekenen. Na zijn weigering dit te doen werd hij tijdens een plenaire zitting van de Propaganda op 7 mei 1702 geschorst en werd De Cock in zijn plaats benoemd. Het nieuws van de schorsing van Codde en de benoeming van De Cock werd wel onmiddellijk doorgegeven aan de Brusselse internuntius en aan De Cock, maar niet aan Codde zelf, die het uit Holland moest vernemen 1 1 Polman, Katholiek Nederland I, 3-15; Van Kleef, Geschiedenis, 90- 96; Van Bilsen, Schisma, 35-39. Voetnoot Met de schorsing van Codde en de benoeming van De Cock ging Rome voorbij aan het tot dan toe meestal gerespecteerde voordrachtsrecht van het vicariaat van Utrecht, zodat onder de katholieken in de Republiek een geweldige deining ontstond. De leden van het vicariaat, dat zich nu 'metropolitaan kapittel van Utrecht' ging noemen, verklaarden De Cock niet te zullen erkennen en riepen de hulp van de Staten van Holland in. De Staten wilden voorkomen dat de paus, die zij beschouwden als een buitenlandse mogendheid, zich via de benoeming van een vicaris zou gaan mengen in binnenlandse aangelegenheden. Zeker waren er ook afgevaardigden die maar al te graag het vuur van de onderlinge twist onder de katholieken opstookten. Op 17 augustus 1702 werd een plakkaat uitgevaardigd, waarin werd verordend, dat de benoeming van een nieuwe apostolisch vicaris voortaan door de Staten en 'de clerus' (bedoeld werd de leden van het kapittel van Utrecht) moest worden goedgekeurd volgens de gewoonten 'in deze landen gebruikelijk'; dat het De Cock, die in strijd met deze gewoonten was benoemd, verboden was jurisdictie uit te oefenen; dat niemand de bevelen van de Brusselse internuntius mocht opvolgen, en dat regulieren zich niet meer in de Republiek mochten vestigen 1 1 A.H.M. van Schaik, 'Johan Christiaan van Erckel in de Hollandse Statenvergadering: 16 augustus 1702', Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland, XII (1970); Polman, Katholiek Nederland, I, 20. Voetnoot In 1703 keerde de geschorste Codde terug naar de Republiek, nadat de Staten van Holland dat hadden afgedwongen onder de dreiging, alle jezuieten uit Holland te zullen verbannen. Codde zou zijn ambt echter niet meer uitoefenen, noch zou hij in het vervolg nog enige rol van betekenis spelen in het verzet tegen de pauselijke politiek. Behalve Van Erckel, Van Heussen en andere leden van het Utrechtse kapittel werden in deze periode de franse vluchtelingen Quesnel, Fouillou en Petitpied, bijgestaan door Zeger Bernard van Espen, hoogleraar in het kerkelijk recht te Leuven, de leidende figuren van dit verzet. In deze kring, die nu 'de Cleresie' werd genoemd, gingen stemmen op, die verklaarden dat de kapittels van Utrecht en Haarlem sede vacante het recht hadden de kerkelijke jurisdictie uit te oefenen. In februari 1703 verklaarde paus Clemens XI de rechtsmacht van deze kapittels ongeldig en verbood hen op straffe van excommunicatie die uit te oefenen. Het Haarlemse kapittel staakte daarop zijn activiteit, maar dat van Utrecht was onverzettelijk 1 1 Polman, Katholiek Nederland, I, 49-63. Voetnoot Door de tegenstand van de Staten was De Cock tenslotte in 1704 genoodzaakt om de Republiek te verlaten. In 1709 verbood de paus alle katholieken de kerken van de met de Cleresie verbonden geestelijken te bezoeken 1 In feite werd het gedeelte van de Hollandse zending, dat trouw was aan de paus (en dat waren verreweg de meeste nederlandse katholieken) in deze jaren rechtstreeks bestuurd door de internuntius te Brussel. 1 Polman, Katholiek Nederland, I, 157-203; Van Bilsen, Schisma, 47- 57. Voetnoot Op 18 december 1710 overleed Petrus Codde, zonder zich met de paus te hebben verzoend. Het kapittel van Utrecht bleef de jurisdictie sede vacante uitoefenen over de hen nog trouwe gelovigen. Het gemis van een eigen bisschop werd echter voelbaar: het was moeilijk om een (buitenlandse) bisschop te vinden die priesters wilde wijden, om aan gewijde olie te komen, en om het vormsel toe te dienen. Soms verrichtten franse, met de jansenisten sympathiserende bisschoppen deze functies, waardoor de banden met hen nauwer werden aangehaald. Zo sloten de Utrechtenaren zich in 1719 aan bij het appèl op een algemeen concilie van verschillende franse bisschoppen tegen de bul 'Unigenitus'. Vanaf dat jaar ook verbleef de geschorste franse missiebisschop Dominicus Maria Varlet in Nederland. In hem vond de Cleresie de onmisbare figuur die haar priesters, later haar bisschoppen, wilde wijden en zo haar voortbestaan in de eerste tijd na het schisma kon garanderen 1 1 J.Y.H.A. Jacobs, Johan Christiaan van Erckel, 1654-1734 (Amsterdam/Maarssen, 1981) 193-237; Polman, Katholiek Nederland I, 204-218; Van Kleef, Geschiedenis, 107-112. Voetnoot In juli 1722 werd tijdens een bijeenkomst, waar naast kapittel-deken Van Erckel, kanunnik Willem Frederik van Dalennoort en de pastoors Jacob Krijs, Franciscus Meganck en Nicolaas Broedersen, ook bisschop Varlet en de franse dominicaan Thierry de Viaixnes aanwezig waren, een brief aan paus Innocentius XIII opgesteld, waarin het recht van het kapittel van Utrecht om een eigen bisschop te kiezen werd uiteengezet. Een antwoord uit Rome op deze brief bleef uit. Men hakte nu de knoop door: ook wanneer de nieuw gekozen aartsbisschop geen confirmatio uit Rome zou krijgen, zou men hem handhaven. Desnoods zou men hem door één bisschop in plaats van door de eigenlijk benodigde drie bisschoppen laten wijden 1 1 Idem, 298-302. Voetnoot 1.03. De eigenlijke scheuring 1723-1725 Op een buitengewone, geheime kapittelvergadering in november 1722 werd besloten Cornelis Steenoven, pastoor te Leiden, tot aartsbisschop te kiezen. Toen bleek, dat bij deze verkiezing enige procedurefouten waren gemaakt, waardoor de keuze kerkrechtelijk zou kunnen worden betwist, kwam het kapittel op 23 april 1723 nogmaals bijeen en verkoos, ditmaal openlijk, met vijf stemmen voor en drie tegen opnieuw Cornelis Steenoven tot aartsbisschop. Een brief aan de paus met kennisgeving van de verkiezing, ondertekend door alle kanunniken, werd opgesteld 1 Niet dan na vele moeilijkheden, zoals de inwilliging van de voorwaarden die bisschop Varlet stelde, werd Steenoven tenslotte op 15 oktober 1724 gewijd. 1 Polman, Katholiek Nederland, I, 253-289; Van Kleef, Geschiedenis, 112, 127; Van Bilsen, Schisma, 73-77. Voetnoot Op 8 april 1724 verklaarde het college van kardinalen, dat in conclaaf bijeen was na de dood van Innocentius XIII, de verkiezing van Steenoven ongeldig, en de nieuwe paus Benedictus XIII bevestigde dit in een breve van 21 februari 1725. Daarin noemde hij ook de wijding onwettig en verbood hij Steenoven op straffe van excommunicatie het bisschoppelijk ambt uit te oefenen. Toen Steenoven daarop gewoon aanbleef was de kerkscheuring definitief. Op 30 maart 1725, vlak voor zijn dood, beriep Steenoven zich op een algemeen concilie als zijnde een hogere instantie dan de paus. Dit beroep tegen zijn excommunicatie was direct genspireerd op het appèl van de franse bisschoppen tegen de bul Unigenitus van 1717 1 Excommunicatie door de paus van de nieuw gekozen aartsbisschop van Utrecht, gevolgd door een beroep op een algemeen concilie door de betrokkene zou tot een vaste procedure worden bij al Steenovens opvolgers 2 1 De conciliaire theorie stamde overigens al uit de middeleeuwen. De strijd om de macht van een algemeen concilie tegenover die van de paus bereikte zijn hoogtepunt tijdens het concilie van Constanz (1414-1418). 2 Van Kleef, Geschiedenis, 127-130; Polman, Katholiek Nederland, I, 289-305; zie ook deze inventaris, nr. 13. Voetnoot Ondertussen had de Brusselse internuntius Spinelli besloten om Johannes van den Steen, voormalig lid van de Cleresie en pastoor te Haarlem, tot apostolisch vicaris te benoemen (december 1723). Van den Steen werd echter niet toegelaten door de Staten van Holland, hetgeen de uitoefening van zijn taak onmogelijk maakte. Hij zou de laatste apostolisch vicaris van de Hollandse zending zijn. Na zijn aftreden werd de Hollandse Zending officieel onder het toezicht van de internuntius te Brussel geplaatst. Als uitvoerders van zijn besluiten werden de aartspriesters aangewezen, die slechts beperkte bevoegdheden bezaten 1 1 Polman, Katholiek Nederland, I, 289-290; II, 31-41. Van den Steen trad feitelijk pas af in 1746. Aangezien hij echter al vanaf zijn benoeming geen werkelijke macht kon uitoefenen, hadden de aartspriesters reeds tijdens zijn ambtsperiode de dagelijkse leiding over de Hollandse Zending. Voetnoot De nederlandse katholieken waren dus vanaf 1723 definitief gesplitst in twee groepen: de aanhangers van de Kerk van Utrecht onder het bestuur van de aartsbisschop en de getrouwen van de Hollandse Zending onder het bestuur van de aartspriesters. 1.04. De Kerk van Utrecht 1723-1795 Steenoven overleed twee jaar na zijn verkiezing op 3 april 1725. Zijn opvolger, Cornelis Johannes Barchman Wuytiers, werd eveneens door bisschop Varlet gewijd. In kringen van de Cleresie zag men wel in, dat deze afhankelijkheid van één buitenlandse bisschop voor wijdingen op den duur te riskant was en begon men te denken aan suffraganen, om de apostolische successie te verzekeren. Het meest voor de hand liggend was de verkiezing van een bisschop van Haarlem. Barchman Wuytiers, die zich beschouwde als vicaris sede vacante van Haarlem, spoorde het Haarlemse kapittel aan om een bisschop te kiezen. Aangezien dit college zichzelf na het verbod door de paus van 1703 op non-actief had gesteld, reageerde het tot tweemaal toe niet. Opnieuw was het de geleerde Van Espen die het verlossende woord sprak. Volgens hem verwaarloosde een kathedraal kapittel, dat weigerde een bisschop te kiezen, zijn plicht en was het daarom krachtens het devolutierecht de taak van zijn onmiddellijke meerdere om een bisschop te benoemen en te wijden. Door deze theorie gesterkt kozen Barchman en het Utrechtse kapittel op 26 mei 1727 Theodorus Doncker, pastoor te Amsterdam, tot eerste bisschop van Haarlem sinds 1578 1 In 1758 werd ook de zetel Deventer weer bezet. Voor deze bisdommen golden de grenzen, zoals die in 1559 bij de kerkelijke herindeling waren vastgesteld. De wijding van een bisschop van Deventer onderstreepte dat het vooral ging om de verzekering van de apostolische succesie. Het bisdom telde geen parochies die de Cleresie volgden, en zodoende had de bisschop van Deventer wel de jurisdictie over zijn diocees, maar geen clerus of gelovigen. 1 Door onenigheden tussen Barchman en Doncker werd de laatste nooit gewijd, noch oefende hij zijn functie ooit uit. Pas in 1742 werd, met de verkiezing en wijding van Hieronymus de Bock, de zetel Haarlem weer daadwerkelijk bezet. Voetnoot In 1725 werd een eigen seminarie te Amersfoort opgericht, nadat het beheer van de twee priestercolleges te Leuven in Rome-getrouwe handen was overgegaan. De Kerk van Utrecht beschikte nu over een eigen priesteropleiding en eigen bisschoppen, en was daarmee voor haar voortbestaan onafhankelijk geworden van buitenlandse hulp. Wel bleef zij zich beschouwen als onderdeel van de katholieke kerk. Elke nieuwe verkiezing van een bisschop werd consequent aan Rome ter bevestiging voorgelegd, waarop de paus even consequent antwoordde met excommunicatie van de betrokkene. In leer en liturgie week de Kerk van Utrecht in het geheel niet af van de rooms-katholieke kerk. Toch kozen de nederlandse priesters en gelovigen, na de definitieve breuk tussen Utrecht en Rome, in groten getale voor de zijde van de Hollandse zending. Het verbod door de paus en de angst, dat sacramenten toegediend door de 'afvallige' priesters niet geldig zouden zijn, speelden hierbij een grote rol. Het aantal getrouwen van de Kerk van Utrecht omstreeks het midden van de eeuw wordt meestal rond de 10.000 geschat op een totaal van ongeveer 185.000 communicanten in de Hollandse Zending 1 1 J.A. de Kok, Nederland op de breuklijn Rome-Reformatie (Assen, 1964) 466; Polman, Katholiek Nederland, I, 323-325. Voetnoot De kleine Kerk van Utrecht moest zich, om te voorkomen dat ze in een isolement zou raken, op het buitenland oriënteren. Vooral met franse en zuidnederlandse geestelijken onderhield ze intensieve contacten. Vele appellanten en andere tegenstanders van de bul 'Unigenitus' verbleven voor korte of langere tijd in Nederland. Onder deze vluchtelingen waren een groep karthuizers uit verschillende franse abdijen en vijftien cisterciënzers uit de abdij te Orval (Belgisch Luxemburg). Zij plaatsten zich onder de jurisdictie van aartsbisschop Barchman en vestigden zich in de buurt van Utrecht, de karthuizers in het klooster Schonauwen bij Houten, de cistercinzers op het landgoed Rijnwijk bij Wijk bij Duurstede. Op Rijnwijk verbleven ook andere refugiés, zoals bisschop Varlet en later de uit Lyon afkomstige kanunnik Gabriel Dupac de Bellegarde. Dupac maakte zich onmisbaar voor de Kerk van Utrecht door haar geschiedenis te schrijven, relevante bronnen uit te geven en contacten met buitenlandse prelaten en andere hoogwaardigheidsbekleders te onderhouden. Een onderdeel van deze laatste taak, de correspondentie met buitenlandse sympathisanten, nam zijn vriend Jean-Baptiste Mouton na zijn dood in 1789 van hem over 1 1 Polman, Katholiek Nederland II,125; F. Smit, Franse oratorianen en de Cleresie (Amersfoort, 1981); B. van Kleef, 'De kartuizers in Holland', De Oudkatholiek (1956). Voetnoot De invloed van de uitgeweken Fransen en Zuidnederlanders bleek vooral uit de strijd rond de woekerkwestie, die in de boezem van de kerk uitbrak. De Fransen, die zeer streng waren op het gebied van de moraaltheologie, leerden dat rente vragen over geldleningen woeker was en als zodanig in de bijbel werd veroordeeld. Aartsbisschop Barchman Wuytiers, die in Parijs was opgeleid, was het daarmee eens, in tegenstelling tot de overgrote meerderheid van de geestelijkheid. Barchmans opvattingen, gevoegd bij zijn autoritaire houding tegenover het kapittel van Utrecht, leidden tot een breuk met dit college. Pas na de dood van Barchman zouden de betrekkingen tussen aartsbisschop en kapittel weer worden hersteld 1 1 Jacobs, Van Erckel, 398-415; Maan, Barchman Wuytiers, 55-72; H.J. Kollen, Katholiek of rooms-katholiek? Prosopografisch onderzoek naar de seculiere geestelijkheid in de Hollandse Zending, die later de oud-bisschoppelijke clerezie zou worden (doctoraalscriptie; Nijmegen, 1989) 6-7. Voetnoot De pogingen om aan het dreigend isolement te ontkomen werden onder de krachtige aartsbisschoppen Petrus Johannes Meindaerts (1739-1767) en Walther Michael van Nieuwenhuyzen (1767-1797) hernieuwd. Onophoudelijk trachtten zij de vrede met Rome te herstellen en zochten zij steun voor de eigen standpunten bij andere europese katholieken. Daarbij bleven zij echter vasthouden aan de afwijzing van Bul en Formulier, en aan de erkenning van het gezag van een algemeen concilie boven dat van de paus 1 1 F. de Vries, Vredespogingen tussen de oud-bisschoppelijke cleresie van Utrecht en Rome (Assen, 1930) 24-70; P.J.F.M. Harckx, De oud-bisschoppelijke cleresie en Rome (Helmond, 1963). Voetnoot In het kader van het streven naar erkenning door Rome moet ook het bijeenroepen van een provinciaal concilie te Utrecht, in september 1763, worden gezien. In de Acta van het concilie werd een sterke nadruk gelegd op de aanvaarding van het primaat van de paus 'krachtens goddelijk recht' 1 Hoewel de Kerk van Utrecht naar aanleiding van deze aan katholieke geestelijken en vorsten toegezonden Acta veel bijvalsbetuigingen ontving, werd de zo gewenste vrede met Rome niet bereikt. Clemens XIII veroordeelde de besluiten bij decreet van 30 april 1765: de deelnemende bisschoppen waren onwettig gekozen en de kerkprovincie Utrecht bestond als zodanig niet meer. Ook verschillende aartsbisschoppen en bisschoppen oordeelden negatief 2 Vier jaar na het concilie van Utrecht, in 1767, overleed aartsbisschop Meindaerts. Onder zijn opvolger, Walter Michael van Nieuwenhuyzen, werden weer verschillende verzoeningspogingen met Rome ondernomen. Door de plotselinge dood van Clemens XIV in 1774 gingen de uiteindelijke vredesbesprekingen echter niet door 3 1 Acta et decreta secundae provinciae ultrajectensis in sacello ecclesiae parochialis sanctae Gertrudis (Utrecht, 1764); zie ook deze inventaris nr.112 (niet-verzonden exemplaar aan Richard Lincoln, bisschop van Dublin). 2 Polman, Katholiek Nederland, II, 139-142; Van Bilsen, Schisma, 111-112; zie ook deze inventaris nrs. 107-110, 142, 163-167 en 193-194. 3 De Vries, Vredespogingen, 92-217; Polman, Katholiek Nederland, II, 153-160. Voetnoot Intussen liepen de aantallen priesters en gelovigen verder terug. Volgens schattingen bedroeg het aantal leden van de Cleresie in de periode 1775-1800 vijf- tot tienduizend, tegenover ongeveer 230.000 communicanten van de Hollandse zending 1 1 Van Bilsen, Schisma, 120-121; Polman, Katholiek Nederland, II, 160-161; zie ook deze inventaris, nr. 188. Voetnoot 1.05. Franse tijd en Koninkrijk der Nederlanden tot 1889 Na de Bataafse Omwenteling en de instelling van de vrijheid van godsdienstuitoefening in 1795 werd in rooms-katholieke kring al spoedig gedacht aan herstel van de normale bisschoppelijke hirarchie. De Kerk van Utrecht, voor wie nu de bescherming van de protestantse overheid wegviel, vreesde bij deze plannen onder de voet te worden gelopen. Een van haar pleitbezorgers was de bisschop van Blois, Henri Grégoire, die in 1806 in Nederland verbleef en een pamflet uitgaf, waarin hij het voorstel deed, alle nederlandse katholieken onder het bestuur van de bestaande aartsbisschop van Utrecht te verenigen 1 Andere sympatisanten waren realistischer en pleitten voor hereniging met Rome, waardoor, naar men hoopte, invloed kon worden uitgeoefend op de benoeming van nieuwe bisschoppen. Ook van rooms-katholieke zijde gingen in deze tijd verzoeningsgezinde stemmen op. 1 L.J. Rogier, Henri Grégoire en de katholieken van Nederland (Hilversum, 1964); zie ook deze inventaris nr. 238. Voetnoot In 1806 werd de katholieke Lodewijk Napoleon koning van Holland. Zijn streven was gericht op eenheid onder de nederlandse katholieken en op een nationale kerkorganisatie met een behoorlijke vinger in de pap voor de regerend vorst, naar het voorbeeld van zijn broer de keizer. In 1807 ondervond hij, welke moeilijkheden dit in Nederland met zich meebracht. In dat jaar brak een twist uit binnen de Kerk van Utrecht tussen verzoeningsgezinde jonge geestelijken, van wie Martinus Glasbergen, pastoor te Den Helder, de belangrijkste was, en het establishment, onder wie aartsbisschop Van Rhijn en kapittelvicaris Van Os. Groot was de verontwaardiging onder zijn tegenstanders toen Glasbergen onder het pseudoniem Ireneus een pamflet publiceerde, De rooms-katholieke kerk van Holland in haren ouden luister hersteld, waarin hij voorstelde, voortaan maar te zwijgen over Bul en Formulier. Ook pleitte hij voor aftreden van de drie bisschoppen, waarna het aan de paus overgelaten moest worden nieuwe te benoemen. Zowel de ireneïsten als de drie bisschoppen richtten zich in verzoekschriften tot Lodewijk Napoleon om hun zaak te bepleiten; de koning echter vroeg in alle gevallen eerst om ondertekening van Bul en Formulier. Ook Glasbergen en de zijnen wilden tenslotte niet zover gaan. Na 1808 werd niets meer van de ireneïsten vernomen 1 1 Van Kleef, Geschiedenis, 160-164; Van Bilsen, Schisma, 126-133; zie ook deze inventaris, nrs. 223-224, 241, 724-726 en 759. Voetnoot Lodewijk Napoleon, die in kerkelijke zaken werd geadviseerd door zijn aalmoezeniers, Pierre Lamblardie en de jezuïet Paul Bertrand, was er inmiddels van overtuigd geraakt, dat de stijfkoppige Kerk van Utrecht moest verdwijnen. Toen aartsbisschop Van Rhijn op 24 juni 1808 stierf, verbood de koning het kapittel dan ook een opvolger te kiezen. Het bestuur van de kerk werd sede vacante in handen gelegd van de vicarissen Willibrord van Os en Gijsbertus de Jong, tevens bisschop van Deventer. Toen in 1810 ook de bisschop van Haarlem, Van Nieuwenhuizen, stierf, volgde een soortgelijk verbod. De toestand was precair: wanneer de enig overgebleven bisschop, de bejaarde De Jong, zou sterven, zou niemand meer nieuwe priesters en bisschoppen kunnen wijden en zou de kerk gedoemd zijn te verdwijnen 1 1 Van Kleef, Geschiedenis, 164-165. Voetnoot Na de inlijving van het koninkrijk Holland in 1810 werden de beslissingen ook in kerkelijke zaken genomen door Napoleon zelf. Bij zijn bezoek aan Nederland in 1811 ontving hij vertegenwoordigers van zowel de rooms-katholieken als de Clerezie in audiëntie. Bij die gelegenheid gaf hij van enige sympathie blijk voor de laatsten, maar vóór alles wilde hij eenheid in de gelederen en hij spoorde beide partijen dan ook aan zich te verzoenen 1 Wanneer de gedwongen hereniging, die in de volgende jaren werd voorbereid, werkelijk zou hebben plaatsgevonden, zou de Kerk van Utrecht geheel zijn opgeslokt in de nieuwe kerkorganisatie 2 1 Voor verslagen van deze audientie zie H.T. Colenbrander, Inlijving en opstand (1913) 130-145; De Oudkatholiek (1953) 34 en 112, deze inventaris nrs. 251 en 272. 2 Van Kleef, Geschiedenis, 166-167; P. Albers, Geschiedenis van het herstel der hirarchie in de Nederlanden (2 dln; Nijmegen, 1903) I, 31-33. Voetnoot De val van Napoleon in 1813 en de oprichting van het nieuwe koninkrijk der Nederlanden onder Willem I brachten echter een geheel nieuwe situatie. Het kapittel ging zo snel mogelijk over tot de verkiezing van vicaris Willibrordus van Os tot aartsbisschop, op 10 februari 1814. Hij werd op 24 april door bisschop De Jong gewijd. De nieuwe regering was ontstemd over de wijding, omdat haar niet om toestemming was gevraagd. In mei 1814 berispte minister Roëll daarover het kapittel. In 1815 werd een nieuwe bisschop van Haarlem benoemd, Johannes Bon. Ditmaal werd wel regeringstoestemming gevraagd, maar toen die uitbleef, werd tenslotte in 1819 besloten toch maar tot wijding over te gaan. In 1825 was de regering (die een concordaat met de paus voorbereidde) bereid om zowel Johannes Bon als de nieuwe aartsbisschop van Utrecht Johannes Van Santen en bisschop van Deventer Wilhelmus Vet te erkennen, mits zij zich voortaan (aarts)bisschop te, en niet meer van Utrecht, Haarlem en Deventer zouden noemen. Dit weigerden zij echter 1 1 Van Kleef, Geschiedenis, 170- 171. Voetnoot In augustus 1827 kwam het concordaat tussen Leo XII en Willem I tot stand. In principe werd daarin voorzien in het herstel van de rooms-katholieke hiërarchie in het koninkrijk. De Kerk van Utrecht, die in het geheel niet in de zaak gekend was, probeerde nog uit alle macht om enige invloed uit te oefenen; gesprekken met pauselijk nuntius Capaccini en Willem I haalden echter niets uit 1 Toen de kwestie van de niet-erkenning van de bisschoppen van de Clerezie in 1847 in de Tweede Kamer ter sprake kwam, verklaarde de regering, geen partij te willen kiezen tegen Rome 2 1 Albers, Geschiedenis, II, 301-107 en 338-339; deze inventaris, nrs. 330-334, 437, 716-719, 736 en 738. 2 Van Bilsen, Schisma, 148-149; Van Kleef, Geschiedenis, 173-174. Voetnoot Toen in 1853 tenslotte een nieuwe rooms-katholieke hiërarchie in Nederland werd ingesteld, met een aartsbisschop van Utrecht en een bisschop van Haarlem naast die van de Kerk van Utrecht, was dat voor de laatste zeer pijnlijk. De bisschoppen Van Santen, Van Buul en Vet richtten zich met een protest tot de koning, waarin zij erop aandrongen dat de regering erkenning van de nieuwe, volgens hun standpunt onwettig benoemde, bisschoppen zou weigeren. Ook claimden zij het exclusieve recht op de titels 'aartsbisschop van Utrecht' en 'bisschop van Haarlem'. Deze eisen werd niet ingewilligd, maar wel gaf de regering de Kerk van Utrecht nu expliciet de bevoegdheid om eigen bisschoppen te benoemen met de door hen gewenste titulatuur. Voortaan zouden er dus twee aartsbisschoppen van Utrecht en twee bisschoppen van Haarlem zijn, beide door de regering erkend 1 1 Van Kleef, Geschiedenis, 175-177; F. Smit, '1723-1923, de goede slechte start van 1763', in: Onafhankelijk van Rome, toch katholiek, 250 jaar oud-katholieke geschiedenis (Hilversum, 1973) 47-62; de titel 'bisschop van Deventer' was niet in het geding, omdat er geen rooms-katholiek bisdom Deventer was ingesteld. Voetnoot In 1854 werd in Rome het dogma van de onbevlekte ontvangenis van Maria werd afgekondigd, waartegen de Kerk van Utrecht een scherp protest liet horen. Ook met het op het Vaticaanse Concilie van 1869-1870 afgekondigde dogma van de onfeilbaarheid van de paus konden de bisschoppen van de Clerezie zich onmogelijk verenigen. De scheuring tussen Utrecht en Rome was daarmee niet meer alleen kerkrechtelijk, maar ook leerstellig van aard geworden 1 1 Smit,'1723-1923. De goede slechte start van 1763', 63-65. Voetnoot In Duitsland kwam een beweging onder theologen op gang onder leiding van professor Ignaz von Döllinger, die zich eveneens tegen het nieuwe dogma keerde. Von Döllinger werd in 1871 in de ban gedaan, maar dit kon zijn geestverwanten niet afschrikken. Nog hetzelfde jaar werd in München de Altkatholische Kirche opgericht, zo genoemd, omdat de duitse oud-katholieken zichzelf als de vertegenwoordigers van de oude kerk beschouwden. De rooms-katholieke kerk was immers in hun ogen met de onfeilbaarheidsverklaring van 1870 een nieuwe weg ingeslagen. De nieuwe duitse kerk en de Kerk van Utrecht, die zich om de verwantschap te benadrukken nu ook 'oud-katholiek' begon te noemen, zochten al snel toenadering. In 1872 reisde aartsbisschop Loos naar Duitsland om daar aan oud-katholieken het vormsel toe te dienen. In 1873 werd de eerste duitse oud-katholieke bisschop, Joseph Reinkens, gewijd door Hermanus Heykamp, bisschop van Deventer. Kort daarna volgden contacten met zwitserse en oostenrijkse oud-katholieken. De duitstalige geestverwanten bleken veel vrijzinniger dan de Nederlanders; zo lieten de Zwitsers al in 1876 het priestercelibaat los en werkten de Duitsers aan een liturgie geheel in de moedertaal. Men zag in Utrecht wel in, dat verbinding met andere kerken het enige redmiddel uit het isolement was. De nederlandse oud-katholieke kerk besloot dus een nieuwe richting in te slaan 1 1 Van Kleef, Geschiedenis, 177-193. Voetnoot 1.06. De oud-katholieke kerk van Nederland 1889-heden In 1889 kwamen de drie nederlandse, de duitse en de zwitserse oud-katholieke bisschoppen te Utrecht bijeen, waar zij een permanente bisschoppenconferentie, de 'Unie van Utrecht', instelden onder voorzitterschap van de aartsbisschop van Utrecht. De Unie zou elke twee jaar vergaderen. De aangesloten kerken zouden in volle kerkelijke gemeenschap met elkaar staan; nieuwe leden konden bij eenstemmig besluit van alle deelnemers worden toegelaten. Ook gaven de bisschoppen een belangrijke verklaring over hun leerstellige grondslag uit, bekend geworden als de 'Utrechtse bisschoppenverklaring van 1889'. De belangrijkste punten daaruit waren: vasthouden aan het geloof van de oude, onverdeelde katholieke kerk van vóór het oosterse schisma van 1053 (waaronder het geloof in het ereprimaat van de paus); verwerping van de uitspraken van het concilie van Trente voor zover strijdig met de oude leer; verwerping van alle sinds 1053 uitgevaardigde bullen (bijvoorbeeld 'Unigenitus') voor zover strijdig met de oude leer; verwerping van de dogma's van de onbevlekte ontvangenis van Maria en van de onfeilbaarheid van de paus 1 1 Idem, 195-197; deze inventaris, nr. 540. Voetnoot De bisschoppenverklaring betekende voor de nederlandse oud-katholieke kerk een revolutie vergeleken met de conciliebesluiten van 1763, waarin nog wel het concilie van Trente en andere na 1053 gehouden concilies waren erkend en waarin aan de paus werkelijke macht was toegekend. De verklaring van 1889 markeerde een welbewuste, volledige breuk met Rome en effende de weg voor verbinding met andere kerken zoals de anglicaanse en de oosters-orthodoxe. Tijdens het episcopaat van aartsbisschop Gul onderging de nieuwe kerk belangrijke interne veranderingen. De vasten- en zondagsplichten werden losgelaten (1900), de liturgie geschiedde vanaf 1909 in de moedertaal, er kwam in 1920 een andere, meer democratische organisatie met een uit priesters en leken bestaande synode, die meebeslist over de verkiezing van nieuwe bisschoppen, en in 1922 werd het priestercelibaat afgeschaft 1 In dezelfde periode sloten zich meer kerken bij de Unie van Utrecht aan: de Pools-nationale kerk van Noordamerika, bestaande uit poolse emigranten, de kerk der Mariavieten in Polen zelf, en de tsjechische en joegoslavische oud-katholieke kerken. 1 Zie deze inventaris, nrs. 470 en 702-709. Voetnoot Er werd ook contact gelegd met de anglicanen, die steeds vertegenwoordigd waren op de oud- katholieke congressen. In 1931 kwam een 'intercommunio in sacris' tot stand met de anglicaanse kerk, een beperkte intercommunie met de mogelijkheid tot uitwisseling van wijdingen en sacramenten. In 1961 werd dit omgezet in volledige intercommunie 1 Met de oosters-orthodoxe kerken werden al vanaf 1891 besprekingen gevoerd en zelfs met de rooms-katholieke kerk is sinds de jaren zestig een dialoog op gang gekomen 2 De bisschop van Deventer, Engelbertus Lagerwey, heeft zich bijzonder aktief betoond op het terrein van de interkerkelijke verhoudingen. Hij heeft zich ook volop ingezet voor het oud-katholieke verenigingsleven in Nederland, dat in de 20e eeuw een grote bloei kende. 1 B.W. Verhey, L'Eglise d'Utrecht (Utrecht, 1981) 219-233; deze inventaris, nr. 561 en 682-684. 2 Verhey, L'Eglise d'Utrecht, 234-266; deze inventaris, nrs. 686-688 en 691. Voetnoot 1.07. Organisatie van het aartsbisdom; positie en taken van de aartsbisschop De Kerk van Utrecht bleef in principe vasthouden aan de kerkelijke indeling van 1559. Haar organisatie verschilde daar in zoverre van, dat door de geringe omvang van de kerk de bisschoppelijke zetels van Middelburg, Groningen en Leeuwarden niet werden bezet, terwijl de zetel Deventer slechts nominaal werd bezet. Ook de meeste aartspriesterschappen bleven onbezet: slechts in Utrecht, Schieland, Rijnland en Delfland was en is een oud-katholieke aartspriester (een functionaris die de rooms-katholieke kerk sinds 1853 niet meer kent). Door de terugloop gedurende de achttiende eeuw bleven er op den duur nog maar weinig parochies over. De bevoegdheden en het gezag van de aartsbisschop van Utrecht waren in theorie niet anders dan die van zijn rooms-katholieke collega. De potestas iurisdictionis, de bestuursmacht, bestond uit de bevoegdheid om wetten en besluiten uit te vaardigen binnen het aartsbisdom, om dispensaties te verlenen (bijvoorbeeld bij de voltrekking van huwelijken in verboden graden van verwantschap), en om aartspriesters, pastoors en kapelaans te benoemen en eventueel te suspenderen. Verder viel eronder de plicht om toezicht te houden op priesteropleidingen, op kloostercongregaties (in het geval van Utrecht waren dit alleen de uitgeweken franse en zuidnederlandse monniken) en op levenswijze en ambtsuitoefening van de lagere geestelijkheid. Ook had de bisschop de bevoegdheid om de parochies in het aartsbisdom te visiteren en om pauselijke decreten af te kondigen. Dat laatste gebeurde bijvoorbeeld bij de afkondiging van pauselijke jubilees. De excommunicaties van de (aarts)-bisschoppen en andere tegen de Kerk van Utrecht gerichte decreten werden vanzelfsprekend niet afgekondigd! Behalve de gewone bisschoppelijke rechten hadden zij als aartsbisschop nog bepaalde rechten in de hele kerkprovincie Utrecht. Een daarvan was het devolutierecht, dat wil zeggen het recht om bij verzuim door de kerkelijke overheden in de suffragane bisdommen de jurisdictie uit te oefenen. Van dit recht maakten de aartsbisschoppen van Utrecht in de periode 1725-1742 gebruik in het bisdom Haarlem. Bij de aartsbisschoppelijke bevoegdheden hoorde ook het recht synoden bijeen te roepen van de hele kerkprovincie, zoals Meindaerts in 1763 deed. De potestas ordinis, de wijdingsmacht, voortkomend uit de volheid van het priesterlijk ambt, omvatte de bevoegdheid om alle sacramenten toe te dienen, ook de priesterwijding en het vormsel. Het bijzondere karakter van de Kerk van Utrecht kwam organisatorisch vooral tot uiting in de verkiezingsprocedure van de aartsbisschop. Anders dan in andere kerkprovincies werd hij niet benoemd door de paus, al of niet op aanwijzing van de vorst of landsheer, maar gekozen door het metropolitaan kapittel. De gevraagde confirmatio door Rome van deze verkiezing bleef uit, maar lokte integendeel steevast de excommunicatie van de betrokkene uit. Veruit de meeste tijd en energie van de aartsbisschoppen werd in beslag genomen door pogingen tot herstel en onderhoud van de betrekkingen naar buiten, vooral die met de Heilige Stoel en met andere katholieke gezagsdragers. Vóór 1853 was de energie onophoudelijk gericht op het herstel van de band met Rome, daarna op de contacten met andere geestverwante kerken. Deze gerichtheid naar buiten konden de aartsbisschoppen zich permitteren dankzij de geringe omvang van de kerk; aan het toezicht op de weinige, kleine parochies en aartspriesterschappen hadden zij nauwelijks een dagtaak. Zo bleven bijvoorbeeld de aartsbisschoppen Van der Croon en Loos na hun verkiezing gewoon aan in de pastoorsfuncties, die zij daarvoor al vervulden, iets dat in rooms-katholieke aartsbisdommen ondenkbaar zou zijn. 1.08. De archieven Waarschijnlijk beheerden de aartsbisschoppen tijdens hun leven hun eigen archief, al is het mogelijk dat (afschriften van) de correspondentie van de aartsbisschoppen Meindaerts en Van Nieuwenhuyzen met het buitenland, die door Dupac de Bellegarde en anderen op Rijnwijk werd verzorgd, daar (tijdelijk) werd bewaard. Dupac zal de archieven hebben gebruikt bij het samenstellen van het Recueil de témoignages en het schrijven van zijn historische werken. Van Rijnwijk zullen de papieren dan met Dupacs opvolger Jean-Baptiste Mouton zijn meeverhuisd naar het 'Franse Huis' Achter Clarenburg te Utrecht, dat in 1825 ambtswoning van de aartsbisschoppen werd. Na de dood van aartsbisschop Loos in 1873 werd een deel van de aartsbisschoppelijke archieven tot en met het episcopaat van Loos overgebracht naar het seminarie te Amersfoort. Daar werden zij in de jaren 1885-1890 door de boekhandelaar J. Hooykaas provisorisch beschreven 1 Een ander gedeelte van de aartsbisschoppelijke archieven tot 1763 bleef te Utrecht achter in de bewaarplaats in de Gertrudiskerk. Dit gedeelte werd rond 1830 door de historicus J.J. Dodt van Flensburg globaal beschreven 2 Diverse malen werd er door historici op gewezen, hoe nadelig het was dat de verschillende oud-katholieke archieven over beide bewaarplaatsen verspreid en onderling vermengd waren geraakt 3 1 J. Bruggeman, Supplement op de inventaris van de archieven bij het metropolitaan kapittel van Utrecht van de Roomsch katholieke kerk der oudbisschoppelijke clerezie (onuitgegeven manuscript, 's- Gravenhage, 1944) inleiding, 1. 2 J.J. Dodt van Flensburg, manuscript-inventaris O.B.C., nr. 1632. 3 Bruggeman, Supplement, inleiding, 1. Voetnoot In 1919 kreeg J. Bruggeman, voormalig oud-katholiek priester en hoofdcommies bij het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage, van de Commissie van Advies voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën de opdracht de in Utrecht berustende archivalia te inventariseren. Het einddoel zou een bronnenpublicatie zijn; zover is Bruggeman echter nooit gekomen. De inven- tarisatie alleen al zou de rest van zijn leven in beslag gaan nemen 1 De Utrechtse archieven werden ter inventarisatie overgebracht naar het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. In 1929 was het werk gereed en verscheen de inventaris in druk. Een gedeelte van de hier beschreven archieven, namelijk die uit de periode 1723-1763, werd daarin opgenomen 2 1 A. J. van de Ven, 'In memoriam J. Bruggeman', Nederlands Archievenblad, LXVII (1956/1957) 65-66. 2 J. Bruggeman, Inventaris van de archieven bij het metropolitaan kapittel van Utrecht van de roomsch-katholieke kerk der oud- bisschoppelijke clerezie ('s-Gravenhage, 1928). De inventaris verscheen in werkelijkheid pas een jaar later, in 1929. Voetnoot In 1930 kreeg Bruggeman een nieuwe opdracht, ditmaal van het oud-katholieke metropolitaan kapittel, om ook de in Amersfoort berustende archieven te inventariseren. Ook deze werden daartoe in de periode 1930-1939 in gedeelten overgebracht naar het Algemeen Rijksarchief in 's-Gravenhage. Het resultaat, de supplement-inventaris, was in 1944 in handschrift gereed; deze bevatte zoveel aanvullingen op de inventaris van 1928, dat deze laatste geheel moest worden omgenummerd. In het supplement werd het grootste gedeelte van de aartsbisschoppelijke archieven, namelijk aanvullingen op de periode 1723-1763, plus de periode 1763-1873, beschreven. Bruggeman, die na zijn pensionering had doorgewerkt aan de inventarisatie en verdere ontsluiting van oud-katholieke archieven, stierf in 1956 op 86-jarige leeftijd. In hetzelfde jaar nam A.J. van de Ven, rijksarchivaris in de provincie Utrecht en Bruggemans opvolger als archivaris van de oud-katholieke kerk, alle in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage berustende oud-katholieke archieven tijdelijk in bewaring in Utrecht. Dit zou duren tot een nieuwe archiefbewaarplaats in Amersfoort gereed zou zijn 1 De voorlopige inbewaringneming werd echter steeds stilzwijgend verlengd, en tenslotte in 1968 in een definitieve omgezet. In de overeenkomst werden de archieven van de aartsbisschoppen tot 1873 expliciet genoemd 2 1 Archief Rijksarchief Utrecht, inv.nr. 93, 1956, nr. 108 (23 maart). 2 Idem (ongeïnventariseerd), overeenkomst 5 juli 1968. Voetnoot In 1983 werden ook de archieven van de aartsbisschoppen Heykamp, Gul en Kenninck, die de periode 1875-1937 bestreken, overgebracht naar het rijksarchief in Utrecht 1 Deze waren tot nu toe slechts door middel van een magazijnlijst toegankelijk gemaakt. 1 Idem (ongeïnventariseerd), proces-verbaal van overbrenging, 1 mei 1983. Voetnoot 1.09. De (her)inventarisatie Voor de bezoeker is het raadplegen van de O.B.C.-archieven via Bruggemans inventaris niet eenvoudig. In de eerste plaats is het fonds zeer omvangrijk en onoverzichtelijk. Een tweede nadeel is, dat de onderzoeker zowel de gedrukte inventaris van 1928 als het supplement van 1944 moet raadplegen. Het laatste bevat talloze doorhalingen en aanvullingen, die evenmin het zoeken vergemakkelijken 1 Een derde obstakel is Bruggemans wijze van inventariseren, die in zijn tijd al afweek van de gangbare eisen. Per persoon bracht hij alle stukken onder in drie afdelingen: 'Ingekomen stukken', 'Minuten van uitgaande stukken' en 'Kopieën'. Bij de hier beschreven archieven vormde hij geen rubrieken binnen de afdelingen, iets wat hij bij de zeventiende- eeuwse archivalia wel had gedaan. Per afdeling rangschikte hij de stukken chronologisch, welke ordening soms, vooral in grote pakken, geheel door elkaar was geraakt. Het was in de aldus geordende archieven niet eenvoudig stukken betreffende een bepaald onderwerp op te sporen. 1 Zie ook A.J. van de Ven, 'De archieven van de oud-katholieke kerk', in: Nederlands Archievenblad 66 (1962), 210. Voetnoot Herinventarisatie was om al deze redenen gewenst. Besloten werd om het O.B.C.-fonds op te delen naar de verschillende archiefvormers, en de aldus gescheiden archieven apart te bewerken. Deze inventaris is het resultaat van het eerste gedeelte van deze operatie: de herinventarisatie van de archieven van de aartsbisschoppen van Utrecht 1723-1873, aangevuld met de inventarisatie van de archieven van hun opvolgers, 1875-1937. Met opzet spreken wij van archieven, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat zij, tot 1875, ooit zijn gevormd of behandeld als het doorlopende archief van een instelling 1 Zij dragen, zoals ook Bruggeman al opmerkte, het karakter van persoonlijke archieven 2 1 Zo zijn er, tot 1875, op twee uitzonderingen na (de nrs. 100 en 174) geen registers of andere stukken, die door meerdere aartsbisschoppen zijn gebruikt. 2 Bruggeman, Inventaris, inleiding, 10. Voetnoot Bij de herinventarisatie is dan ook besloten, de ordening per persoon te handhaven. Wel zijn enkele correcties aangebracht. De stukken die door Bruggeman niet bij de juiste aartsbisschop waren geplaatst, zijn daarnaar teruggebracht. Tevens konden de meeste anonymi onder de correspondenten door vergelijking van handschriften of op grond van de inhoud der stukken worden geïdentificeerd. Hoe de ordening per aartsbisschop bij de archiefvorming geweest is, valt niet meer na te gaan. Volgens Bruggeman trof hij de archieven in een staat van wanorde aan 1 Vóór hem zijn de stukken al door vele handen gegaan; uit de aantekeningen en de nummeringen op de stukken, door Dupac de Bellegarde en anderen aangebracht, kan echter geen eenduidige oude orde worden gereconstrueerd. Herstel daarvan (zo deze er al ooit was) was dus ondoenlijk. Daarom is bij herinventarisatie vooral uitgegaan van praktische overwegingen. 1 Idem, 11. Voetnoot Per aartsbisschop zijn de stukken onderverdeeld in 'ambtelijke stukken' en 'persoonlijke stukken'. Onder 'ambtelijke stukken' zijn die stukken beschreven die voortkwamen uit het episcopaat van de betreffende persoon; onder de 'persoonlijke stukken' zijn alleen die stukken geplaatst die daar geen betrekking op hadden. Daarbij is omwille van de bijzondere functie van bepaalde stukken soms afgeweken van de theorie van de archivistiek. Zo horen de akten van verkiezing en wijding bijvoorbeeld strikt genomen tot de persoonlijke stukken. Aangezien bij de Kerk van Utrecht echter de verkiezing en wijding van een aartsbisschop zo'n cruciale kwestie was, is daar een aparte rubriek aan gewijd, waarin volledigheidshalve ook de verkiezings- en wijdingsakten ondergebracht zijn. De ambtelijke stukken zijn onderverdeeld in 'Stukken van algemene aard' en 'Stukken betreffende bijzondere onderwerpen'. Onder de 'Stukken van algemene aard' zijn de ingekomen en minuten van uitgaande brieven alfabetisch geordend op naam van de afzender of geadresseerde. Hiervoor werd gekozen omdat de chronologische ordening door Bruggeman in de praktijk niet bleek te voldoen 1 1 De ingekomen brieven van aartsbisschop Loos werden merkwaardig genoeg door Bruggeman wel alfabetisch geordend. Voetnoot De 'Stukken betreffende bijzondere onderwerpen' zijn zoveel mogelijk tot dossiers gevormd en ondergebracht in rubrieken. De hoofdindeling van deze afdeling is naar de organisatie van het aarts- bisdom en de taakonderdelen van de aartsbisschop. De eerste rubriek, 'Organisatie', bevat alle stukken die het bestuur door de aartsbisschop als zodanig betreffen. De stukken die werden ontvangen of opgemaakt uit hoofde van de taken, voortkomend uit de potestas iurisdictionis, de bestuursmacht, zijn vervolgens in de rubriek 'Bestuur' ondergebracht, terwijl de uit de potestas ordinis, de wijdingsbevoegdheid voortvloeiende stukken in de rubriek 'Verrichting van wijdingen' zijn geplaatst. Bij enkele bisschoppen komen ook nog stukken voor die hun toezicht op de kerkleer en de liturgie betreffen en/of de zielzorg, die zij direct uitoefenden. Daarvoor zijn aparte rubriekjes ingericht. Bestuur van kerkprovincie en van aartsbisdom zijn niet van elkaar gescheiden, aangezien er geen aanwijzingen zijn, dat de aartsbisschoppen zelf een dergelijk onderscheid maakten, en omdat dat bovendien een versnippering in vele kleine rubriekjes zou betekenen. Na 1875 verliest het aartsbisschoppelijk archief zijn persoonlijk karakter en wordt het veel meer het archief van een instelling. De aartsbisschoppen Heykamp, Gul en Kenninck gebruikten een eenvoudig alfabetisch-systematisch rubriekenstelsel, waarbij de rubrieken over de hele periode 1875- 1937 bleven doorlopen. Bij de inventarisatie zijn deze rubrieken intakt gelaten. De systematiek is, waar nodig, sluitend gemaakt, en zoveel mogelijk analoog aan de indeling die bij hun voorgangers gebruikt is. Enkele rubrieken (bijv. nrs. 595, 635) liepen door tot na 1937. Blijkbaar werden deze tijdens het episcopaat van Andreas Rinkel (1937-1970) aangevuld en niet bij diens eigen archief bewaard; daarom werd dit zo gelaten. Voor de archieven van de bisschoppen van Deventer tot 1941 bestond een plaatsingslijst van de hand van Bruggeman. Hij had hierbij hetzelfde ordeningsprincipe gehanteerd als in de inventaris van de O.B.C. en de stukken per bisschop onderverdeeld in 'Ingekomen stukken', 'Minuten van uitgaande stukken' en 'Kopieën'. De orde van deze in grote pakken bijeengebrachte stukken was vaak door elkaar geraakt. Dit was een van de redenen waarom tot herinventarisatie werd besloten. Ook de archieven van de bisschoppen van Deventer zijn te beschouwen als persoonlijke archieven. Dit ligt des te meer voor de hand, daar het om bisschopen ging zonder eigenlijk diocees, vergelijkbaar met het instituut van de titulair bisschop in partibus infidelium. Bij de indeling van de archieven is uitgegaan van hetzelfde criterium dat is toegepast op de aartsbisschoppelijke archieven: een verdeling in ambtelijke en persoonlijke stukken. Onder 'Andere functies' zijn die stukken ondergebracht, die betrekking hebben op overige ambten, door de persoon in kwestie vóór of tijdens zijn ambtsperiode bekleed. Hoewel deze strikt genomen gerekend kunnen worden tot de persoonlijke stukken, zijn zij in een afzonderlijke rubriek ondergebracht, daar deze functies in een aantal gevallen voortvloeiden uit het bisschopsambt en zich meestal uitstrekten tot de kerkelijke en religieuze levenssfeer. De ingekomen en minuten van uitgaande stukken zijn over het algemeen alfabetisch en daarbinnen chronologisch geordend. In twee gevallen is daarvan afgeweken. Johannes Hermanus Berends (1929-1941) had op zijn correspondentie een agenda aangelegd. Het had weinig zin om deze aangetroffen orde te verstoren voor een andere ordeningswijze, daar het opzoeken van de stukken via de agenda op eenvoudige wijze kan geschieden. Van de uitgebreide correspondentie van Engelbertus Lagerwey (1941-1959) is de door hemzelf aangebrachte orde intact gelaten om dezelfde redenen. Lagerwey heeft met die ordening al een aanvang gemaakt ver vóór zijn bisschopswijding. De ingekomen brieven heeft hij eerst alfabetisch en vervolgens chronologisch gerangschikt, zijn uitgaande brieven daarentegen zuiver chronologisch. Dit laatste is zo gelaten, omdat de hoeveelheid werk om dit alfabetisch te herordenen niet opwoog tegen het extra gemak dat de onderzoeker er van zou hebben. Het is bovendien vrij eenvoudig om, aan de hand van de datum van de ingekomen brieven, die wel alfabetisch geordend zijn, de minuten van de antwoorden hierop terug te vinden. Wel is de briefwisseling van Lagerwey met de verschillende oud-katholieke instellingen, zoals vereningingen en fondsen, uit de algemene correspondentie afgezonderd en onder de desbetreffende hoofdjes van de rubriek 'Episcopaat' ondergebracht. Het belang van het oud-katholieke vereningingsleven en van Lagerwey's bemoeienissen daarmee komt daardoor beter tot zijn recht. 1.10. Aanwijzingen voor de gebruiker Het is misschien niet overbodig er hier nog eens op te wijzen, dat wanneer men in de archieven tot 1875 stukken zoekt over een bepaald onderwerp, het niet voldoende is om in de betreffende rubriek te kijken. Vaak bevindt zich een groot deel van de stukken in de afdeling 'Stukken van algemene aard', met name bij de correspondentie. Ook de bijlagen bij de brieven kunnen zeer belangrijk zijn. Een enkele keer wordt in een daarnaar verwezen. In het archief van Barchman Wuytiers (1725-1733) bevinden zich ook stukken die betrekking hebben op zijn vicarisschap van Haarlem, welke functie immers in zijn eigen ogen voortvloeide uit zijn rechten als aartsbisschop. Stukken uit deze periode over het college Pulcheria of Hollands College te Leuven (dat immers werd beheerd door het Haarlems kapittel) en betreffende parochies in het bisdom Haarlem, zijn dan ook te vinden in de rubriek 'Suffragane bisdommen' in het archief van Barchman. Deze nummers vormen dus een aanvulling op de in het Rijksarchief te Haarlem berustende archieven van de oud-katholieke bisschoppen van Haarlem 1 1 Inventaris: J.R. Persman, Archieven van het bisdom Haarlem van de oud-katholieke kerk, 1561-1967. Inventarisreeks Rijksarchief Noordholland, nr. 43 (Haarlem, 1985). Voetnoot Aan het episcopaat van de eerste aartsbisschop, Cornelis Steenoven (1723-1725) ging een periode vooraf waarin hij als vicaris de kerk bestuurde (1719-1723). Omdat hij ook in deze periode de hoofdbestuurder van de kerk was, zijn de archieven uit beide perioden als één geheel beschreven. Hetzelfde geldt voor het archief van Willibrordus van Os (1814-1825). Aan zijn ambtsperiode ging een aartsbisschoploos tijdperk vooraf (1808-1814), waarin Van Os als vicaris de kerk bestuurde en waarin hij grotendeels dezelfde taken uitoefende als tijdens zijn latere episcopaat. Ook deze stukken zijn, om nodeloze versnippering te voorkomen, bij die uit de periode van zijn episcopaat gevoegd. Alle andere archivalia, die betrekking hebben op ambten die de betreffende persoon bekleedde voordat hij aartsbisschop werd, zijn steeds te vinden onder de 'Persoonlijke stukken'. De enige uitzondering vormen de stukken, door aartsbisschop Loos (1858-1873) opgemaakt en ontvangen uit hoofde van de functie van algemeen secretaris van het episcopaat, die hij van 1853 tot 1858 bekleedde. Deze zijn omwille van de continuteit tussen de archieven van de andere secretarissen geplaatst. Aartsbisschop Loos was de eerste, die een doordachte archiefordening toepaste. Hij legde dossiers aan, waarbinnen hij de ingekomen brieven en andere stukken nummerde, en agenda's, waarin werd verwezen naar deze stukken en naar de bijbehorende plaatsen in het Akteboek, de registers van brieven en de dagboeken. Meestal fungeerden de agenda's tevens als register van uitgaande stukken (zie bijvoorbeeld de nrs. 389-392). Voor de gebruiker betekent dit, dat bij Loos ingekomen brieven van een bepaalde afzender op vele plaatsen gezocht moeten worden: ten eerste bij de ingekomen brieven onder 'Stukken van algemene aard' (de nrs. 351-356) en vervolgens bij alle onderwerpen, waarover die afzender met Loos correspondeerde, dus bijvoorbeeld in de nrs. 389-391, 397, 401, of 422. Binnen deze dossiers is een bepaalde brief het snelst terug te vinden via de bijbehorende agenda of het bijbehorende register, bijvoorbeeld de nrs. 392, 399, 402, etc. Onder de persoonlijke correspondentie van Loos (nrs. 431-433) zijn al die brieven opgenomen, die niets te maken hadden met het episcopaat: dus brieven uit de periode vóór 1858 zowel als brieven over persoonlijke onderwerpen uit de periode 1858-1873. Voor de periode 1814-1870 dient de onderzoeker steeds niet alleen in het archief van de betreffende aartsbisschop, maar ook in dat van de in functie zijnde algemeen secretaris te zoeken. Diens voornaamste taak was het onderhouden van de contacten met de nederlandse regering. In het persoonlijke gedeelte van het archief van secretaris Martinus Glasbergen bevinden zich belangrijke stukken over de kwestie Ireneus, die een aanvulling vormen op de stukken daarover in de archieven van aartsbisschop Van Rhijn en diens neef Simon Johannes van Rhijn (1774-1855). Het archief van Simon Johannes, dat achteraan de aartsbisschoppelijke archieven als gedeponeerd archief is opgenomen, bevat een verzameling afschriften over kerkelijke kwesties, waaronder afschriften van brieven en andere belangrijke stukken uit het archief van zijn oom, die niet meer in origineel over zijn. Voor de gebruiker verdient het daarom aanbeveling om naast het archief van aartsbisschop Van Rhijn ook dat van zijn neef te raadplegen. De stukken kunnen in de studiezaal worden aangevraagd en in publikaties geciteerd als 'Archieven van de Oud-katholieke Kerk van Nederland (OKN), Aartsbisschoppen van Utrecht, en OKN, bisschoppen van Deventer. 2. Inventaris 2.01. Bartholomeus Johannes Bijeveld, 1758-1778 2.01.1. Ambtelijk 2.01.1.1. Stukken van algemene aard 1 Ingekomen stukken 1758-1773 1 pak Afzenders: <br/>- Ahuys, Adelbertus, voormalig pastoor te Amsterdam, 1773. <br/>- Bellon de St. Quentin, J., te Utrecht, 1758. Met ontwerp voor pastorale brief. <br/>- Binkom, Johannes Henricus van, pastoor te Haarlem en Enkhuizen, 1758. <br/>- Borger, Petrus, pastoor te Amsterdam, 1762. <br/>- Clement, te Parijs, 1758 (2). <br/>- Dupac de Bellegarde, Gabriel Nicolas [Duparc], te Rijnwijk, 1758-[1769] (7). Met bijlagen. <br/>- Kenens, Gerardus Willibrordus, pastoor te Dordrecht, 1758 en 1763 (2). Met bijlage. <br/>- Meganck, Franciscus Dominicus, pastoor te Leiden, deken van het metropolitaan kapittel te Utrecht, 1760-1769 (5). <br/>- Meindaerts, Petrus Johannes, aartsbisschop van Utrecht, 1758 en 1766 (4). <br/>- Nieuwenhuyzen, Gualtherus Michael van, aartsbisschop van Utrecht, 1769. Gedrukt. <br/>- Stiphout, Johannes van, pastoor te Amsterdam, bisschop van Haarlem, 1758 en 1766 (2). <br/>- Wolff, Nicolaas de, pastoor te Delft, 1758. <br/>- Zeller, Ludovicus Guilelmus van, pastoor te Utrecht, 1758-[1769] (9). <br/>Met bijlagen, o.a.: <br/>- Observations sur les Memoire à consulter, door [Duparc], [1762]. <br/>- Reflexions sur les difficultés proposées par Mgr. l'Eveque de Deventer touchant la censure des erreurs nouvelles etc., door [d'Etemare], [1762] NB 2 Uitgaande brieven 1758. Minuten en afschriften 1 omslag Geadresseerden: <br/>- Bentinck, Willem, heer van Rhoon en Pendrecht, 1758. <br/>- Dupac de Bellegarde, Gabriel Nicolas [Duparc], 1758 (4). <br/>- Meindaerts, Petrus Johannes, aartsbisschop van Utrecht, 1758 (2) NB 2.01.1.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.01.1.2.1. Verkiezing en wijding 3 Akte van benoeming tot bisschop van Deventer 1757 september 5. Perkament 1 stuk 4 Brieven van B.J. Bijeveld aan Petrus Johannes Meindaerts, aartsbisschop van Utrecht, waarin hij voorwaarden stelt voor zijn bisschopswijding 1757. Concept, minuut en Latijnse vertaling 1 omslag 5 Akte van wijding tot bisschop van Deventer 1758 januari 25. Perkament 1 stuk 6 Herderlijke brief aan de geestelijkheid en gelovigen van het bisdom Deventer, betreffende zijn benoeming en wijding tot bisschop, 1758. Met ontwerp van een andere hand en begin van een vertaling in het Frans. Concept en minuut 1 omslag 7 Brieven van B.J. Bijeveld aan paus Benedictus XIV, 1757-1758, over zijn verkiezing en wijding met een schrijven van Petrus Johannes Meindaerts, aartsbisschop van Utrecht, aan de paus en aan de bisschoppen van Lucon en Soissons, 1757. Minuten en afschriften met Latijnse vertalingen 1 omslag 8 Brieven van kanunnikken en pastoors uit het bisdom Auxerre aan Petrus Johannes Meindaerts, waarbij ze hun instemming betuigen met de verkiezing van een derde bisschop. Met de antwoorden van Meindaerts hierop 1758. Afschriften 1 katern 9 Brieven door diverse personen te Parijs aan B.J. Bijeveld verstuurd naar aanleiding van zijn bisschopswijding 1758. Extracten 1 omslag 10 Gedicht ter gelegenheid van zijn bisschopswijding door Wijnandus Johannes Brons, pastoor te Gouda 1758 1 stuk 2.01.1.2.2. Episcopaat 2.01.1.2.2.1. Algemeen 11 Stukken betreffende de voorbereidingen tot het houden van het concilie van Utrecht van 1763 1762 1 omslag 12 Memorie over het optreden van de dominicanen in de Hollandse zending door B.J. Bijeveld [1765]. Concept 1 stuk 2.01.1.2.2.2. Verhouding met het metropolitaan kapittel 13 Kroniek lopend van 1755-1768, waarin afschriften van brieven van geestelijken aan het kapittel en aantekening van overlijdensdata van geestelijken 1768 2 katernen 2.01.1.2.2.3. Externe betrekkingen 2.01.1.2.2.3.1. Rooms-katholieke kerk 14 Stukken betreffende contacten met Rome 1769-1770 en z.d. Concepten en afschriften 1 omslag 15 Brief van de drie bisschoppen, de kanunnikken van het metropolitaan kapittel en de aartsdiaken van Haarlem aan paus Clemens XIV 1773. Afschrift 1 stuk 16 Brief van de drie bisschoppen aan de aartsbisschop van Toulouse 1774. Afschrift 1 stuk 17 Voorstel, vermoedelijk door een Franse uitwijkeling, tot uitgave van een boek tegen de rooms- katholieke kerk, met opmerkingen in het handschrift van B.J. Bijeveld (ca. 1760) 2 stukken 18 Examen des nouvelles considérations qui produisent un pressant motif aupres Nos Prelats pour remplir un plus grand nombre des Sieges Episcopaux dans ces Païs, pleidooi door N.N. tot herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (ca. 1770). Gedrukt 1 katern 19 Naamlijst van kanunnikken in het Haarlemse kapittel 1771. Afschrift 1 stuk 2.01.1.2.2.3.2. Burgerlijke overheid 20 Akte van admissie door de burgemeesters van Rotterdam, waarbij B.J. Bijeveld wordt toegestaan zijn bisschoppelijke functies binnen Rotterdam uit te oefenen, 1760. Met afschrift van de akte van admissie door de magistraat van Amsterdam in 1742 verleend aan Hieronymus de Bock, bisschop van Haarlem, z.d. 2 stukken 21 Memorie over het concilie van Utrecht in 1763, door Franciscus Meganck en Bijeveld aan graaf Bentinck, gedeputeerde bij de Staten-Generaal voor het gewest Holland, overhandigd (ca. 1763) 1 katern 2.01.1.2.2.3.3. Overig 22 Brieven van A. de Haen, professor te Wenen, aan N.N. en G.M. van Nieuwenhuyzen, aartsbisschop van Utrecht, inzake diens inspanningen t.b.v. de kerk van Utrecht bij het keizerlijke hof 1769-1770. Afschriften door B.J. Bijeveld 1 stuk 2.01.2. Persoonlijk 23 Extract uit het doopregister van rooms-katholieke gemeente op de Hooigracht in Leiden met doopinschrijving van B.J. Bijeveld 1738 1 stuk 24 Ingekomen stukken 1748-1758 1 pak Afzenders: <br/>- Bellon de St. Quentin, J., te Utrecht, 1757. <br/>- Binkom, Johannes Henricus van, pastoor te Haarlem en Enkhuizen, 1756-1757 (10). Met bijlagen. <br/>- Borger, Petrus, pastoor te Amsterdam, 1748. <br/>- Dupac de Bellegarde, Gabriel Nicolas [Duparc], te Rijnwijk, 1757-1758 (7). <br/>- Kenens, Gerardus Willibrordus, pastoor te Dordrecht, 1757-1758 (3). <br/>Met bijlage: <br/>- Consideratien wegens de bevredinge van de roomsgezinden hier te lande, memorie waarin een verbod door de Staten van Holland op het aannemen van Bul en Formulier door Nederlandse katholieken wordt aanbevolen, z.d. <br/>- Meganck, Franciscus Dominicus, pastoor te Leiden en deken van het metropolitaan kapittel te Utrecht, 1757 (7). <br/>- Meindaerts, Petrus Johannes, aartsbisschop van Utrecht, 1757-1758 (11). <br/>- Stiphout, Johannes van, pastoor te Amsterdam, bisschop van Haarlem, 1758. <br/>- Vos, Hubertus de, pastoor te Oudewater, 1753. <br/>- Willemaers, Johannes, president van het seminarie te Amersfoort, 1753 en 1757 (3). <br/>- Wolff, Nicolaas de, pastoor te Delft, [1756]-1758 (11). Met bijlage. <br/>- Zeller, Ludovicus Guillelmus van, pastoor te Utrecht, 1756-1758 (12). Met bijlage NB 2.01.3. Stukken waarvan het verband met het archief onduidelijk is 25 Rondzendbrief van Karel prins van Lotharingen aan de koninklijke ambtenaren van het baljuwschap Doornik over een aan het seminarie van Doornik verdedigde these over de bul Unigenitus 1755 augustus 26 1 stuk 2.02. Nicolaas Nelleman, 1778-1805 2.02.1. Ambtelijk 2.02.1.1. Stukken van algemene aard 26 Ingekomen stukken 1780-1793 1 omslag Afzenders: <br/>- Dupac de Bellegarde, Gabriel Nicolas [Duparc], 1787. <br/>- [Leininger, Ferdinand], te Wenen, 1782-[1792] (8). <br/>Met bijlagen: <br/>- brief van Scipione de' Ricci, bisschop van Pistoia, aan de drie bisschoppen van de kerk van Utrecht, 1780. Afschrift. <br/>- brief van de drie bisschoppen aan Scipione de' Ricci, 1781. Afschrift. <br/>- brief van de bisschop van Laibach aan de aartsbisschop van Utrecht, 1782. Afschrift. <br/>- decreet van de Keizer en de gouverneur aan de universiteit van Leuven, 1782. Afschrift. <br/>- Mouton, Jean Baptist, z.d. <br/>- Nieuwenhuyzen, Gualtherus Michael van, aartsbisschop van Utrecht, 1793 NB 2.02.1.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.02.1.2.1. Verkiezing en wijding 27 Stukken betreffende de verkiezing tot bisschop van Deventer door het metropolitaan kapittel 1778 september 2. Afschrift en origineel 2 stukken 28 Akte van wijding tot bisschop van Deventer, door Gualtherus Michael van Nieuwenhuyzen, aartsbisschop van Utrecht 1778 oktober 28 1 stuk 29 Brief van N. Nelleman aan paus Pius VI over zijn wijding tot bisschop van Deventer 1778. Afschrift 1 stuk 2.02.1.2.2. Episcopaat 2.02.1.2.2.1. Algemeen 30 Lijst van brieven uit de periode 1694-1777, die door Bernardus Kuyter, pastoor te Rotterdam, na de dood van B.J. Bijeveld, bisschop van Deventer, zijn overgedragen aan diens opvolger, N. Nelleman z.d. Klad- en netexemplaar 1 omslag Voor zover het brieven betreft van en aan B.J. Bijeveld zijn deze ondergebracht in de inv.nrs. 1, 2 en 24. De overige brieven zijn door J. Bruggeman gevoegd bij de desbetreffende archieven van de oud-katholieke kerk van Nederland NB 2.02.1.2.2.2. Leer en liturgie 31 Nota over het huwelijk door Judocus Le Plat, professor te Amersfoort [1800] 1 stuk 2.02.1.2.2.3. Externe betrekkingen 2.02.1.2.2.3.1. Rooms-katholieke kerk 32 Brief waarin paus Pius VI de verkiezing en wijding van N. Nelleman tot bisschop van Deventer onwettig verklaart en hem en alle betrokkenen excommuniceert 1779. Afschrift 1 stuk 33 Brief van het oud-katholiek episcopaat aan Leopold, groothertog van Toscane 1780. Afschrift 1 stuk 34 Aantekening over het bezoek van paus Pius VI aan de keizer van Oostenrijk te Wenen naar aanleiding van de decreten door de keizer uitgevaardigd 1782 1 stuk 35 Brieven van Petrus Beckers, kapelaan te Berlicum, aan Adrianus Johannes Broekman, bisschop van Haarlem, met antwoord van deze 1784. Afschriften 1 stuk 36 Extract uit een brief, d.d. 1 juni 1786, van Giuseppe Zola, professor aan de universiteit van Pavia, over theses betreffende de Utrechtse kerk aldaar verdedigd [1786] 1 stuk 37 Brief van Scipione de' Ricci, bisschop van Pistoia en Prato, aan Gualtherus Michael van Nieuwenhuyzen, aartsbisschop van Utrecht, met antwoord van deze 1790. Afschriften 1 stuk 38 Brief waarin paus Pius VI de verkiezing en wijding van Johannes Jacobus van Rhijn tot aartsbisschop van Utrecht onwettig verklaart en hem en alle betrokkenen excommuniceert 1797. Afschrift 1 stuk 2.02.1.2.2.3.2. Burgerlijke overheid 39 Akte van admissie door de stad Delft van N. Nelleman als bisschop van Deventer 1778 1 stuk 2.02.2. Andere functies 40 Akte van benoeming tot pastoor van de H. Ursulaparochie te Delft 1752 1 stuk 41 Akte van attestatie door de secretaris van de stad Delft, dat N. Nelleman Nicolaus Broedersen als pastoor van de kerk op het Begijnhof heeft opgevolgd 1753 1 stuk 42 Stukken betreffende de verkiezing door het metropolitaan kapittel van N. Nelleman tot kanunnik en secretaris van het kapittel 1772 en 1776 3 stukken 43 Akte waarbij N. Nelleman door de curie van Rome als pauselijke notaris wordt erkend 1777. Gedrukt 1 stuk 44 Akte van verkiezing tot aartspriester van Rijn- en Delfland 1784 1 stuk 2.02.3. Persoonlijk 45 Extract uit het doopregister van rooms-katholieke gemeente Clarenburg in Utrecht met doopinschrijving van N. Nelleman 1754 1 stuk 46 Akten van lagere wijdingen 1748-1750 1 omslag 47 Series vitae meae, lijst van belangrijke data in de kerkelijke loopbaan van Nelleman tot aan zijn bisschopswijding in 1778 z.d. 1 stuk 2.03. Gijsbertus de Jong, 1805-1824 2.03.1. Ambtelijk 2.03.1.1. Stukken van algemene aard 48 Ingekomen brief van Willibrordus van Os 1815 1 stuk 49 Uitgaande stukken [1815] en 1823. Minuten en afschriften met vertalingen 1 omslag Medeondertekend door de collega-bisschoppen Willibrordus van Os en Johannes Bon of vicarissen- generaal van het bisdom Haarlem. <br/>Geadresseerden: <br/>- Leo XII, paus, 1823. <br/>- Nazalli, Ignatius, pauselijke nuntius te Den Haag, met antwoorden, 1823 (4). Afschriften. <br/>- Rooms-katholieke eredienst, directeur-generaal voor, te Brussel, [1815] NB 2.03.1.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.03.1.2.1. Verkiezing en wijding 50 Brieven van G. de Jong en Johannes Jacobus van Rhijn, aartsbisschop van Utrecht, aan paus Pius VII over de verkiezing en wijding van De Jong tot bisschop van Deventer 1805. Afschriften 1 omslag 51 Lied ter gelegenheid van de wijding tot bisschop, [1805], met geknipt silhouet van G. de Jong 2 stukken 2.03.1.2.2. Episcopaat 2.03.1.2.2.1. Algemeen 52 Circulaire van Johannes Nieuwenhuis, bisschop van Haarlem, aan de geestelijken in zijn bisdom 1807. Gedrukt 1 katern 53 Memorie over het indienen van requesten bij de aartsbisschop, welke "en corps" (d.w.z. door de gehele geestelijkheid) getekend worden (ca. 1807). Concept 1 stuk In het handschrift van Willibrordus van Os (?); de rol van G. de Jong in deze is onduidelijk NB 2.03.1.2.2.2. Externe betrekkingen 2.03.1.2.2.2.1. Rooms-katholieke kerk 54 Breve, waarbij paus Pius VII de verkiezing en wijding van G. de Jong onwettig verklaart en hem en alle betrokkenen excommuniceert 1805 december 14 1 katern 55 Stukken betreffende pogingen tot verzoening met de kerk van Rome (begin 19e eeuw) 2 stukken 56 Uittreksel uit een nota namens de paus door staatssecretaris kardinaal Consalvi aan de Nederlandse gezant te Rome ter hand gesteld 1816 1 stuk 2.03.1.2.2.2.2. Burgerlijke overheid 57 Teksten van toespraken gehouden door vertegenwoordigers van de oud-katholieke kerk van Nederland (o.a. De Jong) voor koning Lodewijk Napoleon en keizer Napoleon (ca. 1810). Afschriften 1 omslag 58 Brief van de directeur-generaal van de rooms-katholieke eredienst aan Willibrordus van Os, aartsbisschop van Utrecht 1815. Afschrift 1 stuk 2.03.1.2.3. Uitoefening wijdingsmacht 59 Akte van wijding door G. de Jong van Johannes Rotteveel tot priester 1809. Afschrift 1 stuk 2.03.2. Andere functies 60 Akte van benoeming tot pastoor van H.H. Petrus en Paulus ("Het Paradijs") te Rotterdam 1792 1 stuk 61 Akte van benoeming tot deken van het metropolitaan kapittel te Utrecht 1818 1 stuk 2.03.3. Persoonlijk 62 Akten van lagere wijdingen 1787-1789 1 omslag 2.04. Wilhelmus Vet, 1825-1853 2.04.1. Ambtelijk 2.04.1.1. Stukken van algemene aard 63 Ingekomen stukken 1825-1852 1 pak Afzenders: <br/>- Buul, Henricus Johannes van, pastoor te Amsterdam en bisschop van Haarlem, 1839 en 1846 (2). <br/>- Copes van Cattenburch, burgemeester van Den Haag, 1825-1826 (2). <br/>- Emants, M., te Den Haag, 1827. <br/>- Fliedner, Theodor, te Kaiserswerth, 1829, met afschrift van een brief van S.J. van Rhijn aan Fliedner, 1829. <br/>- Glasbergen, Martinus, pastoor te Amsterdam, 1826. Afschrift. <br/>- Goentgen, Jean George, doctor in de filosofie en bibliothecaris te Frankfurt, 1829. <br/>Met bijlage: <br/>- artikel uit een Duits theologisch en kerkhistorisch tijdschrift, 1829. Afschrift met Franse vertaling. <br/>- Heykamp, Hermanus, pastoor te Delft, 1844 (2). <br/>- Ministerie van buitenlandse zaken te Den Haag, 1826 (2). <br/>- Pelichy de Lichtervelde, douairière de, te Den Haag, 1844. Gedrukt. <br/>- Rooms-katholieke eredienst, departement/ministerie voor, te Brussel en Den Haag, 1825-1852 (40). <br/>Met bijlagen, o.a.: <br/>- brieven aan pastoors en P. van Ghert, referendaris bij het departement, waarbij lijst van pastoriëen met hun aantal parochianen, 1826 (2). Minuten. <br/>- Santen, Johannes van, aartsbisschop van Utrecht, 1844 en 1846 (2) NB 64 Uitgaande stukken 1825-1838. Concepten, minuten en afschriften 1 pak Geadresseerden: <br/>- Celles, A.G.F.G. de Visscher, graaf de, Nederlands gezant te Rome, 1826. <br/>- Den Haag, burgemeesters en wethouders van, 1827. <br/>- Leo XII, paus, 1825 juni 15, met de door Vet ondertekende geloofsbelijdenis (professio fidei) van Pius IV. <br/>- Méan, François Antoine Marie Constantin de, aartsbisschop van Mechelen, 1825 juni 30. <br/>- Ministerie van buitenlandse zaken, 1826 (4). <br/>- Ministerie van justitie, 1835. <br/>- Rooms-katholieke eredienst, departement voor, 1831 en z.d. (2). <br/>- Santen, Johannes van, aartsbisschop van Utrecht, 1826. <br/>- Willem I, koning der Nederlanden, 1825-1838 (6). <br/>- Zuid-Holland, gouverneur van de provincie, 1825-1826 (2) NB 2.04.1.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.04.1.2.1. Verkiezing en wijding 65 Akte van verkiezing tot bisschop van Deventer door het metropolitaan kapittel 1824 oktober 7 1 stuk 66 Brief van Willibrordus van Os, aartsbisschop van Utrecht, aan paus Leo XII met verzoek om bevestiging van de benoeming van W. Vet tot bisschop van Deventer 1824. Afschrift 1 katern 67 Akte van wijding tot bisschop van Deventer door Johannes Bon, bisschop van Haarlem, 1825 juni 12. Met afschrift van een brief van W. Vet aan paus Leo XII, 1825 juni 15 2 stukken 2.04.1.2.2. Episcopaat 2.04.1.2.2.1. Algemeen 68 Inventaris van de episcopale goederen 1825 juli 4 1 katern 69 Akte van benoeming van kerkmeesters en armbezorgers en reglement voor het kerk- en armbestuur van de S. Ursulaparochie te Delft 1831. Afschrift 1 stuk 2.04.1.2.2.2. Bemoeienis met het seminarie 70 Stukken betreffende het seminarie te Amersfoort en de hieraan verbonden docenten 1831-[1835]. Concepten en afschriften 1 omslag 2.04.1.2.2.3. Leer en liturgie 71 Stukken betreffende dispensatie van de vasten in verband met de heersende cholera 1833 en z.d. 3 stukken 2.04.1.2.2.4. Externe betrekkingen 2.04.1.2.2.4.1. Burgerlijke overheid 72 Koninklijk Besluit waarbij de verkiezing en wijding van Johannes Bon tot bisschop van Haarlem en van Wilhelmus Vet tot bisschop van Deventer wordt erkend en machtiging wordt gegeven tot de verkiezing van een nieuwe aartsbisschop van Utrecht, 1825 mei 8, met Koninklijk Besluit waarbij de benoeming van Johannes van Santen tot aartsbisschop wordt goedgekeurd, 1825 augustus 28. Perkament en papier 3 stukken 73 Brief d.d. 21 mei 1825 van M. [Glasbergen] aan [P. van] G[hert], referendaris van het departement voor de rooms-katholieke eredienst [1825]. Afschrift 1 stuk 74 Stukken betreffende de onderhandelingen van de regering met Rome, over de verzoening van de Utrechtse kerk met Rome 1828. Afschriften 1 omslag 75 Ingekomen stukken van het departement voor de rooms-katholieke eredienst, 1838, met Koninklijk Besluit als reactie op de bul van paus Pius VIII naar aanleiding van zijn wijding tot paus. Gedeeltelijk gedrukt 1 omslag 76 Stukken betreffende de erkenning door de regering, van Henricus Johannes van Buul als bisschop van Haarlem 1845-1846. Afschriften 1 omslag 2.04.2. Andere functies 77 Circulaire van het metropolitaan kapittel te Utrecht inzake de keuze van een nieuwe aartsbisschop 1825 maart 10. Gedrukt 1 stuk 78 Brief van W. Vet en Johannes van Santen, vicarissen-generaal van het bisdom Utrecht, aan paus Leo XII 1825 april 15. Afschrift 1 stuk 79 Circulaire van Johannes van Santen, aartsbisschop van Utrecht en Johannes Bon, bisschop van Haarlem, door W. Vet medeondertekend en in zijn hoedanigheid van aartspriester, verzonden aan de geestelijkheid van Rijn-, Delf- en Schieland 1832. Concept 1 stuk 2.04.3. Persoonlijk 80 Korte verslagen van de audiëntie van oud-katholieken, rooms-katholieken, hervormden, lutheranen en joden bij keizer Napoleon 1811. Afschriften 2 stukken 2.05. Hermanus Heykamp, 1853-1874 2.05.1. Ambtelijk 2.05.1.1. Stukken van algemene aard Ingekomen stukken, afzenders: 1853-1874 9 pakken Sommigen met minuten van uitgaande brieven op keerzijde NB 81 A-G <br/>- Amersfoort, studenten van het seminarie te, 1868 (2). <br/>- Baas, Johannes, pastoor te Aalsmeer, 1862-1864 (13), met afschrift van een brief van Baas en Johannes Harderwijk aan Henricus Loos, aartsbisschop van Utrecht, 1864. <br/>- Beek, Johannes Albertus van, pastoor te Dordrecht, 1873. <br/>Met bijlage: <br/>- memorie van Christianus Karsten over de uitdrukking 'het meerendeel des kapittels' in het 24e canon van het 4e algemeen concilie van Lateranen, [1873]. <br/>- Beek, L.A. van, kerkbestuurder te Amersfoort, 1862. <br/>- Bikker, Nicolaas, pastoor te Utrecht, 1858-1863 (10). <br/>Met bijlagen: <br/>- brieven van Henricus Loos, aartsbisschop van Utrecht, aan Bikker, 1858 en 1863 (2). <br/>- Buul, Henricus Johannes van, pastoor te Amsterdam en bisschop van Haarlem, 1853-1862 (30). <br/>- Buul, Jacobus Henricus van, docent aan het seminarie te Amersfoort, 1854. <br/>- Buys, G., te Delft, 1853. <br/>- Colombijn, Johannes, pastoor te Dordrecht, 1857 (3). <br/>- Diependaal, Cornelis, student te Amersfoort en pastoor te Den Helder, 1854, 1860-1874 (32). <br/>- Dievenbach, Henricus Petrus, pastoor te Nordstrand, 1860-1874 (36). <br/>- Eijnden, A.L.C. van, te Rotterdam, 1854. <br/>- Emmanuel, Jean, priester te Busto, 1860 (2). <br/>- Faber, te Berlijn, 1873. <br/>- Fallow, T.M., 1873. <br/>- Fischer, 1874. <br/>- Fritz, I., z.d. <br/>- Gillet, Sophie, te Parijs, 1858-1870 (4) <br/>- Glazenmaker, Johannes, pastoor te Leiden, 1862 (2). <br/>- Greuningen, Johannes Jacobus van, pastoor te Egmond aan Zee, 1866-1873 (14). <br/>- Groenendijk, P.J.J., 1853. <br/>- Guddee, Franciscus Johannes, pastoor te Oudewater, 1853 82 Harderwijk <br/>- Harderwijk, Cornelis, pastoor te Delft, 1854-1858 (12), met brieven van een timmerman, metselaar en architekt aan Heykamp over een niet betaalde rekening van de metselaar L. Kruithof, door Harderwijk, 1858 (8). <br/>- Harderwijk, Cornelis Augustinus, pastoor te Culemborg, 1855-1857, 1874 (9). <br/>- Harderwijk, Johannes, pastoor te Haarlem en vicaris-generaal van het bisdom, 1857-1874 (92) Sommige medeondertekend door Johannes Baas, medevicaris van 1862 tot 1864, of Johannes Henricus de Vries, medevicaris vanaf 1867. <br/>Met bijlagen, o.a.: <br/>- brieven van Gilquin aan Harderwijk en Johannes Baas, vicarissen van het bisdom Haarlem, 1863 (2). Afschriften. <br/>- brief van Harderwijk en Johannes Baas, vicarissen van het bisdom Haarlem aan de leden van "la Reunion des Amis de la Verité", 1863. Afschrift. <br/>- brief van Giacomo Brugnatelli aan Harderwijk en Johannes Baas, vicarissen van het bisdom Haarlem, 1863. Afschrift. <br/>- brieven van Christianus Karsten, president van het seminarie te Amersfoort, aan Harderwijk, 1868 (2). Afschriften. <br/>- brief van Harderwijk en Johannes Henricus de Vries aan Christianus Karsten, president van het seminarie te Amersfoort, 1868. Afschrift. <br/>- Litterae dimissoriales ten behoeve van Engelbert Wijker, Gerardus Gul en Jacob Konijn, 1870. <br/>- taxatierapport van de bibliotheek van de overleden pastoor Johannes Henricus de Vries, 1870. Afschrift NB 83 He-J <br/>- Hengelaar, A.S. van, procureur te Utrecht, 1862 (2). <br/>- Heykamp, Johannes, pastoor te Schiedam, 1854, 1857, 1865-1873 (10). <br/>- Heyligers, J., 1862. <br/>- Jamaer, Johannes Henricus de, pastoor te Gouda, 1860-1867 (8). <br/>- Jong, E. de, 1861 en 1867 (5). <br/>- Jong, Lambertus de, pastoor te Zaandam en Amsterdam, bisschop van Haarlem, 1853-1867 (88). <br/>Met bijlagen, o.a.: <br/>- brieven van De Jong aan E. Aubry te Parijs, met antwoord van deze, 1859 (3). Afschriften. <br/>- brief van De Jong aan Parent-Duchatelet, 1859. Afschrift. <br/>- brieven van Philippe-Joseph Jobart, priester te Parijs, aan De Jong, 1859 en 1861 (2). Afschriften. <br/>- brief van Philippe-Joseph Jobart aan Henricus Loos, aartsbisschop van Utrecht, 1860. Afschrift. <br/>- brief van Henricus Loos, aartsbisschop van Utrecht, aan Philippe-Joseph Jobart, 1860. Afschrift. <br/>- brief van de bisschoppen van Haarlem, Deventer en Utrecht aan Giuseppe Grignani, Giuseppe Parona en Pietro Aloysio Aquaroni, 1860. Afschrift. <br/>- verhandeling van Chr. Karsten over 'het regt der verkiezing van een bisschop van Haarlem sedert het te niet gaan van het kathedraal kapittel dier kerk', met een afschrift van een begeleidende brief van J. Harderwijk aan Henricus Loos, 1862. Afschrift. <br/>- brief van A.H. Schade aan De Jong, 1867. <br/>- Joyce, James Wayland, te Tenbury in Groot-Brittannië, 1871 en 1872 (3) 84 Karsten, Chr. <br/>- Karsten, Christianus, docent en president van het seminarie te Amersfoort, 1853-1862 (135). <br/>Met bijlagen, o.a.: <br/>- brief van Nicolaas Johannes Weeldenburg aan Karsten, 1861. <br/>- brief van Gilquin aan Karsten, 1862 85 Karsten, Chr. <br/>- Karsten, Christianus, docent en president van het seminarie te Amersfoort, 1863-1867, (135). <br/>Met bijlagen, o.a.: <br/>- brief van E.H. Karsten, advocaat te Den Haag, aan Chr. Karsten, 1863 86 Karsten, Chr. <br/>- Karsten, Christianus, docent en president van het seminarie te Amersfoort, 1868-1874 (204). <br/>Met bijlagen, o.a.: <br/>- brief van Domenico de Panelli, aartsbisschop van Lydda, te Napels, aan de aartsbisschop van Utrecht, met vertaling van Karsten, 1874 (2) 87 Karsten, E.H.-M <br/>- Karsten, E.H., advokaat te Den Haag, 1862, 1871 en 1872 (3). Met bijlagen. <br/>- Kipp, P.J., te Delft, 1854. <br/>- Klerk, J.A., te Delft, 1860. <br/>- Laurent-Houman, E., priester, te Brussel, 1874 (2). <br/>- Lavell, G., te Egmond, 1870. <br/>- Loos, Henricus, pastoor te Utrecht en aartsbisschop van Utrecht, 1853-1868 (49). Met bijlagen en aantekeningen van H. Heykamp op een aantal brieven. <br/>- Massingberd, F.C., te Ormsby, 1858. <br/>- Ministerie van financiën, 1872-1874 (4). <br/>- Ministerie van justitie, 1872. <br/>- Moone, J., boekhandelaar, te Delft, 1870, met factuur en kwitantie van gekochte boeken. <br/>- Mulder, Cornelis Johannes, pastoor te Utrecht en aartspriester van Utrecht, 1853-1867 (17) 88 P-Sa <br/>- Parona, Giuseppe, 1862. <br/>- Pestel, E., te Parijs, 1871. <br/>- Rhijn, Van, advocaat te Den Haag, 1853 (2). <br/>- Rinkel, Casparus Johannes, pastoor te Krommenie en Zaandam, 1861-1871 (15). <br/>- Rinkel, L.L., broodbakker te Aalsmeer, 1873. <br/>- Rooij, J., te Haarlem, 1861. <br/>- Rooms-katholieke eredienst, departement/ministerie voor, 1854-1869 (8). <br/>- missiven van Henricus Loos, aartsbisschop van Utrecht, aan het departement, 1867 en 1868 (2), en van het departement aan Henricus Loos, 1868. Afschriften. <br/>- Rothmeyer, Hermanus Carolus Josephus, pastoor te Hilversum, 1861-1865 (3). <br/>- Rotterdam, burgemeester van, 1866. <br/>- Santen, Johannes van, aartsbisschop van Utrecht, 1853-1858 (39). <br/>Met bijlage: <br/>- brief van Van Santen aan Johannes Colombijn, pastoor te Dordrecht, 1857. Afschrift 89 Se-W <br/>- Sébastien, soeur, supérieure générale des soeurs de Sainte-Marthe, te Parijs, 1861. <br/>- Spit, Gerardus, deken van het metropolitaan kapittel te Utrecht, 1859. <br/>- Sulpice, E.A.E., 1874. <br/>- Thiel, Jacobus Johannes van, pastoor te Enkhuizen, 1867-1874 (6). <br/>- Thiel, N. en H.T. van, te Haarlem, 1863. <br/>- Tosi, Carlo, te Busto, 1861-1866 (4). <br/>- Verhey, Johannes, pastoor te Amersfoort en Rotterdam, 1858-1871 (6). Met bijlage. <br/>- Verhoef, Henricus Theodorus, pastoor te Culemborg en Oudewater, secretaris van het metropolitaan kapittel, 1854-1873 (25). <br/>- Vlooten, Cornelis Henricus van, pastoor te Den Haag, 1853-1868 (14). Met bijlagen. <br/>- Vlooten, Theodorus van, pastoor te Amersfoort, 1862, 1863, 1873 (6). <br/>- Vries, Johannes Henricus de, pastoor te Amsterdam, 1853, 1864-1869 (11). <br/>- Weeldenburg, Nicolaas Johannes, 1853, 1854, 1862 (3). <br/>- Weyden, Gerardus van der, pastoor te Schiedam, 1856, 1857 (2). <br/>- Wijk, Petrus Johannes van, pastoor te Hilversum, 1862, 1867 (3) 90 Uitgaande stukken 1854-1874. Minuten en afschriften 1 omslag Geadresseerden: <br/>- Baas, Johannnes, pastoor te Aalsmeer, z.d. <br/>- Buul, Henricus Johannes van, pastoor te Amsterdam, bisschop van Haarlem, 1858-1862 (3). <br/>- Diependaal, Cornelis, pastoor te Den Helder, 1873 (2), met concept. <br/>- Dievenbach, Henricus Petrus, pastoor te Nordstrand, 1874. <br/>- Harderwijk, Johannes, pastoor te Haarlem, vicaris-generaal van het bisdom, 1862-1873 (9). <br/>- Hengelaar, A.S. van, procureur te Utrecht, 1862. <br/>- Heykamp, Johannes, pastoor te Schiedam, 1864. <br/>- Jamaer, Johannes Henricus de, pastoor te Gouda, 1863. <br/>- Jong, Lambertus de, pastoor te Amsterdam en Zaandam,1862-[1864] (3). <br/>- [Karsten, Christianus], president van het seminarie, z.d. (2). <br/>- Loos, Henricus, pastoor te Utrecht en aartsbisschop van Utrecht, 1858-[1868] (10). <br/>- Rooms-katholieke eredienst, departement/ministerie voor, 1854-1874 (10). <br/>- Uylenberg, Herman, te Rotterdam, minuut op ingekomen brief van Henricus Loos aan Uylenberg, welke door deze aan Heykamp is toegezonden, 1857. <br/>- Vlooten, Theodorus van, pastoor te Amersfoort, [1863]. <br/>- Vries, Johannes Henricus de, pastoor te Amsterdam, 1864 NB 2.05.1.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.05.1.2.1. Verkiezing en wijding 91 Akte van verkiezing tot bisschop van Deventer 1853 april 13 1 stuk 92 Brieven van Johannes van Santen, aartsbisschop van Utrecht, en H. Heykamp aan paus Pius IX over de verkiezing en wijding van Heykamp 1853. Afschriften 1 stuk 2.05.1.2.2. Episcopaat 2.05.1.2.2.1. Verhouding met de aartsbisschop van Utrecht en het metropolitaan kapittel 93 Bekendmaking van het overlijden van aartsbisschop Johannes van Santen, van de benoeming van de vicarissen s.v. en van het besluit tot verkiezing van een nieuwe aartsbisschop 1858 juni 10 1 stuk 94 Stukken betreffende het geschil over de verkiezing van een nieuwe bisschop van Haarlem na de dood van Johannes Henricus van Buul 1862-[1864] 3 stukken 95 Circulaire van drie pastoors uit het bisdom Haarlem aan de geestelijkheid der Hollandse kerk met stukken betreffende het conflict tussen een groot deel van die geestelijkheid en Henricus Loos, aartsbisschop van Utrecht 1867-1868. Afschriften 1 omslag 2.05.1.2.2.2. Leer en liturgie 96 Toespraken en preken bij diverse kerkelijke gelegenheden z.d. 1 omslag 2.05.1.2.2.3. Externe betrekkingen 2.05.1.2.2.3.1. Oud-katholieke beweging 97 Ingekomen stukken van leden van de Duitse oud-katholieke beweging 1872- 1874 1 omslag Afzenders: <br/>- Central-comité für katholische Reformbewegung in Süddeutschland, te München, 1873. <br/>- Gatzenmeier, Anton, te München, [1873]. <br/>- Katholisch central-comité für Rheinland und Westfalen, te Keulen, 1872. <br/>- Knoodt, Franz Pieter, te Bonn, 1873-1874 (2). <br/>- Reinkens, Joseph Hubert, eerste bisschop van de oud-katholieke kerk van Duitsland, 1873-1874 (4), met minuut van uitgaande brief van Heykamp. <br/>- Reusch, Franz Heinrich, professor in de theologie en pastoor te Bonn, 1874. <br/>- Schulte, Johann Friedrich von, professor in de kerkgeschiedenis, 1873 (4) NB 2.05.1.2.2.3.2. Rooms-katholieke kerk 98 Stukken betreffende het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland door paus Pius IX 1853. Concepten en gedeeltelijk gedrukte originelen 1 omslag 99 Memorie van het oud-katholiek episcopaat in reactie op het door paus Pius IX afgekondigde dogma van de onbevlekte ontvangenis van Maria 1856 en z.d. Concepten, afschriften en extracten, met aantekeningen 1 pak 2.05.1.2.3. Uitoefening wijdingsmacht 100 Wijdingsakte van een nieuwe bisschop van Haarlem na de dood van Henricus Johannes van Buul [1863]. Concept 1 stuk 101 Stukken betreffende de verkiezing en wijding van Joseph Hubert Reinkens tot eerste bisschop van de oud-katholieke kerk van Duitsland 1873. Originelen en afschriften 1 omslag 2.05.2. Andere functies 102 Akten van benoeming tot pastoor van de H. Ursulaparochie te Delft, 1835, en van de H. Laurentiusparochie te Rotterdam, 1849 2 stukken 103 Akten van benoeming tot kanunnik en deken van het metropolitaan kapittel te Utrecht 1849, 1860 2 stukken 104 Ingekomen stukken bij H. Heykamp in zijn hoedanigheid van kanunnik van het metropolitaan kapittel van Utrecht 1858 en 1860 1 omslag Afzenders: <br/>- Loos, Henricus, pastoor te Utrecht, aartsbisschop van Utrecht, 1858. <br/>- Verhoef, Henricus Theodorus, pastoor te Oudewater, secretaris van het metropolitaan kapittel, 1860 (2) NB 105 Ingekomen stukken bij H. Heykamp in zijn hoedanigheid van deken van het metropolitaan kapittel van Utrecht 1862-1873 1 omslag Afzenders: <br/>- Karsten, Christianus, docent en president van het seminarie te Amersfoort, 1867 en 1873 (2). <br/>- Loos, Henricus, pastoor te Utrecht, aartsbisschop van Utrecht, 1864-1867 (6). <br/>- Verhey, Johannes, pastoor te Rotterdam, 1867. <br/>- Verhoef, Henricus Theodorus, pastoor te Oudewater, secretaris van het metropolitaan kapittel, 1862- 1873 (19) NB 106 Uitgaande stukken van H. Heykamp in zijn hoedanigheid van deken van het metropolitaan kapittel 1862-1873. Afschriften 1 omslag Geadresseerden: <br/>- Loos, Henricus, pastoor te Utrecht, aartsbisschop van Utrecht, 1862-1868 (11). <br/>- Verhoef, Henricus Theodorus, pastoor te Oudewater, 1868-1874 (5). <br/>- N.N., 1873-1874 (4) NB 107 Akte van benoeming tot vicaris-generaal 1857, en vicaris s.v., 1858 2 stukken 108 Ingekomen brieven bij H. Heykamp in zijn hoedanigheid van vicaris s.v. van het aartsbisdom Utrecht 1873-1874 1 omslag Afzenders: <br/>- Lincoln, bisschop van, 1873 oktober 7. <br/>- Ministerie van justitie, 1873-1874 (6). Met bijlagen. <br/>- Mulder, Cornelis Johannes, pastoor te Utrecht, aartspriester van Utrecht, 1873 (2). <br/>- Panelli, Domenico de, aartsbisschop van Lydda, 1874 april 8, met minuten van uitgaande stukken, z.d. <br/>- Rinkel, Casparus Johannes, pastoor te Krommenie, 1873. Met bijlage. <br/>- Rol, Theodorus, pastoor te Utrecht, 1874 (3). Met minuten van antwoorden. <br/>- Rooms-katholieke eredienst, departement/ministerie voor, 1873-1874 (5). Met bijlagen en minuut van uitgaande brief NB 109 Akte van benoeming tot provisor van het seminarie te Amersfoort met aantekeningen van H. Heykamp 1858 en z.d. 2 stukken 109-a Akte van benoeming door het kapittel tot gedelegeerd administrator van de armengoederen te Amersfoort 1858 1 stuk 110 Ingekomen stukken bij H. Heykamp in zijn hoedanigheid van provisor van het seminarie te Amersfoort 1859-1873 1 omslag Afzenders: <br/>- Harderwijk, Johannes, pastoor te Haarlem en vicaris s.v., 1863. <br/>- Karsten, Christianus, docent en president van het seminarie te Amersfoort, 1859-1873 (9). <br/>- Loos, Henricus, pastoor te Utrecht, aartsbisschop van Utrecht, 1860. <br/>- Verhoef, Henricus Theodorus, pastoor te Oudewater, secretaris van het metropolitaan kapittel, 1862 NB 111 Aan wien behoort het hoofdbestuur over het collegie te Amersfoort? Aan den aartsbisschop of aan het kapittel waarvan de aartsbisschop het hoofd is?, pamflet naar aanleiding van het geschil tussen Loos en Karsten [1860]. Afschrift, met kanttekeningen van H. Heykamp 1 katern 112 Stukken betreffende het geschil tussen Henricus Loos, aartsbisschop van Utrecht, en het kapittel van Utrecht enerzijds, en H. Heykamp, provisor van het seminarie te Amersfoort, anderzijds, over het beheer van de fondsen van het seminarie 1861-1870 en z.d. 1 omslag 113 Huurcontract tussen H. Heykamp als provisor van het seminarie te Amersfoort en Adriana Bos inzake een perceel bouw- en weiland in Lageweide te Utrecht 1873 1 stuk 114 Stukken van en aan H. Heykamp als provisor van het seminarie te Amersfoort, betreffende de toelating van G.J. Spruit en T. van Santen, voormalige studenten van de in 1873 overleden aartsbisschop Henricus Loos, 1874 1 omslag 115 Akte van benoeming tot aartspriester van Schieland en Zuid-Holland 1860 1 stuk 116 Ingekomen brieven bij H. Heykamp in zijn hoedanigheid van aartspriester van Schieland en Zuid-Holland, door Henricus Loos, pastoor te Utrecht, aartsbisschop van Utrecht 1861-1867 1 omslag 2.05.3. Persoonlijk 117 Aantekeningen over de belangrijkste levensdata van H. Heykamp, z.d. 1 stuk 118 Diploma van het Gymnasium te Amersfoort 1825 1 stuk 119 Akten van lagere wijdingen en priesterwijding 1827-1829 1 omslag Ingekomen stukken, afzenders: 1829-1858 2 pakken 120 B-V <br/>- Bageham, F.H., 1843. <br/>- Bon, Johannes, pastoor te Haarlem, bisschop van Haarlem, 1835. <br/>- Bosman, B., te Rotterdam, 1849. <br/>- Buul, Henricus Johannes van, pastoor te Amsterdam, bisschop van Haarlem, 1835, 1846-1853 (4). <br/>- Buul, Jacobus Henricus van, docent aan het seminarie te Amersfoort, 1843. <br/>- Colombijn, Johannes, pastoor te Dordrecht, 1841, 1842 (2). <br/>- Glazenmaker, Johannes, pastoor te Leiden, 1852. <br/>- Harderwijk, Cornelis, pastoor te Den Helder en Delft, 1846-1853 (12). <br/>- Heykamp, Johannes, te Amersfoort, 1846-1858 (18). <br/>- Hoeven, J.T. van der, te Amersfoort, 1842-1851 (27). <br/>Met bijlagen: <br/>- uittreksel uit Memoire pour les SS. de Ste. Marthe, 1843. <br/>- uittreksel uit Ami de la Religion, 1843. <br/>- Kalken, Pelegrinus Petrus van, pastoor te Utrecht, 1829. <br/>- Karsten, Christianus, zie inv.nr. 121. <br/>- Kipp, P.J., te Delft, 1849. <br/>- Klerk, J.A., te Delft, 1853. <br/>- Ligtenberg, F., te Den Haag, 1853 (2). <br/>- Loos, Henricus, pastoor te Utrecht, 1849, 1852 (2). <br/>- Rotteveel, Johannes, pastoor te Utrecht, 1845, 1848 (2). <br/>- Santen, Johannes van, aartsbisschop van Utrecht, 1838-1853 (34). <br/>- Spit, Gerardus, pastoor te Rotterdam, 1847. <br/>- Velthoven, J.P., te Terneuzen, 1839. <br/>- Vet, Wilhelmus, pastoor te Den Haag, bisschop van Deventer, 1831, 1847-1852 (10). <br/>- Vlooten, Cornelis Henricus van, pastoor te Den Haag, 1853 (3) 121 Karsten, Chr. <br/>- Karsten, Christianus, docent en president van het seminarie te Amersfoort, 1835-1853 (59) 122 Lied bij de intrede van H. Heykamp als pastoor van de Delftse gemeente 1835 mei 24 1 katern 123 Lied ter gelegenheid van zijn 40-jarig priesterjubileum 1869. Gedrukt 1 stuk 124 Akte van boedelscheiding van de nalatenschap van H. Heykamp 1874 november 12 1 katern 2.06. Cornelis Diependaal, 1875-1893 2.06.1. Ambtelijk 2.06.1.1. Stukken van algemene aard 125 Ingekomen brieven van de overheid 1877-1888. Gedeeltelijk gedrukt 1 omslag Afzenders: <br/>- Ministerie van financiën, 1883 en 1888 (2). <br/>- Ministerie van justitie, 1877-1888 (4) NB 2.06.1.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.06.1.2.1. Verkiezing en wijding 126 Akte van wijding tot bisschop van Deventer 1875 november 17 1 stuk 2.06.1.2.2. Episcopaat 127 Brief van het episcopaat aan paus Leo XIII naar aanleiding van zijn benoeming 1875. Gedrukt 1 stuk 128 Protest van de drie bisschoppen tegen het besluit van de Bonner Synode om het verplichte celibaat op te heffen 1878, afschrift. Met antwoord hierop, 1879 2 stukken 129 Stukken betreffende de uitlening van de bisschoppelijke staf voor diverse tentoonstellingen 1883 en 1888 1 omslag 130 Formulier voor de adhesiebetuiging aan de Unie van Utrecht (1889), met Mededelingen aangaande de Conferentie der Bisschoppen gehouden te Utrecht 1889. Gedrukt 1 omslag 2.06.2. Andere functies 131 Memorie door C. Diependaal en drie andere pastoors uit het diocees Haarlem aan Henricus Johannes van Buul, bisschop van Haarlem, inzake het geschil over het eigendomsrecht over het seminarie te Amersfoort 1862. Afschrift 1 katern 132 Uitgaande brief aan de secretaris van het metropolitaan kapittel over de aanvaarding van zijn benoeming tot kanunnik 1880 1 stuk 2.06.3. Persoonlijk 133 Diploma van het Gymnasium te Amersfoort 1848 1 stuk 134 Akten van wijdingen tot diaken en priester 1856 en 1857 2 stukken 135 Ingekomen brief van M. Dauvillier, onderwijzer, over de verkiezing van T. van Vlooten tot aartsbisschop van Utrecht 1873 1 stuk 2.07. Nicolaas Bartholomeus Petrus Spit, 1894-1929 2.07.1. Ambtelijk 2.07.1.1. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.07.1.1.1. Verkiezing en wijding 136 Danklied ter gelegenheid van zijn wijding tot bisschop van Deventer 1894. Gedrukt 2 stukken Op keerzijde aantekeningen over het concordaat van 1827 NB 2.07.1.1.2. Episcopaat 137 Circulaires en herderlijk schrijven aan de geestelijkheid en gelovigen 1897-1909. Gedrukt 1 omslag 138 Reglement en instructie met nadere bepalingen op het verkiezen van vikarissen en bisschoppen in het bisdom Haarlem 1898. Gedrukt 2 katernen 139 Besluit door de aartsbisschop van Utrecht en het metropolitaan kapittel over de procedure bij de komende verkiezingen van een aartsbisschop van Utrecht 1905. Gedrukt 1 stuk 140 Uitgaande brief aan de Regentes der Nederlanden, met verzoek tot erkenning van de door hem gekozen standplaats te Rotterdam 1894. Afschrift 1 stuk 2.07.1.1.3. Uitoefening wijdingsmacht 141 Ingekomen litterae dimissoriales, 1906, met formulier van uit te reiken litterae dimissoriales, z.d. 2 stukken 2.07.2. Persoonlijk 142 Stukken betreffende de "Nationale Tentoonstelling van Nijverheid en Kunst" 1897. Gedeeltelijk gedrukt 3 stukken 2.08. Johannes Hermanus Berends, 1929-1941 2.08.1. Ambtelijk 2.08.1.1. Stukken van algemene aard Ingekomen brieven, geagendeerd 1929-1941 6 pakken 143 1929-1930 (nrs. 1-87) 144 1931 (nrs. 88-158) 145 1932-1934 (nrs. 158a-255) 146 1935-1936 (nrs. 256-401) 147 1937-1938 (nrs. 402-485) 148 1939-1941 (nrs. 486-560) 149 Agenda op de ingekomen brieven 1929-1941 1 katern Uitgaande brieven, geagendeerd 1929-1941. Minuten en afschriften 2 pakken 150 1929-1931 (nrs. 1-115) 151 1932-1941 (nrs. 116-304) 152 Agenda op de uitgaande brieven 1929-1941 1 katern Ingekomen stukken, niet geagendeerd 1930-1941 2 pakken 153 1930-1937 154 1938-1941 155 Uitgaande stukken, niet geagendeerd 1939-1940. Minuten 1 omslag 2.08.1.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.08.1.2.1. Episcopaat 156 Stukken betreffende de vertegenwoordiging door de oud-katholieke kerk in het Russische-Kerk comité 1937 1 omslag Berends was na het overlijden van aartsbisschop Kenninck korte tijd vertegenwoordiger van de oud- katholieke kerk NB 2.08.2. Andere functies 157 Toespraak door J.H. Berends, als deken van het metropolitaan kapittel, ter gelegenheid van de verkiezing van een nieuwe aartsbisschop [1937] 1 stuk 2.08.3. Persoonlijk 158 Ingekomen stukken bij J.H. Berends vóór zijn bisschopswijding 1899-1903, 1919-1927. Met minuut van uitgaande brief, 1924 1 omslag 159 Stukken betreffende schulden en vorderingen 1917-1933 1 omslag 160 Stukken betreffende beleggingen 1919-1942 1 omslag 161 Toespraak door J.H. Berends ter gelegenheid van zijn bisschopswijding 1929 1 stuk 162 Manuscript van De beknopte geschiedenis van de katholieke kerk van Nederland door B.A. van Kleef, met begeleidende brief 1934 1 pak 163 Stukken betreffende verbouwing en onderhoud van het pand Frankenstraat 35 te Den Haag 1934-1941 1 omslag 164 Correspondentie van Cornelis Wijker, executeur-testamentair van de nalatenschap van Berends 1941-1943 1 omslag 2.09. Engelbertus Lagerwey, 1941-1959 2.09.1. Ambtelijk 2.09.1.1. Stukken van algemene aard Ingekomen stukken, alfabetisch op persoonsnaam, daarbinnen chronologisch 1903- 1959 36 pakken 165 A-Ba 166 Be 167 Bi-Bo 168 Br 169 Bu-Con 170 Cop-Ee 171 Eg-Gl 172 Go-Gr 173 Gu-Heu 174 Hey-Hu 175 Hoogslag, A.D 176 I-Je 177 Jo-Ka 178 Ke-Kle 179 Kleef, B.A. van 180 Kli-Ko 181 Kr-Le 182 Li-Me 183 Mi-Mu 184 N-Of 185 Ol-Oz 186 P-Q 187 Ra-Ri 188 Rinkel, A., 1924-1947 189 Rinkel, A., 1948-1952 190 Rinkel, A., 1953-1958 191 Ro-Sa 192 Sc-Sm 193 So-Th 194 Theologisch-Psychiatrisch Gezelschap 195 Ti-Ven 196 Ver 197 Verhey, H.W.J 198 Vi-Vr 199 W 200 Y-Z Uitgaande stukken, chronologisch 1915-1958 en z.d. Minuten en doorslagen 18 pakken 201 1915-1928 202 1929-1933 203 1934-1936 204 1937-1938 205 1939-1940 206 1941-1943 207 1944-1945 208 1946-1947 april 209 1947 mei-dec. 210 1948 211 1949 212 1950 213 1951 214 1952 215 1953 216 1954 jan.-aug. 217 1954 sept.-1955 218 1956-1958, z.d. 2.09.1.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.09.1.2.1. Verkiezing en wijding Ingekomen stukken van diverse personen naar aanleiding van zijn bisschopswijding 1941 2 pakken 219 A-M 220 N-Z 221 Uitgaande brieven aan diverse personen betreffende zijn bisschopswijding 1941. Minuten 1 omslag 222 Stukken betreffende zijn wijding tot bisschop van Deventer 1941 1 omslag 2.09.1.2.2. Episcopaat 2.09.1.2.2.1. Algemeen 223 Agenda's van diverse bisschoppenkonferenties 1942-1950 1 omslag 224 Notulen, convocaties en andere stukken van het episcopaat der oud-katholieke kerk van Nederland 1943-1948 1 omslag 225 Ingekomen stukken bij en uitgaande stukken van het episcopaat der oud-katholieke kerk van Nederland 1946-1956. Originelen en doorslagen 1 omslag Herderlijke brieven en circulaires aan de geestelijkheid en de gelovigen 1941-1959. Gedeeltelijk gedrukt 2 pakken 226 1941-1950 227 1951-1959 228 Stukken betreffende de financiering van geestelijken, noodlijdende parochies en bijzondere aangelegenheden 1944-1955. Originelen en doorslagen 1 omslag 2.09.1.2.2.2. Verhouding met het metropolitaan kapittel 229 Ingekomen stukken van het metropolitaan kapittel 1942-1954 1 omslag 2.09.1.2.2.3. Leer en liturgie 230 Ingekomen brieven van de oud-katholieke priestervereniging 'Cor Unum et Anima Una', afdeling godsdienstige geschriften 1925-1940; 1941-1957 1 omslag 231 Preken 1943-1955 1 omslag Het is niet duidelijk in welke hoedanigheid Lagerwey deze preken heeft gehouden NB 232 Stukken afkomstig van de commissie voor uitbreiding en wijziging van de pericopen, z.d. 1 omslag 2.09.1.2.2.4. Verenigingen en fondsen 233 Stukken betreffende de Commissie van Overleg 1948-1949 1 omslag 234 Ingekomen stukken van het Pensioenfonds voor de Geestelijken der Oud-Katholieke Kerk van Nederland 1941-1954 1 omslag 235 Stukken betreffende het Oud-Katholiek Ondersteuningsfonds 1916-1919, 1929-1936; 1942-1958 1 omslag 236 Ingekomen brieven van de Oude Rooms-Katholieke Aalmoezenierskamer 1942- 1958 1 omslag 237 Stukken betreffende het Beleggings Consortium voor de Oud-Katholieke Kerk van Nederland 1947-1954 1 omslag 238 Ingekomen stukken van de Centrale Kas 1954 1 omslag 239 Ingekomen brieven van de oud-katholieke vrouwenverenigingen 'Weldoende Doorgaan' en 'Ste. Gertrudis' 1944-1954 1 omslag 240 Ingekomen stukken van de Bond van Oud-Katholieke Vrouwenverenigingen in Nederland 1936; 1950-1956 1 omslag 241 Ingekomen stukken van de Oud-Katholieke Studentenvereniging 'Batavia' 1934-1937; 1941-1958 1 omslag 242 Ingekomen brieven van de Bond van Jonge Oud-Katholieken in Nederland 1910, 1935- 1937; 1946-1958 1 omslag 243 Ingekomen brieven van oud-katholieke jongeliedenverenigingen 1929-1939; 1947- 1955 1 omslag 244 Ingekomen brieven van de Oud-Katholieke Vereniging voor Kinderbescherming 1948- 1958 1 omslag 245 Ingekomen stukken van het Oud-Katholiek Bureau tot Verbreiding van het Geloof 'Apostoleia' 1944-1957 1 omslag 246 Ingekomen stukken van de Broederschap voor Oud-Katholieke Actie 'St. Willibrord' 1949-1958 1 omslag 247 Stukken betreffende de Internationale Oud-Katholieke Vereniging tot Onderlinge Hulp, afdeling Nederland 1917; 1941-1947 1 omslag De brief van 1917 betreft de uitnodiging aan Lagerwey om zitting te nemen in het bestuur NB 248 Ingekomen stukken van 'De Oud-Katholieke Pers' 1932-1939; 1943-1958 1 omslag 249 Stukken betreffende het Centraal Bureau voor de Oud-Katholieke Diaspora-verzorging 1924; 1944-1952 1 omslag 250 Ingekomen stukken van de commissie tot stichting van een Oud-Katholiek Centrum 1946-1949 1 omslag 251 Ingekomen brieven van de Oud-Katholieke Oecumenische Vereniging 1954- 1956 1 omslag 2.09.1.2.2.5. Museum 252 Correspondentie met en over het Oud-Katholiek Museum van kerkelijke kunst en geschiedenis in Nederland 1929-1934; 1941-1958 1 pak Lagerwey was oprichter en van 1927-1942 directeur van het Oud-Katholiek Museum, maar was ook daarna nog intensief bij het museum betrokken NB 253 Stukken betreffende de Sint Willibrord-tentoonstelling in Echternach 1958 1 omslag 2.09.1.2.2.6. Externe betrekkingen 2.09.1.2.2.6.1. Algemeen 254 Ingekomen brieven van diverse personen in België, alfabetisch op persoonsnaam 1914- 1935; 1947-1953 1 omslag 255 Ingekomen stukken van diverse personen in Duitsland, alfabetisch op persoonsnaam 1931-1938; 1946-1958 1 omslag 256 Ingekomen stukken van diverse personen in Frankrijk, alfabetisch op persoonsnaam 1939-1940; 1945-1958 1 omslag 257 Ingekomen stukken van diverse personen in Groot-Brittannië, alfabetisch op persoonsnaam 1917-1935; 1941-1958 1 omslag 258 Ingekomen brieven van diverse personen in Italië, alfabetisch op persoonsnaam 1946- 1953 1 omslag 259 Ingekomen stukken van diverse personen in Oostenrijk, alfabetisch op persoonsnaam 1918-1937; 1947-1957 1 omslag 260 Ingekomen brieven van diverse personen in de Verenigde Staten, alfabetisch op persoonsnaam 1933; 1949-1956 1 omslag 261 Ingekomen stukken van diverse personen in Zwitserland, alfabetisch op persoonsnaam 1926-1935; 1946-1955 1 omslag 262 Ingekomen brieven van verschillende personen in andere landen, alfabetisch op persoonsnaam 1928; 1947-1954 1 omslag 2.09.1.2.2.6.2. Oud-katholieke kerken 263 Agenda's en notulen van diverse bisschopskonferenties in het buitenland 1948- 1955 1 omslag 264 Ingekomen stukken van verschillende oud-katholieke bisschoppen en pastoors in Duitsland, alfabetisch op persoonsnaam 1917-1936; 1942-1957 1 omslag Afzenders: <br/>- Demmel, Hans J., 1922-1927; 1951-1957 (10). <br/>- Feldmann, Klemens Ph., 1947-1951 (4). <br/>- Hessl, H.F., 1936. <br/>- Kreuzer, Erwin, 1924-1936; 1942-1949 (21). <br/>- Moog, Georg, 1924-1935 (5). <br/>- Scharte, Werner, 1947 (2). <br/>- Schmidt, 1917-1922; 1951 (11). <br/>- Steinwachs, Otto, 1947-1954 (4). <br/>- Tobias, 1927 (4). <br/>- Zeimet, 1949-1951 (2). <br/>- Diverse Pfarramten, 1935-1936; 1956-1957 (7) NB 265 Ingekomen stukken van verschillende oud-katholieke instellingen en personen in Frankrijk 1923-1939; 1953-1955 1 omslag Afzenders: <br/>- E.D.P.E.F., 1953-1955 (8). <br/>- Fatôme, Paul, 1923-1939 (32). <br/>- Launay, Francis Jean, 1954 NB 266 Ingekomen brieven van verschillende geestverwanten in Joegoslavië, alfabetisch op persoonsnaam 1935; 1952-1958 1 omslag Afzenders: <br/>- Huzjak, 1954-1958 (7). <br/>- Jost, Radovan, 1952-1954 (3). <br/>- Malovic, 1935. <br/>- Mohorovicic, Stjepan, 1954 (2) NB 267 Ingekomen stukken van verschillende oud-katholieke geestelijken in Oostenrijk, alfabetisch op persoonsnaam 1920-1939; 1948-1956 1 omslag Afzenders: <br/>- Brandl, Heinz, 1926-1929 (4). <br/>- Donath, Fred, 1948-1950 (3). <br/>- Focke, 1921 (10). <br/>- Hossner, 1923. <br/>- Klekler, Ludwig, 1920-1923 (20). <br/>- Mann, J., 1953-1956 (7). <br/>- Schindelar, Adelbert, 1920-1922 (16). <br/>- Siedek, Oskar, 1920-1922 (30). <br/>- Török, Stefan, 1947-1952 (16). <br/>- Tüchler, R., 1920. <br/>- Diverse Pfarramten, 1923-1939 (6) NB 268 Ingekomen brieven van en minuten van uitgaande brieven aan verschillende geestverwanten in Polen, alfabetisch op persoonsnaam 1912-1924; 1947-1951 1 omslag Afzenders: <br/>- Golembiowsky, Leo M.A., 1912-1920 (7). <br/>- Prochniewsky, Jacob, 1919-1924 (2). <br/>- Ruminiak, Paul, 1951 (7). <br/>- Zelezniak, Mikolaj, 1947 (4) NB 269 Ingekomen stukken van verschillende oud-katholieke geestelijken in Tsjechoslowakije, alfabetisch op persoonsnaam 1921-1940; 1941-1955 1 pak Afzenders: <br/>- Ferge, 1921-1940; 1946-1954 (84). <br/>- Hübel, Rudolf, 1935. <br/>- König, E., 1935. <br/>- Paschek, Alois, 1923-1940; 1941-1943 (70). <br/>- Rab, 1946-1955 (5) NB 270 Ingekomen brieven van verschillende oud-katholieke geestelijken in de Verenigde Staten, alfabetisch op persoonsnaam 1937-1938; 1947-1954 1 omslag Afzenders: <br/>- Haines, A.T.B., 1947 (2). <br/>- Holman, Earle S., 1937. <br/>- Jasinsky, John Z., 1938; 1948 (3). <br/>- Misiaszek, Jan, 1953-1954 (4) NB 271 Ingekomen stukken van verschillende geestelijken van de Christkatholische Kirche in Zwitserland, alfabetisch op persoonsnaam 1911-1939; 1943-1957 1 omslag Afzenders: <br/>- Frei, Hans A., 1948-1958 (4). <br/>- Heinz, Max, 1946-1949 (3). <br/>- Herzog, Ed., 1911-1918 (4). <br/>- Hohler, Hans, 1955 (3). <br/>- Küry, Adolf, 1916-1939; 1943-1959 (78). <br/>- Moll, Arnold, 1946-1948 (17). <br/>- Spaeti, 1937-1938 (2). <br/>- Sprenger, B., 1946. <br/>- Strub, Otto, 1955 NB 2.09.1.2.2.6.3. Anglicaanse kerk 272 Ingekomen stukken van verschillende geestelijken van de anglikaanse kerkgemeenschap in Groot-Brittannië, alfabetisch op persoonsnaam 1936-1939; 1945-1956 1 omslag Afzenders: <br/>- Barrington-Evans, W.A., 1955. <br/>- Batty, Staunton, 1947 (3). <br/>- Bowers, John L., 1946-1953 (3). <br/>- Brandreth, Henry R.T., 1946 (2). <br/>- Bunn, Leslie H., 1952-1953 (2). <br/>- Cockburn, Norman J., 1946-1950 (2). <br/>- Coulson, J.A., 1937-1939; 1945 (5). <br/>- Council of Foreign Relations, 1936; 1946-1956 (12). <br/>- Dakin, J.B., 1945-1949 (12). <br/>- Don, Alan C., 1946. <br/>- Duncan-Jones, M., 1937 (2). <br/>- Farley, Lionel G.H., 1954-1955 (5). <br/>- Francis, D.L., 1954-1956 (5). <br/>- Gage-Brown, C.L., 1956. <br/>- Gloucester, 1939 (4). <br/>- Graham, A., 1939. <br/>- Herbert, 1946 (2). <br/>- Ineson, Percy, 1951-1953 (4). <br/>- Kay, R.S., 1947. <br/>- Kemp, Eric, 1945 (2). <br/>- Lisle, John E.C., 1947. <br/>- Moss, C.B., 1936; 1946-1955 (8). <br/>- Nayton, 1948-1952 (2). <br/>- Neill, Stephan, 1952. <br/>- Petitpierre, 1942-1948 (7). <br/>- Prideaux, 1954 (2). <br/>- Raynes, Raymond, 1956. <br/>- Royle, Ronald, 1946 (2). <br/>- Sharpe, N., 1946. <br/>- Shaw, C.G., 1939. <br/>- Warner, Kenneth C.H., 1953 (3) NB 273 Ingekomen brieven van verschillende geestelijken van de Protestant Episcopal Church in de Verenigde Staten, alfabetisch op persoonsnaam 1932-1934; 1947-1952 1 omslag Afzenders: <br/>- Broburg, Anselm, 1952. <br/>- Dyk, John C. van, 1951. <br/>- Larned, Albert C., 1932-1933 (4). <br/>- Morehouse, Clifford P., 1934; 1947 (2). <br/>- Pepper, Almon R., 1951 (2). <br/>- Sherrill, Henry K., 1948-1951 (4). <br/>- Tomkins, Floyd W., 1947-1948 (4) NB 2.09.1.2.2.6.4. Oosters-orthodoxe kerken 274 Ingekomen stukken van geestverwanten uit oosters-orthodoxe kerken in diverse landen, alfabetisch op persoonsnaam 1932-1937; 1947-1954 1 omslag Afzenders: <br/>- Eulogious, A.B., te Parijs, 1937 (2). <br/>- Germanos, te Londen, 1936. <br/>- Kaloustian, Shnorhk, te Londen, 1947. <br/>- Surmeyan, te Parijs, 1947-1948 (2). <br/>- Théodosios, te Syrië, 1954. <br/>- Zander, L., te Parijs, 1932-1933; 1947-1953 (12) NB 2.09.1.2.2.6.5. Protestantse kerken in Nederland 275 Ingekomen brieven 1938-1940; 1943-1954 1 omslag 2.09.1.2.2.6.6. Oecumenische beweging 276 Ingekomen brieven 1938-1958 1 omslag 277 Ingekomen stukken van de World Council of Churches 1946-1956 1 omslag 2.09.1.2.2.6.7. Burgerlijke overheid 278 Ingekomen stukken van diverse ministeries 1934; 1942-1958 1 omslag 2.09.1.2.2.6.8. Koninklijk huis 279 Ingekomen brieven 1953-1957 1 omslag 2.09.2. Andere functies 280 Ingekomen brieven van de Oude Rooms-Katholieke Aalmoezenierskamer door Lagerwey ontvangen in zijn functie van pastoor te Dordrecht en Utrecht 1916-1940 1 omslag 281 Stukken betreffende de Oud-Katholieke Assurantie Vereniging 1918-1956 1 omslag Lagerwey was in 1917 oprichter van deze verzekeringsmaatschappij NB 282 Ingekomen stukken van het metropolitaan kapittel 1924-1941 1 omslag 283 Correspondentie van Lagerwey als provisor en zijn bemoeienis uit andere hoofde met het oud- katholiek seminarie te Amersfoort 1925-1958 1 pak 284 Stukken betreffende de monumentencommissie van de gemeente Utrecht 1928-1958. Gedeeltelijk gedrukt 1 pak Lagerwey was vanaf 1940 lid en vanaf 1945 plaatsvervangend voorzitter van deze commissie NB 285 Ingekomen brieven bij E. Lagerwey in zijn hoedanigheid van aartspriester van Utrecht 1937-1944 1 omslag 286 Ingekomen brieven van het episcopaat bij E. Lagerwey in zijn hoedanigheid van kanunnik van het metropolitaan kapittel en bestuurslid van het fonds Mulder 1938 3 stukken 287 Stukken betreffende de nationale commissie voor vluchtelingenhulp 1952-1955 1 pak Lagerwey was vanaf 1952 lid van de raad van advies en aanbeveling NB 288 Stukken betreffende het Centraal Museum te Utrecht 1954-1958 1 omslag Lagerwey was van 1954-1957 lid van de museumcommissie voor het Centraal Museum der gemeente Utrecht NB 2.09.3. Persoonlijk 289 Ingekomen brieven van diverse familieleden 1903-1951 1 omslag 290 Lezingen en verhandelingen over diverse onderwerpen 1909-1941 en z.d. 1 pak 291 Kranteartikelen over bijbelse vertellingen z.d. Gedeeltelijk handschrift 1 omslag 292 Correspondentie met de redactie van De Oud-Katholiek, veelal over artikelen van E. Lagerwey 1915-1952 1 omslag 292-a A Service of Intercession to be used in the British Chruch Batavia on Sunday, august 5th 1917 at 6.30 p.m. to mark the third anniversary of the beginning of the war (Batavia, 1917). Exemplaar voor mgr. Lagerwey. Gedrukt 1917 1 katern 293 Stukken betreffende het Correspondentieblad voor de Geestelijken der Oud-Katholieke Kerk van Nederland 1940-1954. Gestencild 1 omslag 294 Programma voor de herdenking van het derde eeuwfeest van de stichting van het vicariaat (metropolitaan kapittel), met foto's 1933 1 katern 295 Stukken betreffende de nalatenschap van M.C. Kenninck, waarvan Lagerwey optrad als executeur testamentair 1937-1940 1 pak 296 Stukken betreffende hulp aan de oorlogsslachtoffers in Rotterdam 1940 1 omslag 297 Vorderingen van E. Lagerwey op diverse personen 1946-1955 1 omslag 298 Wij bouwen een kerk, toneelstuk vermoedelijk door E. Lagerwey geschreven 1954 1 omslag Stukken betreffende de 70ste verjaardag van E. Lagerwey 1950 2 pakken 299 A-N 300 O-W Ingekomen brieven van diverse personen ter ere van zijn 50-jarig priesterjubileum 1954- 1955 2 pakken 301 B-L 302 M-Z 303 Artikelen uit diverse binnen- en buitenlandse dag- en weekbladen betreffende zijn 50-jarig priesterjubileum 1954. Gedrukt 1 omslag 304 Stukken betreffende de kerkdienst en receptie ter gelegenheid van zijn 50-jarig priesterjubileum 1954 1 omslag 305 Ingekomen brieven ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag 1955 1 omslag 306 Stukken betreffende de nalatenschap van E. Lagerwey 1955-1963 1 omslag 307 Stukken betreffende het overlijden en de begrafenis van E. Lagerwey 1959. Gedeeltelijk gedrukt 1 omslag 3. Bijlagen 3.1. Bijlage: Lijst van aartsbisschoppen en bisschoppen over 1723-1937 3.1.1. Aartsbisschoppen van Utrecht Cornelis Steenoven 1723-1725 Cornelis Johannes Barchman Wuytiers 1725-1733 Theodorus van der Croon 1733-1739 Petrus Johannes Meindaerts 1739-1767 Walter Michael van Nieuwenhuyzen 1767-1797 Johannes Jacobus van Rhijn 1797-1808 Willibrordus van Os 1814-1825 Johannes van Santen 1825-1858 Henricus Loos 1858- 1873 Johannes Heykamp 1875-1892 Gerardus Gul 1892-1920 Franciscus Kenninck 1920-1937 3.1.2. Bisschoppen van Haarlem (Theodorus Doncker 1727-1731) Hieronymus de Bock 1742-1744 Johannes van Stiphout 1745-1777 Adrianus Johannes Broekman 1778-1800 Johannes Nieuwenhuis 1801-1810 Johannes Bon 1819-1841 Henricus Johannes van Buul 1843-1862 Lambertus de Jongh 1863-1867 Casparus Johannes Rinkel 1873-1906 Jacobus Johannes van Thiel 1906-1912 Nicolaas Prins 1912-1916 Henricus Theodorus van Vlijmen 1916-1945 3.1.3. Bisschoppen van Deventer Bartholomeus Johannes Bijeveld 1758-1778 Nicolaas Nelleman 1778-1805 Gijsbertus de Jong 1805-1824 Wilhelmus Vet 1825-1853 Hermanus Heykamp 1853-1874 Cornelis Diependaal 1875-1893 Nicolaas Bartholomeus Spit 1894-1929 Johannes Hermanus Berends 1929-1941 Engelbertus Lagerwey 1941-1959 136-a Beschrijving in voorbereiding 224-a Beschrijving in voorbereiding 249-a Beschrijving in voorbereiding 250-a Beschrijving in voorbereiding 275-a Beschrijving in voorbereiding 275-b Beschrijving in voorbereiding 275-c Beschrijving in voorbereiding 275-d Beschrijving in voorbereiding 275-e Beschrijving in voorbereiding 275-f Beschrijving in voorbereiding 277-a Beschrijving in voorbereiding 277-b Beschrijving in voorbereiding 277-c Beschrijving in voorbereiding 277-d Beschrijving in voorbereiding 277-e Beschrijving in voorbereiding 277-f Beschrijving in voorbereiding 290-a Beschrijving in voorbereiding 297-a Beschrijving in voorbereiding