Archief van het klooster mariënburg te soest 1445-1791 in: kapittels en kloosters onder bestuur van de staten van utrecht

1006-6 inventaris van het archief van het klooster mariënburg te soest 1445-1791 in: kapittels en kloosters onder bestuur van de staten van utrecht 1445 1791 1006-6 rooms-katholiek (rk): klooster mariënburg te soest Het Utrechts Archief Openbaarheid volledig openbaar Titel inventaris inventaris van het archief van het klooster mariënburg te soest 1445-1791 in: kapittels en kloosters onder bestuur van de staten van utrecht Titels nadere toegangen Geen nadere toegangen 1. Inleiding In 1905 verscheen de Catalogus van de archieven van de kleine kapittelen en kloosters van de hand van J. de Hullu en S.A. Waller Zeper. Deze Catalogus bevatte de inventaris van alle klooster- en kapittelarchieven die destijds in het Rijksarchief in de provincie Utrecht berustten, minus die van de vijf kapittels in de stad Utrecht. 1 Omdat deze inventaris niet meer aan de eisen van de tijd voldeed, werd in de jaren zeventig een begin gemaakt met de herinventarisatie van deze klooster- en kapittelarchieven � een zeer omvangrijk project, waaraan in de afgelopen drie decennia door verschillende mensen is gewerkt. Dit leverde een reeks van nieuwe inventarissen op (zie bijlage). De voorliggende inventaris vormt het sluitstuk van die reeks. 1 J. de Hullu en S.A. Waller Zeper, Catalogus van de archieven van de kleine kapittelen en kloosters (Utrecht 1905). Voetnoot Waar in 2002 een nieuwe inventaris van de vijf adellijke vrouwenkloosters in en om Utrecht verscheen in de reeks Toegangen van Het Utrechts Archief, verschijnt nu in diezelfde reeks de inventaris van de zes nog resterende klooster- en kapittelarchieven uit voornoemde Catalogus. Het betreft de archieven van het kapittel van Ter Horst bij Rhenen en het kapittel van Montfoort, alsmede de archieven van het kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht, het tertiarissenklooster St. Agnes te Rhenen (St. Agnietenklooster), het dominicanessenklooster St. Maria Magdalena te Wijk bij Duurstede en het brigittenklooster Mariënburg te Soest. Met uitzondering van dat van Nieuwlicht zijn deze archieven maar ten dele bewaard gebleven. Wel resteren van vrijwel alle genoemde kloosters een of meer cartularia. Waar de oorspronkelijke akten doorgaans niet zijn overgeleverd, zijn deze cartularia van grote waarde voor de onderzoeker. Dankzij de uitvoerige specificaties in de bijlagen kan deze nu gemakkelijk in de inhoud daarvan doordringen. Tijdens de Reformatie kwamen de goederen van de genoemde instellingen geheel of gedeeltelijk onder het bestuur van de Staten van Utrecht, waarna ze ieder afzonderlijk meer dan twee eeuwen lang door een door de Staten aangestelde rentmeester werden beheerd. Samen met een aantal andere kloosters en kapittels in Utrecht en elders in het Sticht (zie bijlage) werden zij gerekend tot de zogenaamde Statenconventen. Eerst in de Bataafse Tijd kwam het tot een formele opheffing van de verschillende kloosters en kapittels en een geleidelijke ontbinding van de bijbehorende goederencomplexen. 1 1 Het archief van het St. Joriskapittel van Amersfoort, waarvan de institutionele geschiedenis in de Catalogus van De Hullu en Waller Zeper uitvoerig is beschreven, maar daarin niet geïnventariseerd is, berust vanouds in het Gemeentearchief van Amersfoort. Vgl. Catalogus Kleine Kapittelen en Kloosters, p. 3-7. Voetnoot 1.1. Vóór de reformatie 1.1.1. Kapittel van Ter Horst Kort voor zijn dood in 1178 schonk bisschop Godfried van Rhenen (1156-1178) aan de kerk van Utrecht ten dienste van het bisschoppelijk bestuur het kasteel Ter Horst te Achterberg bij Rhenen met het bijbehorende domein. 1 Dit kasteel was begin twaalfde eeuw door zijn vader gebouwd op allodiaal goed van de heren van Rhenen en door Godfried zelf herbouwd, nadat het in 1159 of 1163 door oorlogsgeweld was verwoest. Bij dit kasteel behoorde ook een kapel, die expliciet in de schenkings-oorkonde wordt genoemd. Uit latere bronnen blijkt dat deze gewijd was aan St. Pancratius. De ligging van de kapel moet worden gezocht in de directe nabijheid van het kasteel. Voor de Utrechtse bisschop diende Ter Horst als een van de vestingen die de grenzen van het Nedersticht moesten beschermen. Het kasteel werd door de bisschop onder bestuur geplaatst van een kastelein, die later burggraaf heette. De St. Pancratiuskapel gold na 1178 als bisschoppelijke eigenkerk. Zij viel niet rechtstreeks onder de parochiekerk van St. Cunera te Rhenen. 1 S. Muller Fz. en A.C. Bouman (ed.), Oorkondenboek Sticht Utrecht dl. 1 (Utrecht 1920) p. 444, nr. 499 (1178). Geanalyseerd door C. Dekker, 'Les châteaux dans la principauté ecclésiastique d'Utrecht dans leur contexte politique et social', in: Château Gaillard, Études de Castellologie médiévale (Caen 1987) p. 5-20, aldaar p. 13-15. Voetnoot Anderhalve eeuw later, in 1344, vatte de toenmalige bisschop Jan van Arkel een bijzondere belangstelling voor deze kapel op, toen de aan deze kapel verbonden goederen aanzienlijk werden vermeerderd ten gevolge van een schenking van een omvangrijke rente uit het kerkengoed van IJsselham in het Land van Vollenhove. 1 Dit leidde ertoe dat de bisschop in 1347 de St. Pancratiuskapel bij kasteel Ter Horst tot een kapittelkerk verhief voor zijn eigen zielenheil en dat van zijn broer Robert van Asperen. Daartoe richtte hij het Heilig Drievuldigheidskapittel op, dat tevens werd toegewijd aan het H. Sacrament en het H. Bloed. 2 1 Archief bisschoppen van Utrecht inv.nr. 154 (regest nr. 765). 2 Archief Ter Horst, inv.nr. 1, fol. 3r-14r. Voetnoot De privileges en immuniteitsrechten van het kapittel stelde de bisschop gelijk aan die van de Utrechtse (dom)kanunniken. De deken moest door en uit de kanunniken gekozen worden, waarna hij door de bisschop werd benoemd. De burggraaf bezat het nominatie- en presentatierecht van de overige kanunniken, en ook die werden door de bisschop benoemd. Voorwaarde was dat het mannen betrof die uit het Nedersticht afkomstig waren, en vooral dat ze wapens konden dragen en desgewenst het kasteel konden verdedigen. De deken en de thesaurier, belast met het goederenbeheer, ontvingen elk een dubbele prebendale portie, namelijk als kanunnik en als bijzondere functionaris. Er was geen proost. De bisschop zelf nam de taak van verdediger van de kapittelrechten op zich. Onder de thesaurier functioneerde de koster en er werd ook in het vooruitzicht gesteld dat de bisschoppelijke kapelaans en leden van de bisschoppelijke huishouding prebendale inkomsten konden verwerven. Jan van Arkel wees alle bestaande goederen van de kapel aan het kapittel toe en voegde daarbij de parochiekerk van IJsselham, dit laatste ten koste van het kapittel van Steenwijk, dat tot dan toe de rechten op de kerk had bezeten. Bovendien schonk hij aan het kapittel de uitgestrekte hof De Hoelhorst bij Achterveld, die hij zelf kort tevoren van Zweder van Uterlo had gekregen. 1 1 Proost van St. Pieter te Utrecht, naderhand Domproost. Voetnoot Weer anderhalve eeuw later, in 1481, voerde bisschop David van Bourgondië een aantal wijzigingen door in de oprichtingsakte en statuten. 1 Het aantal prebenden, dat tot dan toe variabel was geweest, afhankelijk van de vaste inkomsten, werd in 1481 gefixeerd op drie naast het dekenaat. De aan deze drie prebenden verbonden inkomsten waren verschillend van omvang, al naar gelang de taak en de presentie van de geestelijken. Daarbij kwam het goederenbeheer toe aan de oudste kanunnik. Alle kanunniken moesten de priesterwijding hebben ontvangen, wat in de nieuwe statuten nadrukkelijk werd gesteld. Met het oog op de loyaliteit aan de bisschop en het Sticht, diende een kandidaat-kanunnik niet alleen uit het Sticht afkomstig te zijn, maar moest ook bewezen zijn dat zijn vader de bisschop jarenlang trouw had gediend. Verder kwam er naast het prebendengoed een gemeenschappelijk fonds, in het bijzonder ten behoeve van de verlichting van de kapel en de diverse onkosten vanwege de eredienst. In het algemeen werd er in de statuten van 1481 meer dan tevoren aandacht geschonken aan het gemeenschappelijk leven van de op of bij het kasteel verblijvende kanunniken en aan de elementaire kerkelijke discipline. 1 Archief Ter Horst, inv.nr. 3. Opmerkelijk is dat van de Latijnse oprichtingsakte en de statuten en het eedformulier van 1347 ca. 1481 ook een Middelnederlandse versie werd gemaakt. Vgl. archief Ter Horst, inv.nr. 2. Voetnoot Nadat in 1528 het kasteel Ter Horst (en vermoedelijk ook de bijbehorende kapel) door Gelderse troepen was verwoest, hebben de deken en de drie kanunniken hun kerkelijke verplichtingen tijdelijk uitgeoefend in de St. Cunerakerk te Rhenen. Nog in hetzelfde jaar besloot Karel V als nieuwe landsheer van het Sticht tot opheffing en sloop van de landsheerlijke kastelen Vreeland en Ter Horst; een deel van het materiaal werd gebruikt voor de bouw van de dwangburcht Vredenburg in Utrecht. Dientengevolge werd in 1534 een nadere regeling getroffen ten aanzien van de vier prebenden van Ter Horst: één prebende moest worden vervuld door de aalmoezenier van de Vredenburg, de tweede door een kanunnik op kasteel Abcoude, de derde door een kanunnik op kasteel Ter Eem en de vierde door een kanunnik in de St. Cunerakerk van Rhenen. Desondanks bleef er sprake van één 'kapittel van Ter Horst'. Omdat de kanunniken voortaan verspreid woonden, zouden de prebenden voortaan door de algemene landsheerlijke rentmeester aan de kanunniken worden uitbetaald. 1 1 Nationaal Archief Den Haag, archief Ambtenaren Centraal Bestuur, inv.nrs. 788 (ad 1534 mei 6) en 791, fol. 2-4 en 65v-66r (1534 mei 6). Vriendelijke mededeling van drs. T.J. Hoekstra. Voetnoot Omtrent de te Rhenen vervulde Ter Horst-prebende zij nog vermeld, dat deze in 1566 korte tijd in bezit was van Nicolaas van Nieuwland, de eerste bisschop van Haarlem. Een jaar later werd deze prebende echter geïncorporeerd in het pastoraat (de pastoorsgoederen) van de nieuwe parochie Veenendaal, die in 1549 was afgescheiden van Rhenen en waarvan de kerk in 1566 was gewijd. 1.1.2. Kapittel van Montfoort 1 1 Volledige geschiedenis hiervan in: H. Verloren van Themaat, 'Geschiedenis der vicariën in de provincie Utrecht en der geestelijke of gebeneficieerde goederen in het algemeen, na de reformatie', in: Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht 4 (1881) p. 301-397. Kort en bondig overzicht van de geschiedenis van dit kapittel in: C. Dekker, 'De Hervorming in Montfoort', Heemtijdinghen 15 (1979), p. 21-36. De deken 'die dat collegie berechten sal, ende sorghe van den zielen der parochyanen van der kerken voirsz. ende der kanonicken draghen sal': inv.nr. 1, akte van oprichting. Voetnoot Anno 1400 gaf paus Bonifatius IX zijn goedkeuring aan de oprichting van het kapittel in de parochiekerk van St. Jan Evangelist in de stad Montfoort, die kort daarvóór door burggraaf Hendrik III van Montfoort (1375-1402) was bewerkstelligd. Het college bestond uit acht kanunniken (ook wel aangeduid als 'capitularen'), naderhand uitgebreid tot veertien. Een van de kanunniken fungeerde als deken van het kapittel en was bovendien pastoor van de parochie en zielzorger over zijn medekanunniken. De dubbele prebende die hem bij de oprichting was toegedacht, werd echter nooit gerealiseerd. De pastoriegoederen, waaruit de deken-pastoor werd onderhouden, waren daarvoor niet toereikend. De andere kanunniken werden betaald uit de diverse vicarieën die aan de kerk waren verbonden. Bij de oprichting van het kapittel waren dit er zeven. Later werd dit aantal uitgebreid tot elf, met daarenboven de vicarie van het Oude Mannenhuis en de vicarie van het Gasthuis elders in de stad. Het kapittel bestond dus eigenlijk uit een gemeenschap van de pastoor en de zeven, later dertien direct of indirect aan de kerk verbonden vicarissen. Het benoemingsrecht van pastoor en vicarissen was in handen van de burggraaf van Montfoort, die dus feitelijk het hele kapittel benoemde. Het bescheiden vermogen van de pastorie, bestemd voor de deken-pastoor, was beperkt tot een huis met erf in de stad en drie tiendblokken bij Heeswijk. De verschillende kanunnikken beschikten elk over een eigen vicarie met bijbehorende vaste inkomsten. Deze vicarieën waren gesticht en gedoteerd door de burggraaf. Het betrof hier met name landpachten en renten in de omgeving van de stad Montfoort. Daarnaast beschikte het college van meet af aan over alle inkomsten uit de zogenaamde memoriegoederen. Dat was het gezamenlijke vermogen van alle schenkingen aan de kerk ten behoeve van memoriediensten voor de overleden weldoeners, maar zonder dat de betreffende goederen of de bijbehorende godsdienstoefeningen bindend aan een bepaalde kanunnik-vicaris werden toegewezen. Naast de dagelijkse getijden ging het bij de periodieke memoriediensten vooral om gezongen missen, die door de dienstdoende kanunnik werden opgedragen. Aan een memorie was dus geen specifieke prebende of functionaris (beneficiant) verbonden. Het waren in beginsel gemeenschappelijke goederen en de bijbehorende godsdienstoefeningen waren een taak van de gezamenlijke koorheren of capitularen, die ook wel memorieheren werden genoemd. De memoriegoederen werden beheerd door een rentmeester, die periodiek de uitkeringen aan de vicarissen deed. In 1409 kwam het plan tot stand het kerkgebouw uit te breiden en aan te passen voor de koordienst door de kanunniken. 1 De uitvoering van dit plan bleef beperkt tot de uitbouw van het priesterkoor met een ruimte voor het Maria-altaar, zoals blijkt uit het memorieboek. De kerk in haar huidige gedaante dateert van het eind van de vijftiende eeuw. Nadat de kerk zwaar getroffen was door oorlogsschade, verleende paus Innocentius VIII in 1490 aflaten aan de bezoekers van de kerk om daarmee bij te dragen aan het herstel van de kerk. 1 Dekker, 'De Hervorming in Montfoort', p. 23. Voetnoot Ondanks het zingen van de getijden en de gezamenlijke memorieverplichtingen heeft het kapittel van Montfoort zich nooit tot een volwaardige collegiale instelling kunnen ontwikkelen. Het kende niet de symbolische en religieuze onderlinge binding door een eigen patroonheilige, dus moest het kapittel wel terugvallen op de afzonderlijke vicarieheiligen en de patroonheilige van de kerk zelf. Opvallend is voorts het ontbreken van een immuniteit. 1.1.3. Kartuizerklooster Nieuwlicht te Utrecht Aan de oorsprong van het Utrechtse kartuizerklooster stonden heer Zweder van Abcoude en Gaasbeek en Tideman Grauwert, prior van het kartuizerklooster Genadendal bij Brugge. 1 De laatste was afkomstig uit een bekende Utrechtse familie en had in de kartuizerorde snel carrière gemaakt. Kort voordat hij in 1391 werd overgeplaatst naar Utrecht voor de stichting van het klooster Nieuwlicht, was hij behalve prior van Genadendal bij Brugge ook visitator van de Nederduitse ordesprovincie. 2 De oprichting van het Utrechtse kartuizerklooster is al in 1398 beschreven door Hendrik Egher van Kalkar in De ortu ac progressu Ordinis Cartusiensis. 3 Deze Hendrik Egher van Kalkar was prior van Monnikhuizen bij Arnhem en in 1391 als visitator van de ordesprovincie nauw bij de stichting van Nieuwlicht betrokken. Omstreeks 1440 heeft een monnik van Nieuwlicht het stichtingsverhaal nog eens in sterk uitgebreide en gewijzigde vorm herschreven. 4 1 Algemene literatuur: A. van Hulzen, Utrechtse kloosters en gasthuizen (Baarn 1986), 17-22. Over de geschiedenis van dit kartuizerklooster tot 1430 een gedetailleerd overzicht bij: J.P. Gumbert, Die Utrechter Kartaüser und ihre Bücher (Leiden 1974), p. 23-67, alwaar onder meer een prosopografie van alle monniken van het klooster Nieuwlicht tot 1430. 2 H.J.J. Scholtens, 'De priors van het Karthuizer klooster Nieuwlicht bij Utrecht', Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht 53 (1929) p. 302-357, aldaar p. 311. 3 C. le Couteulx, Annales Ordinis Cartusiensis ab anno 1084 ad annum 1429 (Montreuil 1887-1891) dl. 6, p. 447. 4 L. van Hasselt, 'Het necrologium van het Kartuizerklooster Nieuwlicht of Bloemendaal buiten Utrecht', Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht 9 (1886) p. 128-392, aldaar 133 vlg. Voetnoot Naar aanleiding van twee bedevaarten naar Montreuil-sous-Laon, waar toen de zweetdoek van Veronica werd bewaard, schonk Zweder van Abcoude en Gaasbeek in 1391 500 oude Franse schilden uit zijn goederen te Putten en Strijen ten behoeve van de bouw van een kartuize bij de stad Utrecht. 1 Daartoe heeft zijn geestelijke leidsman en vriend Tideman Grauwert, grondlegger en eerste prior van de Utrechtse kartuize, in 1392 samen met zijn medebroeders van de proost van het Utrechtse kapittel van St. Jan het goed Bloemendaal, ten noorden van de stad Utrecht en ten westen van het Oude Diep (Ondiep) bij de Vecht, aangekocht en in erfpacht ontvangen. 2 In 1417 werd dit uitgebreid met de erfpacht van het naastgelegen goed In de Eng, pachtgoed van de stad Utrecht. 3 1 Zie hierna de specificatie van inv.nr. 2, fol. 1 en fol. 2v-3r. 2 Erfpachtakte in: archief St. Jan, inv.nr. 954. 3 Archief St. Jan, inv.nr. 955. Voetnoot Nog in datzelfde stichtingsjaar 1392 legde Zweder van Abcoude en Gaasbeek de vermogensgrondslag van het klooster. Hij schonk de kartuizers gorzen en anderssoortige buitendijkse landen van zijn eigen heerlijkheid Putten en in het westelijk gedeelte van de Hoeksche Waard, die toentertijd de buitendijkse landen vormden van zijn heerlijkheid Strijen. 1 1 H.L.Ph. Leeuwenberg, 'Westmaas, een kartuizer nederzetting in de Hoeksewaard', in: C. Dekker e.a. (red.), De kerk en de Nederlanden (Hilversum 1997) p. 297-313, aldaar p. 297 vlg. Voetnoot In 1392 werd op het goed Bloemendaal de eerste steen gelegd van de kartuize, in 1394 werd het toen gedeeltelijk voltooide gebouw gewijd 1 , in 1396 werd de eerste steen gelegd van de kloosterkerk, een jaar later werd het klooster door het generaal kapittel van de kartuizers in de orde geïncorporeerd 2 , waarna tenslotte in 1407 de kloosterkerk werd voltooid en gewijd. 3 De kartuize Nieuwlicht lag aan de noordzijde van de stadsvrijheid van Utrecht, buiten de Weerdpoort, als geëximeerd gebied in het kerspel van de Utrechtse St. Jacobskerk. De kartuize Nieuwlicht behoorde in de periode 1392-1400 tot de ordesprovincie Provincia Theutoniae, van 1400 tot 1427 tot de Rijnprovincie, sedertdien eerst tot de Provincia Picardiae remotioris en tenslotte weer de Rijnprovincie. Vanuit het klooster Nieuwlicht werd in 1485 het kartuizerklooster Zonnenberg bij Kampen opgericht. 1 J.F.A.N. Weyling, Bijdrage tot de geschiedenis van de wijbisschoppen van Utrecht (Utrecht 1951) p. 179. 2 Scholtens, 'De priors van Nieuwlicht', p. 316. 3 L. van Hasselt, 'Het necrologium van het Karthuizer Klooster Nieuwlicht'. Voetnoot Het klooster heette officieel 'De kartuize van het Nieuwe licht van St. Salvator in Bloemendaal buiten de stad Utrecht', veelal afgekort tot 'Nieuwlicht' of 'De Kartuizers'. In de Utrechtse toponymische traditie van na de Middeleeuwen is het klooster vooral bekend onder de naam 'Chartroise'. In en bij het klooster Nieuwlicht leefden volgens een opgave uit de vijftiende eeuw 1 de navolgende groepen personen: ten eerste waren er natuurlijk de prior en het convent, waartoe behalve de (koor)monniken ook de novicen en de clerici werden gerekend. Vervolgens waren er de zogenaamde reddieten, monniken of lekenbroeders die eenvoudige arbeid voor het klooster verrichten en die met een minder strenge levenswijze kenden. Tot deze groep van arbeidskrachten behoorden ook de conversen (lekenbroeders) en de donati (half-religieuze arbeidscontractanten zonder eigen bezit). Tenslotte waren er nog de proveniers of kostkopers (prebendarii): personen die tegen betaling van een bepaalde som geld kost en inwoning van het klooster genoten. 1 Archief Kartuizerklooster, inv.nr. 24. Voetnoot De prior van Nieuwlicht werd in geheime stemming als overste gekozen door de leden van het convent, of benoemd door de prior-generaal van de Grande Chartreuse bij Grenoble en de overige leden van het generaal kapittel. De prior had uiteraard de algehele leiding over de kartuize en voerde het volledige financiële beheer. Het nemen van besluiten en uitvaardigen van akten van verwerving, verpanding en verpachting van goederen of van rentebrieven was een zaak van prior en convent gezamenlijk. Alleen bij verkoop of ruil van goederen had men toestemming nodig van de hoogste kartuizer instantie: de prior-generaal van de Grande Chartreuse en de overige leden van het generaal ordeskapittel. 1 1 En in zo'n geval bij de aanvrage tot toestemming door de prior-generaal en het generaal kapittel van de orde te Grenoble werden alle kartuizer monniken van het betreffende klooster individueel opgesomd. Daarom weten wij b.v. dat in 1544 Nieuwlicht zo'n twintig monniken telde, die zeker niet van aanzienlijke huize waren en van zó eenvoudige afkomst, dat zij uitsluitend genoemd konden worden naar de plaats van hun herkomst. Vgl. hierna de specificatie van inv.nr. 2, fol. 58r. Voetnoot De prior trad als een van de weinige monniken van de kartuize geregeld buiten het klooster in de openbaarheid en maakte inspectietochten naar de landerijen samen met de procurator. De prior maakte als enige monnik van de kartuize ook herhaaldelijk dienstreizen. Daarbij was hij gebonden aan de algemene richtlijnen van de orde ten aanzien van de grenzen van de bewegingsvrijheid buiten het klooster, de zogenaamde termini of termijnen. Deze termijnen bepaalden ook de grenzen waarbinnen de procurator namens prior en convent mocht opereren. Deze functionaris (een monnik) trad uit hoofde van zijn taken per definitie buiten het klooster in de openbaarheid. De procurator ondersteunde de prior in het goederenbeheer en vertegenwoordigde het klooster bij de aanvaarding van schenkingen of aankoop van landerijen of bij andere rechtshandelingen. Soms beschikte een procurator over een algemene machtigingsakte inzake het beheer en trad hij op als een soort rentmeester namens de prior. Voorts fungeerde in Nieuwlicht een van de monniken als vicaris, in de zestiende eeuw meestal aangeduid als rector. Deze gold als algemene plaatsvervanger van de prior bij diens afwezigheid. Deze had verder geen eigen verantwoordelijkheden. De sacrista had de zorg voor de gemeenschappelijke voorzieningen van de kartuize 1 , namelijk voor de kerk, de altaren, de inventaris, de sacristie, de bibliotheek en het scriptorium. 2 1 Kartuizers woonden zoals bekend elk in afzonderlijke huisjes rond de gemeenschappelijke gebouwen zoals de kloosterkerk. 2 Scholtens, 'De priors van Nieuwlicht', p. 305-306. Voetnoot Binnen de kloostermuren hadden de kartuizers van Nieuwlicht twee essentiële taken. Allereerst was daar de kopieerarbeid van manuscripten in het scriptorium en in samenhang daarmee de opbouw van een bibliotheek. Dat speelde vooral in de periode van 1440 tot 1520. 1 Vervolgens moesten de kartuizers talloze memoriediensten houden, de administratie voeren van een immens aantal legaten en de graven verzorgen van de talloze weldoeners die in de kartuize hun laatste rustplaats voor zich hadden gereserveerd. Magna Galilea en Parva Galilea (Groot en Klein Galilea) heetten de twee algemene kloostervleugels, die beide als een soort knekelhuis waren ingericht. 1 Gumbert, Die Utrechter Kartaüser, p. 39 en de aldaar geciteerde literatuur. Voetnoot Een andere belangrijke activiteit van de kartuizers vormde de ontginning van hun kloostergoederen. Samen met de procurator gaf de prior leiding aan bedijkingen, polderbeheer en akkerbouw door hun pachters en medewerkers op het eiland Putten en in het westen en midden van de Hoeksche Waard, in het bijzonder in de eerste helft van de vijftiende eeuw. Toen dat werk min of meer ten einde liep door grondverkoop of voltooiing van de bedijkingen en ontginningen, kwamen daar in de tweede helft van de vijftiende eeuw voor in de plaats de omvangrijke ontginningen van de toen pas verworven kartuizer gronden in de Stichtse venen onder Renswoude (onder meer te Emminkhuizen) en Rhenen (Veenendaal), en in mindere mate die van hun gronden in de Gelderse venen te Ederveen. Het betrof hier verveningen en ontginningen van uitgestrekte hoogvenen ten behoeve van de turfwinning. In het begin van de Tachtigjarige Oorlog onderkenden de kartuizers meteen al dat hun klooster Nieuwlicht uiterst kwetsbaar lag bij oorlogshandelingen rond de stad Utrecht. Daarom waren er in 1572 nogal wat broeders de stad Utrecht ingevlucht. 1 Tegelijkertijd gelastte het generaal kapittel van de orde uit voorzorg enkele overplaatsingen van Utrechtse kartuizers naar elders. De overige monniken keerden in 1573 terug naar hun klooster Nieuwlicht. 2 De kloostergebouwen van Nieuwlicht hadden intussen veel te lijden van de troebelen. Dat werd nog erger toen in februari 1577 de Spaanse soldaten het kasteel Vredenburg te Utrecht moesten opgeven ten gevolge van de definitieve overgang van de stad naar de opstand tegen koning Filips II en de Spaanse kapitein en zijn soldaten enkele dagen kwartier maakten in Nieuwlicht. 3 Zoiets moest verder voorkomen worden, vonden de Utrechtse leiders van stad en reformatie. Daarom lieten zij het kloostercomplex begin 1579 door eigen manschappen bezetten, uit vrees dat de Spaanse troepen het anders als uitvalsbasis zouden gebruiken bij een aanval op de stad. 4 Omdat de monniken van deze bezetting veel overlast ondervonden, verlieten zij het klooster opnieuw en nu voorgoed. 1 Van Hasselt, 'Het necrologium', p. 362. 2 Scholtens, 'De priors van Nieuwlicht', p. 345. 3 P. Bor, Oorsprongk der Nederlantsche oorlogen dl. 2 (Amsterdam 1621), fol. 218v, kol. 2, 1577 febr. 9. 4 Scholtens, 'De priors van Nieuwlicht', p. 345. Voetnoot Omstreeks 15 januari 1579 vestigden zij zich in de stad Utrecht, waar zij onderdak vonden in het ruime huis van domproost Cornelis van Mierop aan de Kromme Nieuwegracht (thans nr. 66). 1 In 1580 eiste de stadsmagistraat dat de broeders hun klooster voor afbraak zouden verkopen. Toen de monniken dit weigerden, stelde het stadsbestuur bewaarders aan om verkoop en sloop zo gunstig mogelijk voor de stad te regelen. Nog datzelfde jaar werd het klooster voor afbraak door de stad verkocht. Alleen het poortgebouw en de boerderij mochten blijven staan. De materialen moesten gebruikt konden voor de fortificatie van de stad Utrecht 2 , de bouw van de nieuwe Visbrug in de stad (1582) en voor de aankoop van salpeter. Omdat de kopers van de kloostergebouwen aanvankelijk, in ieder geval tot 1585, bij de betaling in gebreke bleven, kon de stad echter pas na verloop van jaren ten volle van deze transactie profiteren. 1 A. Matthaeus, Fundationes et fata ecclesiarum (Leiden 1703), p. 419-427. Verzameling van losse aanwinsten voormalig Gemeentearchief Utrecht, inv.nr. 913, 1582 okt. 26 (oorspronkelijk in het supplement van de bibliotheek van het voormalig Gemeentearchief Utrecht, cat.nr. 2190-11). 2 Matthaeus, Fundationes, p. 428. Voetnoot Na 1580 volgde in een bestek van nog geen dertien jaar een veelheid van opeenvolgende overheidsregelingen en bemoeiingen, aanvankelijk voornamelijk door de stad Utrecht maar weldra uitsluitend door de Staten van Utrecht. Ofschoon niet alle volledig geëffectueerd, leidden al die regelingen er uiteindelijk wel toe dat het convent opgeheven werd, dat de landerijen vervielen aan de Staten van Utrecht, die het bestuur daarover voerden en voor het beheer daarvan in 1593 een eigen rentmeester benoemden. In juni 1580 vatten de Staten van Utrecht het plan op om de laatste monniken op alimentatie te stellen en een deel van de kartuizer goederen en landerijen aan te wenden voor de afbetaling van de Statenschulden 1 en het onderhoud van de armen. 2 Dit alimentatieplan werd in 1583 doorkruist door het advies van het generaal kapittel van de orde aan de monniken om zich te verspreiden en zich daartoe te melden bij de visitator van de kartuizer Rijnprovincie, waaronder het klooster Nieuwlicht toentertijd ressorteerde. Lang niet alle monniken gingen hierop in. Velen van hen, onder wie ook de prior, gaven de voorkeur aan de Statenalimentatie. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 936-1. 'Memorie om te stellen ordre op de geestelicheyt ende haere goeden', 1580, artikel 19. 2 D.G. Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht (Utrecht 1905), p. 284. Voetnoot In 1582 wilden de overgebleven kartuizers het huis van wijlen domproost Cornelis van Mierop aan de Kromme Nieuwegracht, waarin zij op dat moment woonden, kopen. De Commissarissen tot de directie der geestelijke goederen wezen dit af. 1 Het gevolg was dat zij in 1583 voorlopig in hun eigen huis aan de Oudegracht trokken. In 1593 bleken de laatste zes kartuizer monniken inmiddels verhuisd te zijn naar een pand aan de Mariaplaats te Utrecht. 1 Gumbert, Die Utrechter Kartaüser, p. 40. Voetnoot 1.1.4. St. Agnietenklooster te Rhenen Een van de drie takken van de religieuze beweging, die in de veertiende eeuw door Geert Grote vanuit de IJsselstreek werd gepropageerd, werd gevormd door de kloosters van de zusters des Gemenen Levens. Deze beweging, ook wel aangeduid als de Moderne Devotie, kenmerkte zich door een zeer praktisch gerichte vroomheid en boetvaardigheid. Anno 1388 blijken er ook in Rhenen al zusters van het Gemene Leven gevestigd te zijn. 1 In dat jaar namelijk schonken de richter en de magistraat van de stad aan deze zusters het huis en de hofstede waarin zij woonden, vermoedelijk gelegen aan de Torenstraat (Kerkstraat). Ook stelden zij voor de devote vrouwen een ordonnantie op met hun kloosterprivileges en -statuten. 2 1 Algemene literatuur: W. van Iterson, 'Het Rhenense Agnietenconvent en zijn onderaardse gangen', Jaarboekje Oud Utrecht (1952) p. 66-92; Idem, De stad Rhenen (Assen 1960), p. 234-239; A.J. de Jong, 'Achtergrond en ontstaan van het Agnietenconvent te Rhenen', Oud-Rhenen 13 (1988) p. 34-42; Idem, 'Het Agnietenconvent te Rhenen', Oud-Rhenen 10 (1991) p. 1-14; Oud-Rhenen 16 (Jubileumnummer 1907-1997) (1997) hfst. 7, Het Agnietenklooster. 2 Archief St. Agnietenklooster, inv.nr. 31, fol. 132-133. Voetnoot In deze ordonnantie werd ook een aantal bepalingen opgenomen aangaande de rechten en plichten van het zusterhuis ten opzichte van de stad. De zusters genoten vrijstelling van geldelijke bijdragen voor de waak, het graven en onderhouden van de stadsgracht en het betalen van schattingen. Zij vielen onder het stadsgerecht. Zij mochten geen nieuwe kloosterorde of bijzondere levensstaat aannemen, tenzij met toestemming van 'de heilige kerk zelf' (de kerkelijke autoriteiten). Zij moesten onderdanig zijn aan de pastoor en de 'kerspelluiden', en niet de wereld behagen, 'opdat sy den leven Ons Heren Jhesu Christi ende Sinre heiligen tegeliken ende te naere moghen volgen'-de kerngedachte van de Moderne Devotie. Verder moesten zij zelf in hun huis en hofstede de kost verdienen en mochten zij niet bedelen. Alleen in uiterste gevallen, als het voortbestaan van de gemeenschap in het geding dreigde te komen, zou dit worden gedoogd. De wijste en verstandigste zuster zou als 'maerte' de leiding krijgen en het huishoudelijk werk (waaronder het spinnen) onder de zusters verdelen. Uittredende zusters mochten ingebrachte goederen niet terugnemen. Intredende zusters mochten geen lid van een kloosterorde zijn. Er was op dat moment nog geen sprake van aansluiting bij een orde of congregatie. 1 1 Verdacht bij de inquisitie in het laatste decennium van de veertiende eeuw: R.R. Post, The Modern Devotion (Leiden 1968) p. 280, 282-285. Voetnoot De stad noemde de zustergemeenschap een 'geestelick geselschap'. Zij stelde zelf de regels voor het zedelijk leven der zusters en gaf de 'maerte' de bevoegdheid om bij terugkerend wangedrag individuele nonnen uit de gemeenschap te verwijderen. Ingeval van algehele wantoestand kon de stad zelf tot opheffing van het zusterhuis besluiten. Een echt klooster werd het pas toen de zusters zich aansloten bij de orde van penitentie (boetvaardigheid) en bisschop Frederik van Blankenheim in 1410 de nonnen toestemming gaf een eigen kapel te bezitten. 1 Daarmee was het niet langer een stedelijke maar een bisschoppelijke instelling. De stichting van de vicarie in de kapel en de instelling van het daaraan gekoppelde ambt van priester-bewaarder of biechtvader (ook wel rector of pater genoemd) vonden een jaar later plaats. 2 In 1418 werd de vicarie uitgebreid met een kapelanie ten behoeve van een tweede priester. 3 In 1435 wordt deze kapel voor het eerst St. Agnietenkapel genoemd. De naam St. Agnietenklooster duikt in 1440 voor het eerst in de bronnen op. 4 1 Voor de nonnen bij wijze van schenking gebouwd door Willam van Renen, proost van Emmerik, en andere leden van het geslacht van Rhenen, als executeurs-testamentair van Wouter van Rienen, domkanunnik te Utrecht, die daarin ook een vicarie stichtten. Inv.nr. 31, fol. 103v, 1410 mei 15. 2 Archief St. Agnietenklooster, inv.nr. 31, fol. 104r, 1411 sept. 13. 3 Archief St. Agnietenklooster, inv.nr. 31, fol. 104v-105v, 1418 aug.-sept. 4 Archief St. Agnietenklooster, inv.nrs. 25 en 31, fol. 134r. Voetnoot In 1420 werden de rechten en privileges van het convent definitief vastgelegd door de landcommandeur van de Duitse orde te Utrecht. 1 Dit gebeurde op verzoek van de pastoor van de Rhenense St. Cunerakerk, waarvan de Duitse orde het patronaats- en collatierecht bezat en waarvan het pastoorsambt consequent aan een broeder van het Duitse Huis werd toegewezen. Tot die rechten behoorden de wijding van de sacramentskapel en het kloosterkerkhof. Ook de keuze en de taakuitoefening van de biechtvader van het klooster werden hierin geregeld en nauwkeurig afgebakend ten opzichte van de rechten van de pastoor van Rhenen. Voorts werden bepalingen opgenomen over de inkleding, de professie en de eventuele seclusie van de nonnen van dit slotklooster. Opvallend is dat de zusters van het St. Agnietenklooster bij de bevestiging van deze privileges in 1420 nog niet over een eigen conventszegel beschikten. 1 J.J. de Geer tot Oudegein, Archieven der Ridderlijke Duitsche Orde, balie van Utrecht dl. 2 (Utrecht 1871), p. 795-796, nr. 664, 1420 febr. 10. Voetnoot De nonnen waren overwegend afkomstig uit de Rhenense burgerij of uit de welgestelde, soms adellijke families die goederen bezaten in de omgeving van de stad of in de Neder-Betuwe. Zij droegen een wit kleed met zwarte kap en een zwart bovenkleed. 1 Naast godsdienstoefeningen verrichtten zij ook handenarbeid, zoals spinnen, weven of werkzaamheden op hun boerderij. De algehele leiding over het klooster berustte bij de ministerse (ook wel ministra of mater genoemd, of later priorin). Zij werd door de nonnen en de biechtvader gekozen. Aan haar waren de zusters absolute gehoorzaamheid verschuldigd. De biechtvader had de geestelijke leiding en trad op als de officiële gemachtigde van het convent buiten het klooster. 1 Voor dit en het volgende zie ook: A.J. de Jong, 'Het Agnietenconvent te Rhenen'. Voetnoot In kerkelijke documenten heette het klooster heette: 'Mater, rector, procuratrix, et conventus', of: 'Confessor, minister, et sorores ordinis Sancti Francisci de penitentia nuncupate domus sive conventus Sancte Agnetis in R(i)enen'. Vanaf 1410 viel het onder het kapittel van Utrecht van de zusters franciscanessen van de derde orde. Begin zestiende eeuw waren bij dit kapittel tal van kloosters aangesloten met in totaal meer dan vierhonderd nonnen. 1 1 D. van Heel, 'De Tertiarissen van het Utrechtsch Kapittel', Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht 63 (1939), p. 1-382, aldaar p. 193. Voetnoot Vóór 1470 lag het St. Agnietenklooster in de Torenstraat aan de westzijde van het kerkhof, vlakbij de St. Cunerakerk. 1 Nadat het klooster in 1465 een aantal percelen had aangekocht van de stad, de commanderij van de Duitse orde en de familie Van Hemerten, kwam het in 1470 tot uitbreiding, nieuwbouw en gedeeltelijke verplaatsing van het klooster. Dit gebeurde met toestemming van hun kloosterheer, bisschop David van Bourgondië. Het vernieuwde kloostercomplex lag aan de Herestraat en de westelijke hoek van de Torenstraat, met aan de overzijde van de Torenstraat de kloosterboerderij. 2 1 Vgl. W. van Iterson, 'Het Rhenense Agnietenconvent en zijn onderaardse gangen', Jaarboekje Oud Utrecht (1952) p. 66-92, in het bijzonder p. 67. 2 Vgl. archief St. Agnietenklooster, inv.nr. 22, 1470. Voetnoot Vermoedelijk in verband met de plannen voor uitbreiding en nieuwbouw ontving het klooster 1465 verdere vrijstelling van de stedelijke belastingen en de verplichtingen ten aanzien van het onderhoud van de stadsgrachten en de waak bij de stadspoorten. Voorts beloofde de stad de nonnen alle vrijheid ten aanzien van hun bezit van de onderaardse gang van het klooster naar de St. Cunerakerk-een voor Nederland unieke constructie-en van hun graanzolders. 1 In 1483 heeft de magistraat van Rhenen niet alleen de stedelijke kloosterprivileges bevestigd, maar deze ook nog uitgebreid met het recht van een onderaardse doorgang vanaf het klooster onder de Torenstraat door naar hun boerderij en schuren aan de overzijde van de straat. 2 1 Archief St. Agnietenklooster, inv.nr. 31, fol. 134r, 1465 nov. 29. 2 Vgl. archief St. Agnietenklooster, inv.nr. 31, fol. 133v, 1483 juni 12. Voetnoot Daarna leek het erop dat de opbouwfase van het klooster en het goederenbezit was voltooid en dat er een periode van consolidatie zou aanbreken. De rust werd echter wreed verstoord door de Kleefse verovering en de brandschatting van de stad Rhenen in 1499. 1 . Ook het St. Agnietenklooster moet hier zwaar onder geleden hebben. In 1512 moest de kloosterkerk met de beide altaren opnieuw gewijd worden. 2 De verovering van Rhenen door de Geldersen in 1527 3 en de verwoestende gevolgen van de Gelderse oorlogen in de jaren daarna maakten het tenslotte noodzakelijk dat omstreeks 1540 de goederenadministratie van het klooster volledig werd gereorganiseerd. Daartoe werd een nieuw cartularium aangelegd. 4 Nadien werd de regelmaat van het katholieke religieuze leven van de zusters niet meer gestoord, totdat in 1580 ook in Rhenen de hervorming definitief en dwingend opgelegd werd. 1 Vgl. C.A. van Kalveen, Het bestuur van bisschop en Staten in het Nedersticht, Oversticht en Drenthe, 1483-1520. (Groningen 1974), p. 101, 1499 juli 8. 2 Archief St. Agnietenklooster, inv.nr. 21. 3 D. Philips, 'De overrompeling van Rhenen in 1527', Maandblad van Oud Utrecht (1958) p. 16-21, aldaar p. 16 e.v. 4 Archief St. Agnietenklooster, inv.nr. 31. Voetnoot 1.1.5. St. Maria Magdalenaklooster te Wijk bij Duurstede De officiële kerkelijke naam van dit klooster luidde: 'Monasterium Sancte Marie Magdalene in Wijck ordinis Sancti Augustini sub cura et habitu ordinis praedicatorum': het St. Maria Magdalena klooster te Wijk bij Duurstede van de ordesregel van St. Augustinus onder de hoede en de leefregel van de orde van de predikheren (dominicanen). Het ging hier dus om een klooster van zusters dominicanessen, die de constituties van de Tweede orde van St. Dominicus volgden. 1 Als zodanig was het het oudste dominicanessenklooster in de noordelijke Nederlanden. 1 Volledige geschiedenis van het klooster met opgave van alle bronnen en literatuur in: S. P. Wolfs o.p., Middeleeuwse dominicanessenkloosters in Nederland (Assen/Maastricht 1988) p. 94-109. Voetnoot Het initiatief tot de stichting van dit klooster was afkomstig van de Utrechtse wijbisschop, de dominicaan Hubertus Schenck (1382-1408). Door zijn toedoen vestigden zich in 1398 de eerste nonnen in Wijk. In het jaar daarna heeft Willem van Abcoude, heer van Wijk bij Duurstede (� 1407), het klooster opgericht, laten bouwen en rijkelijk begiftigd. 1 Zijn dochter Johanna behoorde tot de eerste nonnen van het klooster. In 1398 was zij als lekenzuster ingetreden, waarna zij in 1402, toen haar man, Jan van Brederode, als lekenbroeder (convers) intrad bij de kartuizers te Diest, officieel werd geprofest en koorzuster werd. 2 1 S.P. Wolfs maakt onderscheid tussen de fasen 'vestiging', successievelijk 'stichting'. Te verkiezen is de fasering van stichting en vestiging (de juridische kant en) 'oprichting/bouw' (de materiële kant). Zie: Wolfs, Studies over Noordnederlandse dominicanen in de middeleeuwen (Assen 1973) p. 3. 2 Zie ook hierna archief St. Maria Magdalenaklooster, inv.nr. 2: 'Janna van Abcoude Willemsdochter is daer in 13 jaeren [1398-1411], was d'eerste nonne te Wijck'. Zij was in 1402 officieel ingetreden en overleed in 1411. Voetnoot De gebruikelijke goedkeuringen van de nieuwe kloosterstichting kwamen in 1399 af van de bisschop van Utrecht en in 1400 van de paus. In 1401 heeft wijbisschop Hubertus Schenck kerk en klooster gewijd en tegelijk het slot 1 ingevoerd. Tezelfdertijd heeft het generaal kapittel van de dominicaner orde het convent als klooster van de Tweede orde erkend. Daarbij werd de provinciale overste van de dominicanen wijbisschop Hubertus Schenck tot vicarius (gubernator, bestuurder) van het klooster aangesteld. Schenck woonde in of bij het klooster en na zijn overlijden in 1408 begroeven de nonnen hem in het westpand van hun kloosterkerk. 2 1 Invoer van de grote clausuur: daarna mochten de monialen het klooster en de kloosterterreinen in principe niet meer verlaten. 2 Zie hierna archief St. Maria Magdalenaklooster, inv.nr. 2: 'MCCCCVIII martii VII obiit venerandus pater Hubertus Schenck, episcopus, ordinis praedicatorum, qui fuit monasterii fundator et primus gubernator' (tekst van diens grafsteen in de kloosterkerk). Voetnoot De generale overste van de dominicanen gaf in 1403 bij zijn visitatie regels voor de clausuur (het slot), die datzelfde jaar nog door de paus bevestigd werden. 1 Het convent mocht maximaal vijftig nonnen tellen. Zij dienden een contemplatief leven te leiden, dit in duidelijke tegenstelling tot het actieve leven van de dominicanen zelf. Het convent bestond uit twee groepen. Veruit de grootste groep vormden de koorzusters, die vooral religieuze taken uitoefenden. Daarnaast was er de over het algemeen veel kleinere groep van de lekenzusters, die overwegend met huishoudelijke taken werden belast. Na verloop van tijd werd het klooster vrijwel uitsluitend nog bevolkt door vrouwen uit adellijke of voorname burgerfamilies. Het convent stond onder leiding van een overste, die de titel priorin voerde. De geestelijke leiding was in handen van een biechtvader, die niet alleen de godsdienstoefeningen in de kloosterkerk verrichtte maar bij gelegenheid ook als procurator, soms zelfs als rentmeester optrad. 1 Wolfs, Middeleeuwse dominicanessenkloosters in Nederland, p. 94-95. Voetnoot Het klooster, het kerkje, het bouwhuis (de boerderij), het brouwhuis en de overige bijgebouwen lagen in carrévorm gegroepeerd op een driehoekig terrein tussen de tegenwoordige Peperstraat, het Kloosterstraatje, de Plantsoensteeg en de gedempte stadsgracht. Dit terrein behoorde tot het stadsdeel Het Oever, dat kort voor de kloosterstichting binnen de stedelijke ommuring was getrokken. Begin negentiende eeuw werd door de rooms-katholieke parochie van Wijk bij Duurstede een groot deel van dit terrein aangekocht van de Rijksdomeinen voor de bouw van een nieuwe parochiekerk en een pastorie. 1 1 Voor de bouwgeschiedenis en verdere geschiedenis van deze panden en percelen zie: F.L. Gaasbeek, 'Het dominicanessenklooster Maria Magdalena', in: M.A. van der Eerden-Vonk e.a. (red.), Wijk bij Duurstede 700 jaar stad (Hilversum 2000) p. 247-270. Voetnoot 1.1.6. Klooster Mariënburg te Soest Het klooster Mariënburg te Soest is tussen 1456 en 1458 door Jacob van Abcoude en Gaasbeek (1400-1459) gesticht 'ad castrum de villa de Zoest', dus op of bij zijn burcht het Huis te Soest. Kort daarop, in 1461, werd het door Hendrik van Zuylen van Nijevelt begiftigd met de bijbehorende acht morgen land. 1 Mariënburg gold van meet af aan als een dubbelklooster en behoorde tot de kloosterorde van St. Brigitta. De kloosterstichting was bedoeld als een teken van boetedoening en verzoening vanwege de doodslag die Jacob van Abcoude gepleegd zou hebben op zijn (enige) zoon. 2 1 Overzicht van de geschiedenis ervan in: Jan H.M. Hilhorst en Jos G.M. Hilhorst, Soest, Hees en de Birkt, Van de achtste tot de zeventiende eeuw (Hilversum 2001) p. 246-256. Zij bewijzen bovendien dat een oudere vermelding van dit klooster in 1393 onjuist is. 2 Doodslag op zijn zoon gepleegd bij het goed Bleyendaal of Bloeyendaal (Kempshoeve), eveneens te Soest. Slichtenhorst, Geldersche geschiedenissen, p. 50, 252, Van Heussen en Van Rijn, Historie van het Utrechtsch Bidsom 1, p. 114, en 11, p. 128. Voetnoot Het klooster lag even terzijde van de lintbebouwing van het dorp Soest, niet ver van de parochiekerk, namelijk aan het begin van de Kleine Melmweg (Eemweg). Eeuwen later resteert hiervan alleen nog de monumentale boerderij Het Klooster (Eemstraat 16). Het klooster bestond oorspronkelijk uit twee vleugels, één voor de mannen en één voor de vrouwen, gescheiden door de aan Maria gewijde kapel. 1 Voorts waren er diverse bedrijfsgebouwen en een kerkhof. De bouw en de inwijding van het klooster moeten hebben plaatsgevonden tussen 1456 en 1460, waarna in 1460 en 1461 de bevestiging volgde door bisschop en de paus. 1 De kloosterkapel was niet georiënteerd. Het priesterkoor lag aan de westzijde van de kerk. Voetnoot Brigittenkloosters worden veelal gerekend tot de vrouwenkloosters, omdat het merendeel van de kloosterlingen nonnen waren en de mannelijke kloosterlingen een minderheid vormden. Zij behoorden tot de zogenaamde 'kleine orden'. Ze waren gering in aantal en daardoor minder bekend dan de kloosters van de meeste andere orden. Binnen het (middeleeuwse) bisdom Utrecht telde men er niet meer dan vier. 1 De officiële naam van de orde van de brigittenkloosters is de St. Salvatorsorde. Deze was omstreeks 1350 door St. Brigitta van Zweden opgericht. De kloosters volgden een variant van de regel van de augustijner regulieren. 1 T. Nyberg, Birgittinische Klostergründungen des Mittelalters (Bibliotheca historica Lundensis 15) (CWK; Gleerup 1965), p. 165 e.v. Voetnoot Het klooster te Soest was een van de kleinere brigittenkloosters. De gemeenschap bestond, zoals gezegd, uit zowel vrouwelijke als mannelijke religieuzen. In 1486 wordt Yde Goyers genoemd als abdis. Zij stond aan het hoofd van het klooster. Herman Pots, een van de paters van de mannendeel, was op dat moment 'confessor-generaal' van het klooster. Als zodanig fungeerde hij als geestelijk leidsman en biechtvader van alle conventualen. 1 Mariënburg kende, in ieder geval vanaf ca. 1500, ook een lekenbroederschap, bestemd voor begunstigers en andere buitenstaanders die via deze broederschap deelden in de gebeden en goede werken van het klooster.. 2 1 In afwijking hiervan noemen Hilhorst en Hilhorst (Soest, Hees en de Birk, p. 250) ca. 1475 Herman Pots, en ca. 1485 Heylwich Oyers. 2 Archief heerlijkheid Kronenburg, inv.nr. 131, p. 224, anno 1518. Voetnoot In 1487 was het klooster vertegenwoordigd op het generaal-kapittel van de brigittenorde in het klooster Gnadental in de Palts. Andere terzake doende feiten uit de kloostergeschiedenis van Mariënburg zijn de plundering van het klooster door de Gelderse benden van Maarten van Rossum in 1543, de keuze door de nonnen en paters van een abdis in strijd met het keizerlijk benoemingsrecht van Karel V in 1546 en tenslotte de opname van de conventualen van het opgeheven Goudse brigittenklooster in 1549. Tot slot zij opgemerkt dat het klooster ook welomschreven rechten op de meentegronden van Soest bezat. 1 Paters van de abdij blijken omstreeks 1525 derhalve bijzonder goed op de hoogte van het grondbezit en de eigendomsverhoudingen te Soest. 2 1 E. Heupers, 'De Soester dorpsbrink', Maandblad van Oud Utrecht (1962), p. 34-37, aldaar p. 35. 2 D.Th. Enklaar, 'Zestiende-eeuwsche wandelingen door Nederland', Bijdragen en Mededelingen Historisch Genootschap 54 (1933), p. 125-172, aldaar p. 139-142. Voetnoot 1.2. Na de reformatie In de Unie van Utrecht van januari 1579 werd overeengekomen dat kloosterlingen, katholiek gebleven of reformatorisch geworden 'hun goederen zouden volgen', dat wil zeggen: hun rechtmatig aandeel in het vruchtgebruik van de kloostergoederen door alimentatie te allen tijde zouden behouden. 1 Een overeenkomst van gelijke strekking werd in de zomer van datzelfde jaar gesloten tussen de Utrechtse stadsmagistraat, de geestelijkheid en de leiders van de gereformeerde religie aldaar. 2 1 Artikelen 14 en 15. Zie P. Bor, Oorsprongk, begin en vervolgh der Nederlandsche oorlogen, dl .2 (Amsterdam 1680), p. 28. 2 Bor, Oorsprongk, p. 71. Voetnoot Op 3 maart 1580 besliste Willem van Oranje, als stadhouder van Utrecht, dat in Utrechtse kloosterkerken geen openbare katholieke godsdienstoefeningen meer mochten worden gehouden. Daarna kreeg de reformatie spoedig de overhand in stad en gewest. Op 25 maart eisten de Staten van Utrecht de openstelling van alle kloosters, opdat de religieuzen onbelemmerd van levensstaat konden veranderen. In juni kondigden de Staten een algeheel verbod af op de uitoefening van de katholieke eredienst in het gewest. 1 Kort daarop volgde een ordonnantie op de orde en de reformatie van de geestelijkheid en de kerkelijke goederen in 1580. 2 1 Archief Financiële instellingen, inv.nr. 2771 (1774 en 1797). 2 D.G. Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde, en het neutrale recht (Utrecht 1905), p. 229 e.v. Voetnoot In 1586 eiste Leicester, op advies van de gereformeerde Nationale Synode, dat de kerkelijke goederen aan hun katholieke bestemming zouden worden onttrokken en bestemd voor de opleiding en traktementen van predikanten, schoolmeesters en kosters. Voor de Staten van Utrecht, die sedert 1580 via hun gedeputeerden toezicht uitoefenden op de geestelijke goederen, was dit aanleiding voor de uitvaardiging van een algemeen 'redressement' op deze goederen. 1 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 356-2, resolutie van 17 oktober 1586. Vgl. H. Verloren van Themaat, Geschiedenis der vicarien in de provincie Utrecht en der geestelijke of gebeneficieerde goederen in het algemeen na de Reformatie (Utrecht 1880), p. 497 e.v., 517 e.v. Afgedrukt bij: Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goederen, p. 332 e.v. Voetnoot Dit regelde scherp en definitief de ontbinding van alle kloostergemeenschappen (separatie) in het gewest Utrecht-alleen de vijf adellijke vrouwenconventen en de begijnenkloosters werden op dit punt ontzien-alsmede de overname door de Staten van Utrecht van het beheer van de kloostergoederen. De goederen van de diverse instellingen moesten in een aantal fondsen bijeen gebracht worden, die elk door een afzonderlijke, door de Staten te benoemen rentmeester zouden worden geadministreerd. Naast een algemeen fonds voor de pastorie- en vicariegoederen, broederschapsgoederen en andere gebeneficieerde goederen in de stad Utrecht en elders in het Sticht, werden er vier aparte fondsen ingericht voor de goederen van de mannenkloosters, de begijnenconventen, de vijf adellijke vrouwenkloosters en ten slotte voor het Duitse Huis en het convent van St. Catharijne te Utrecht. Het was de bedoeling was om alle kloosters hun goederenbeheer en inkomsten te ontnemen en blijvend te vervangen door de al eerder ontworpen alimentatieregelingen en de conventualen van hun kloosters te scheiden. Het toezicht van de Staten op de geestelijke goederen werd in handen gelegd van een nieuw in te richten Directiekamer, bestaande uit een drietal Statengedeputeerden, de algemene rentmeester, een secretaris en een deurwaarder. Bij de behandeling van het redressement van 1586 bleek dat de voorgestelde regeling op bepaalde punten aanpassing behoefde. Zo stelden Utrecht en de andere steden, Amersfoort, Rhenen en Wijk bij Duurstede, dat de administratie van de kloosters in deze steden een zaak van het stadsbestuur ter plaatse diende te zijn � een recht dat Utrecht en Amersfoort ook in de praktijk wisten af te dwingen. Op dezelfde wijze wenste de ridderschap het bestuur aan zich te houden over de adellijke vrouwenkloosters. Als gevolg hiervan werden uiteindelijk niet alle kloosters in het Sticht maar slechts een gedeelte daarvan direct onder bestuur van de Staten gebracht. Daarbij ging het om de abdijen van St. Paulus en Oostbroek, het kartuizerklooster Nieuwlicht en het St. Catharijneconvent, alle gelegen in of bij de stad Utrecht. In een later stadium trokken de Staten ook het bestuur van een drietal vrouwenkloosters aan zich, het Agnietenklooster te Rhenen, het Maria Magdalenaklooster in Wijk bij Duurstede en het klooster Mariënhorst te Soest, alsmede dat van de kapittels van Wijk bij Duurstede en Montfoort. Bij de uitvoering van het redressement, een zaak waarmee de Statengedeputeerden tot directie van de geestelijke goederen waren belast 1 , bleek weldra dat de gedachte van één gemeenschappelijke administratie van alle gebeneficieerde goederen niet haalbaar was. Op grond van het redressement werden weliswaar gezamenlijke fondsen ingericht voor de pastorie- en vicariegoederen en voor de goederen van de abdijen van St. Paulus, Oostbroek en het kartuizerklooster Nieuwlicht, maar reeds na enkele jaren werden deze weer ontbonden. 2 In de loop van de jaren negentig werden voor de meeste kloosters afzonderlijke rentmeesters aangesteld, met een eigen kantoor in het Statengebouw aan het Utrechtse Janskerkhof. Ook de voorgenomen separatie kwam in een aantal gevallen pas van de grond, nadat de oude rooms-katholieke kloostergemeenschappen begin zeventiende eeuw grotendeels waren uitgestorven. Dit geldt met name voor de genoemde vrouwenkloosters in Wijk, Rhenen en Soest. De reformatie van het kapittel van Montfoort kon pas volledig worden geëffectueerd nadat de Staten van Utrecht in 1648 alle rechten met betrekking tot de kerk in handen hadden gekregen. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 935, bijv. artikel 15 van de instructie voor 'die gedeputeerden van den landen van Utrecht die gecommitteert zijn om te besoigneren, ordre te stellen ende toesicht te nemen'. 2 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 356-2: Statenvergadering 1586 okt. 27, fol. 46. Voor de pastorie- en vicariegoederen werd in 1586 Floris van Weede als rentmeester aangesteld, voor de goederen van de mannenkloosters (St. Paulus, Oostbroek en Nieuwlicht) Ansem Ruijsch. Zie: Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goederen, p. 336-337 en 469. Voetnoot Hieronder zal de ontwikkeling van de diverse conventen in de periode na het redressement van 1586 meer in detail worden besproken. 1.2.1. Kapittel van Ter Horst Na de hervorming werden de vier prebenden gerekend tot de gebeneficieerde goederen van de Staten van Utrecht. Een van de prebenden stond ter collatie van de stadhouder. 1 Er zijn dan ook geen rekeningen meer opgemaakt van Ter Horst als zelfstandige instelling. De inkomsten en uitgaven vanwege de prebenden van Ter Horst vormden slechts een paragraafje in de overigens nogal spaarzaam overgeleverde Statenrekeningen van de ontvanger van de gebeneficieerde goederen van de Staten van Utrecht. 2 1 Archief Financiële instellingen, inv.nr. 331, anno 1618, fol. 150v-152v; ibidem, inv.nr. 1569, anno 1740, p. 41. 2 Archief Financiële instellingen, gegevens verspreid in inv.nrs. 1570-1597. Voetnoot In de periode 1634-1638 zijn er tal van goederen door de Staten van Utrecht verkocht ten behoeve van het Statenkantoor der generale middelen. De gelden werden belegd ten gunste van de prebenden. In 1762 werden ook de resterende vijf kapittelgoederen verkocht. 1 De prebenden als zodanig bleven bestaan tot het einde van het Ancien Regime. 2 1 Anno 1674 resteerden er nog slechts vijf kapittelgoederen: archief Stad Utrecht II, inv.nr. 3582, fol. 77-78: rekening van Ter Horst, ca. 1674-1682. 2 Begin achttiende eeuw bestonden er nog twee of drie prebenden, zo blijkt uit een legger in het archief van het St. Catharijneconvent van de johannieters, waarin de kapitaalbedragen worden opgesomd die bij deze prebenden behoorden: archief Balije van Utrecht van de johannieter orde, inv.nr. 126, fol. 57. Voetnoot 1.2.2. Kapittel van Montfoort Uit de lijst van de geestelijke goederen die de Staten van Utrecht in 1586 lieten opstellen 1 , blijkt dat de Staten ook aanspraak maakten op de Montfoortse kapittel- en memoriegoederen. 2 De hierin vermelde inkomsten bestonden uit diverse renten en de pachtopbrengst van ruim 151 morgen land, die eigendom waren van de koorheren gezamenlijk. 3 1 Krachtens het Redressement op de geestelijke goederen door de Staten van Utrecht, 6 september 1586. In het bijzonder blijkt dit uit de considerans en artikel 5 aldaar. Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goederen, p. 324-340, 6 sept. 1586. Op grond hiervan waren de Staten van Utrecht ook eigenaar geworden van de memoriegoederen. 2 Floris van Weede, die in 1586 benoemd was tot rentmeester van de gebeneficieerde goederen van de Staten van Utrecht, kreeg in die hoedanigheid ook te maken met de Montfoortse kapittel-memoriegoederen, waaruit vanouds een deel van het onderhoud van kerk en pastorie werd bekostigd omdat de kerkgoederen ontoereikend waren. Vgl. Verloren van Themaat, 'Geschiedenis der vicariën', p. 346. 3 H.F. van Heussen en H. van Rhijn, Historie ofte Beschrijving van 't Utrechtsche Bisdom II (Leiden 1719), p. 257. Archief Stad Utrecht II, inv.nrs. 3580, fol. 152v-159v, en 3580-bis, fol. 219v-233r: Lijst van 'goederen behoorende aan de choorheren in den kercke tot Montfoort', met de aantekening; 'zij hierop geachtervolcht d' ordonnantie van den Staten'. De goederen bestonden uit huisrenten, hofrenten, en landrenten, en pacht uit goederen of landerijen te Meerlo, Heeswijk, Blokland, Willeskop, Polsbroek, Mastwijk, Achthoven, Cattenbroek, Rapijnen, De Polder, en Lange Linschoten. Zie ook: archief Staten van Utrecht, inv.nr. 938: 'Inventaris van de gheestelijcken goederen', fol. 271-283. Voetnoot Floris van Weede, door de Staten aangesteld als rentmeester der gebeneficieerde goederen, slaagde er echter niet in de aanspraken van de Staten in Montfoort te laten gelden. Vooralsnog moesten de Staten instemmen met wat de katholiek gebleven burggraaf en de magistraat van de stad Montfoort ten aanzien van de eveneens katholiek gebleven koorheren beslisten. Weliswaar moesten benoemingen van nieuwe capitularen voortaan de goedkeuring hebben van de Staten en bleven deze zich ook mengen in het beheer van de memoriegoederen, maar de uiteindelijke zeggenschap over deze goederen bleef vooralsnog in handen van het kapittel van Montfoort zelf. 1 Typerend voor de gang van zaken is de overeenkomst tussen stad en memorieheren uit 1594 betreffende de betaling van de beide gereformeerde schoolmeesters en de koster uit de memoriegoederen. Zij regelden dit in eerste instantie onderling maar moesten vervolgens wel de Staten hierin kennen, door wier ordonnanties de regeling ten uitvoer kon worden gelegd. 2 1 H. Verloren van Themaat, Rapport over de vicarie-goederen in hun verband tot de andere kerkelijke goederen in de provincie Utrecht [z.j.], p. 99 (Bijlage): 'Dese nabescreven goederen syn den pastoer ende gemeyn memorieheren van S. Jan Evangelistekercke tot Montfoort competerende, ten behoeve die bedienende zijn het choor, en worden gedistribueert in presentie- ende memoriegelden', 1594. 2 Verloren van Themaat, Rapport, p. 235, 12 juli 1594; Verloren van Themaat, 'Vicariën', p. 360-361, 12 juli 1594. Voetnoot In 1602 werd een nieuw reglement voor de kapittelvergaderingen opgesteld, dat vooral was toegespitst op het goederenbeheer en waarbij ook de presentie in de vergaderingen werd aangescherpt. 1 Het leek even alsof het kapittel nieuw leven werd ingeblazen. In de daarop volgende decennia zijn de Staten van Utrecht er evenwel toch in geslaagd geleidelijk de administratie en het beheer van de memoriegoederen aan het kapittel te onttrekken. In 1626 hadden de Staten het bestuur over de Montfoortse memoriegoederen al stevig in handen. 2 Maar pas in 1648 werd het pleit definitief in het voordeel van de Staten beslecht. 3 In dat jaar verkocht de door schulden geplaagde Ferdinand-Philips de Merode het door hem geërfde burggraafschap van Montfoort, met alle bijbehorende rechten, voor 225.000 Carolusgulden aan de Staten van Utrecht. Bij de koop inbegrepen waren ook de rechten van de burggraaf ten aanzien van de memoriegoederen en het benoemingsrecht van de predikant en de capitularen-vicarissen. Weldra brachten de Staten nu de nodige wijzigingen aan in het beheer. Na 1648 werden er geen nieuwe kapittelheren meer benoemd; de laatste koorheer overleed kort vóór 1667. 4 1 Zie hierna inv.nr. 138-oud. Het in het vooruitzicht gestelde register van memoriën is echter niet samengesteld. 2 Verloren van Themaat, Rapport, p. 239; Verloren van Themaat, 'Vicariën', p. 365. De administratie over de memoriegoederen is na de reformatie gevoerd door een speciale rentmeester onder leiding en toezicht van statengedeputeerden, de burggraaf (tot 1648) en de stadsmagistraat. 3 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 446: koop in 1648, overdracht aan de Staten in 1649. 4 Verloren van Themaat, Rapport, p. 243-244. In 1660 blijken er nog capitularen in functie te zijn, Verloren van Themaat, 'Vicariën', p. 374. Voetnoot Reeds in 1652 (of kort daarvóór) verkochten de Staten een groot deel van de memoriegoederen, naar verluidt om een deel van de kosten voor de aankoop van de heerlijkheid te kunnen financieren. 1 De resterende deel van het memoriefonds werd onder beheer geplaatst van een door de Staten aangestelde rentmeester. 2 1 Verloren van Themaat, Rapport, p. 234; en Verloren van Themaat, 'Vicariën', p. 372. Deze auteur stelt dat alle landerijen zijn verkocht. 2 Als eerste rentmeester werd aangesteld Dirck van Erckel (na 1648), later opgevolgd door Hendrik van Erckel (ca. 1667): Verloren van Themaat, 'Vicariën', p. 369-370. In 1678 was Johan Both rentmeester: archief Staten van Utrecht, inv.nr. 349-38, fol. 8, 1678. Voetnoot Met het overlijden van de laatste koorheer kwam er een einde aan de lijfrenten die na 1648 nog aan de overgebleven capitularen-vicarissen waren uitgekeerd. Dit was voor Gedeputeerde Staten van Utrecht aanleiding om in 1666 een nieuwe instructie op te stellen voor de rentmeester van de Montfoortse memoriegoederen. 1 Daarin stond dat de Staten, als 'possesseurs' van de memoriegoederen, de diverse gewone en buitengewone lasten uit dit fonds zouden blijven betalen. Tot de eerste categorie werden gerekend de onkosten van de kerkverlichting, het traktement van de predikant en de bezoldiging van de schoolmeesters en koster. Daarnaast waren er de buitengewone lasten, waaronder de uitgaven voor de brooduitdelingen aan de armen van Montfoort en de subsidies voor het onderhoud van het kerkgebouw, de pastorie en het schoolgebouw. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 340-36, fol. 69 e.v., 18 mei 1666. Voetnoot Het kapittel van Montfoort werd aldus gereduceerd tot een Statenkantoor van de Montfoortse memoriegoederen met als voornaamste inkomstenbron de renten uit de diverse landerijen. 1 De inkomsten bleken echter veelal onvoldoende om aan alle verplichtingen te voldoen. De Staten moesten daarom meermalen een suppletieregeling toepassen met behulp van de inkomsten van andere Statenkantoren. Daarnaast bleef het memorieaandeel in het onderhoud van het kerkgebouw, de pastorie en het schoolgebouw een voortdurende bron van onenigheid tussen de Staten van Utrecht, de stad Montfoort en de kerkvoogdij. Hetzelfde gold voor het beheer en het onderhoud van de graven en het kerkhof rond de kerk. 1 Verloren meent, dat er behalve de memoriegoederen ook andere kapittelgoederen zijn geweest. Verloren van Themaat, Rapport, p. 234. Voetnoot Ten aanzien van het beheer van de pastorie kwam er een oplossing. Kort vóór 1763 zijn de Montfoortse pastoriegoederen toegevoegd aan of gecombineerd met de memoriegoederen. De precieze toedracht van deze aanpassing is niet bekend. Wel maakten Gedeputeerde Staten van Utrecht in 1765 in één verenigde rekening van memorie- en pastoriegoederen een nieuwe instructie voor de rentmeester der memoriegoederen. Daarin werden de reparaties aan kerk, toren, pastorie en school voortaan als gewone vaste uitgaven gecontinueerd. Er kwamen bovendien diverse vaste uitgaven bij, zoals die ten behoeve van het Montfoortse Oude Vrouwenhuis. 1 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 349-85, fol. 198 e.v., 1765 mei 17. Voetnoot 1.2.3. Kartuizerklooster Nieuwlicht te Utrecht De kartuizers aanvaardden het redressement van 1586 en de consequenties daarvan niet zonder slag of stoot. In 1587 eisten Gedeputeerden Staten van de prior van de kartuizers een volledige lijst van de inboedel, niet alleen van wat er nog in Utrecht en in het klooster Nieuwlicht stond, maar ook van wat de monniken inmiddels elders in veiligheid hadden gebracht. Waar het om het beheer van de voormalige kloostergoederen ging, kostte het de gedeputeerden tot directie van de geestelijke goederen de nodige moeite om een goed overzicht te krijgen. In hoeverre waren bijvoorbeeld de in de Hoeksche Waard gelegen goederen in pandschap gegeven en werden hieruit nog inkomsten ontvangen? Om de uitvoering van het redressement kracht bij te zetten, dreigden de Staten monniken die al te nadrukkelijk verzet boden hun recht op alimentatie te ontzeggen. In de meeste gevallen, zelfs bij de diverse elders verblijvende monniken, werden de alimentaties echter gewoon doorbetaald. Ook verboden de Staten in 1588 aan prior en conventualen om zelf nog pacht te beuren en eisten zij de volledige opbrengst van de door hen verkochte bomen op het kloosterterrein. 1 Dat alles moesten prior en conventualen meedelen, respectievelijk afdragen aan de algemene rentmeester van de gebeneficieerde goederen. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 936-2, 1588 april 1 en 1588 april 10. Voetnoot In 1593 werden de goederen van het kartuizerklooster door de Staten van Utrecht onder een afzonderlijke rentmeester gesteld. Als eerste Statenontvanger en rentmeester van deze goederen werd benoemd Floris Corneliszone van Beeck. 1 Om de rentmeester zijn werk goed te kunnen laten doen, eisten de Staten dat de overgebleven conventualen het kloosterarchief en de goederenadministratie bij hem zouden inleveren. 1 Instructie voor de rentmeester van de kartuizer goederen, zie: archief Staten van Utrecht, inv.nr. 349-3, fol. 298v-304r, 1593 juli 18. Voetnoot Anno 1593 leefden er in Utrecht nog zes kartuizer monniken. Zij woonden op dat moment in 'splendidis aedibus', in een fraai onderkomen aan de Mariaplaats. Omdat de Staten de opname van nieuwe kloosterlingen hadden verboden, stierf het convent in de jaren daarna geleidelijk uit. Daarmee kwam de alimentatie als vaste uitgavenpost te vervallen en kon de rentmeester een steeds groter deel van de inkomsten aanwenden 'ad pios usus', dat wil zeggen: voor vrome, protestantse doeleinden, zoals de bezoldiging van tal van predikanten en schoolmeesters ten plattenlande en de bestrijding van de onkosten van de classicale en provinciale gereformeerde synodes. 1 Ook verleenden de Staten van Utrecht door middel van hun kartuizer rentmeester aan de stad Utrecht subsidies 'ad pios usus': ten behoeve van het onderhoud van de Hieronymusschool en later ook de opleiding van predikanten en theologen aan de Utrechtse academie. In 1598 bedroeg die subsidie nog ruim 162 gulden per jaar, in de loop van de zeventiende eeuw liep dit op tot ruim 1712 gulden per jaar. 2 Ten slotte gebruikten de Staten van Utrecht het kapitaal van de kartuizer goederen ook voor politieke of militaire doeleinden. In het bijzonder in de eerste helft van de zeventiende eeuw sloten zij tal van leningen af waarbij de rentebetalingen en aflossingen werden gefinancierd door de uitgifte van rentebrieven ten laste van de kartuizer goederen. 3 In diezelfde periode, met name in de jaren 1633-1634, werden verschillende kartuizer landerijen op IJsselmonde en in de Hoeksche Waard door de Staten verkocht. 4 1 Rengers Hora Siccama, 646. 2 Verloren van Themaat, 'Vicariën', p. 143. 3 Formulier voor de uitgifte van losrenten door de Staten van Utrecht ten laste van de kartuizers (1633) in: archief Staten van Utrecht, inv.nr. 356-7, fol. 85v en 87r. 4 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 356-7, fol. 6r (1634) en fol. 34 (1634). Voetnoot Verhuur en verpachting van kartuizer goederen geschiedde door de rentmeester ten overstaan van een Statengedeputeerde. Uitgiften in erfpacht 1 of verkoop van landerijen deden de Staten van Utrecht zelf. In de praktijk trad de rentmeester echter als door de Staten gemachtigde verkoper of pachtheer op. 2 Bij aantreden van een nieuwe rentmeester werden de goederen die de huizen van Amerongen, Oudegein en Nijenrode van oudsher van het klooster in leen hadden, opnieuw door de rentmeester in leen uitgegeven. De bijbehorende leenbrieven werden bewaard in de Finantiekamer van de Staten. 3 Ten aanzien van de wijze van pachtheffing dient nog te worden vermeld dat de middeleeuwse 'toepacht' (het gedeelte van pachtbetaling in natura, een vorm van heffing die in de Utrechtse kloosters alleen bij de kartuizers voorkwam) na 1600 werd vervangen door een geldbedrag. 1 De verzoeken daartoe vindt men geregistreerd in: archief Staten van Utrecht, inv.nr. 356-6. 2 Bijvoorbeeld de openbare verkoop door rentmeester Johan van Beeck van drie huizen van de kartuizers in de stad Utrecht zelf. Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 356-4, fol. 112r, 1607 april 21. 3 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 356-7, fol. ...: 'Cathuysers. Bij aankomen van een rentmeester van de Cartuysers moeten verscheyde leengoederen van dezen convente worden verheft aan de huyzen van Amerongen, Oude Geyn en Nienrode en geschiet zulks op den naam van den rentmeester. De oude leenbrieven leggen in de Finantie-camer'. Voetnoot 1.2.4. St. Agnietenklooster te Rhenen In de Statenordonnantie op de orde en de reformatie van de geestelijkheid en de kerkelijke goederen van 1580 1 hadden de Staten van Utrecht voor het zusterconvent te Rhenen expliciet bepaald dat het aantal conventualen door natuurlijk verloop gereduceerd moest worden en dat er tenslotte een vast aantal prebenden moest overblijven. Deze prebenden moesten in de toekomst gelijkelijk worden verdeeld tussen adellijke jonkvrouwen en ongehuwde burgeressen van Rhenen, onder voorwaarde van belijdenis van de gereformeerde religie. Om de hervorming door te drukken drongen daarop Utrechters de Rhenense kerken binnen en viel ook de St. Agnietenkapel ten prooi aan een beeldenstorm. 2 Aldus kwam het jufferenconvent van Rhenen onder regiem van de Staten van Utrecht. Dat neemt niet weg dat aanvankelijk ook de magistraat van Rhenen zich intensief met de administratie over de kloostergoederen bemoeide. 3 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 356-7, p. 285. 2 G. Brom en L.A. van Langeraad (ed.), Diarium van Arend van Buchell (Werken Historisch Genootschap te Utrecht, 3e serie, nr. 21) (Amsterdam 1907) , aldaar p. 62. 3 Rengers Hora Siccama, p. 334. Voetnoot In 1603 hebben de Staten van Utrecht hun bestuur over het convent nader geregeld en bevestigd. Er kwam een afzonderlijk conventskantoor met een eigen rentmeester, die voortaan de uitgaven uit de kloostergoederen verzorgde. Het was Johan Toll, secretaris van Rhenen, die als eerste rentmeester werd aangesteld. 1 Een deel van de inkomsten werd besteed aan de alimentatiebetalingen aan de laatste, nog levende katholieke kloosterzusters en, in toenemende mate, de nieuw te benoemen protestantse dames. De toekenning van de prebenden aan deze deels adellijke, deels burgerlijke ongehuwde dames uit Rhenen geschiedde bij toerbeurt door de geëligeerden, de ridderschap en de stad Rhenen. Een ander deel van de inkomsten uit de kloostergoederen werd gebruikt voor betalingen aan de stad Rhenen ten behoeve van de kerk en de school van de stad. 2 Een derde portie was bestemd voor de Staten, die jaarlijks van alle geestelijke instellingen, dus ook de kloosters, een vaste financiële bijdrage verlangden. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 349-5, fol. 106v-107r, 1603, maart. 30. 2 Door de Staten aldus samengevat: 'Tott onderhout van de conventualen, armen, ende ad pios usus'. Voetnoot In 1603 werd ook een nieuwe procuratrix aangesteld. Zij fungeerde niet alleen als overste van de nog resterende katholieke zusters maar had ook de leiding over de nieuwe protestantse conventualen. Zij was gekozen door de katholieke en de protestantse conventualen gezamenlijk, onder voorkennis en met toestemming van de Staten van Utrecht. De Staten van Utrecht verleende haar een instructie 'omme de convente well te regeren ende te procureren', inkomsten te innen en de goederen te beheren. 1 Voor Gedeputeerde Staten moest zij onverwijld een goederenlijst opstellen. Voorts hield zij scherp toezicht op de presentie van de conventualen. Ingeval van langdurige absentie buiten de provincie Utrecht konden deze door de Staten met verlies van alimentatie gestraft worden. Ook bij wangedrag konden de Staten ingrijpen. Nalatenschappen van overleden conventualen (ook van de protestantse) vervielen aan de overige conventualen. 2 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 349-5, fol. 104v-106v, 1603 maart 30: Elizabeth van Wijck. 2 Lijsten van benoemingen van conventualen in prebenden, 1604-1657, bij toerbeurt door de Geëligeerden, de ridderschap of de magistraat van Rhenen in: archief Staten van Utrecht, inv.nr. 471. In 1681 telde St. Agnieten nog veertien geprebendeerde conventualen. Voetnoot De procuratrix trad in beheerszaken louter als administratrice op, want iedere bijzondere rechtshandeling waarbij goederen van het klooster in het geding waren (overdracht, renten, verhuur, eventuele processen), moest de procuratrix overlaten aan de rentmeester. Deze handelde dergelijke zaken steeds af ten overstaan van de burgemeesters van Rhenen, maar niet dan nadat de Staten hem daarvoor toestemming hadden gegeven. De rentmeester stelde ook de jaarrekeningen op en wel in drievoud, namelijk voor de procuratrix, voor Gedeputeerde Staten van Utrecht en voor zijn eigen kantoor. In 1617 gaven de rentmeester van het convent, de pander van de Staten van Utrecht en een derde gecommitteerde aan de Staten van Utrecht advies over het beheer en het gebruik van de kloostergebouwen en de kloosterhoeve. Daarbij gaven zij aan dat de kloostergebouwen aangepast moesten worden voor de ontvangst en het verblijf van de stadhouder (Maurits) en andere aanzienlijke figuren, wanneer zij Rhenen bezochten. De boerderij moest echter als graanopslag gehandhaafd worden. 1 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 232-16, 1617 april 17. Voetnoot Tevergeefs heeft Rhenen in 1619 bij de Staten van Utrecht het verzoek ingediend om voortaan zelf het bestuur over de geestelijke goederen in de stad (dus ook die van het St. Agnietenklooster) te mogen voeren, op dezelfde wijze als de stadsmagistraat van Utrecht en van Amersfoort dat voor de stadskloosters aldaar deden. 1 In feite wilde Rhenen vrij kunnen beschikken over alle prebenden en zelf beslissen of de prebendengelden besteed moesten worden voor het onderhoud van de conventualen of voor een bestemming 'ad pios usus'. Juist in 1619 speelde deze kwestie naar aanleiding van een prebendenvacature. De geëligeerden en de ridderschap vonden dat men dit onderwerp moest laten rusten; alleen Utrecht en de kleine steden steunden het verzoek van Rhenen. Wel kreeg Rhenen van de Staten van Utrecht gedaan dat de prebende in kwestie bestemd zou worden ter aanvulling van het traktement van de predikant en de bezoldiging van de organist en de schoolmeester. 2 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 232-17, 1619 aug. 27. 2 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 264-29, 1619 sept. 21. Voetnoot Vijf jaar later heeft de magistraat van Rhenen nogmaals een poging ondernomen om het beheer van de kloostergoederen aan zich te trekken. 1 Nadat Gedeputeerde Staten van Utrecht nog hadden duidelijk gemaakt dat de rentmeester uitsluitend in hun opdracht mocht handelen en allereerst aan hen de rekening zou overleggen, nam de magistraat van Rhenen in januari 1624 het besluit om de rentmeester met onmiddellijke ingang tot stedelijke functionaris te maken. 2 Deze maatregel liep echter op niets uit en toen de Staten van Utrecht de stad Rhenen in april verboden om huizen die op landerijen van het convent stonden, eigenmachtig te verkopen, gaf de magistraat zich definitief gewonnen. 3 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 264-29, 1624 jan. 14. 2 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 264-29, 1624 jan. 29. 3 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 264-29, 1624 april 20. Voetnoot Sedertdien was de status van het St. Agnietenklooster te Rhenen als Statenconvent niet langer omstreden. Zo verkochten de Gedeputeerde Staten van Utrecht in 1629 aan de gevluchte Frederik V van de Palts, de 'winterkoning' van Bohemen en kleinzoon van Willem van Oranje, het kloostergebouw en de kapel, met uitzondering van de boerderij en twee woningen op het kloosterterrein. De drie daar nog verblijvende conventualen en de predikant van Rhenen kregen elders in de stad een passende woning. 1 De winterkoning liet het klooster afbreken voor de aanleg van een open voorhof bij zijn Koningshuis, dat hij als zomerpaleis aan de zuidzijde van het voormalige kloosterterrein liet optrekken ter plaatse van het commandeurshuis, dat hij in 1629 had aangekocht van de Duitse orde. 2 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 264-32, 1629 mei 13, mei 15. 2 Zie in dit verband: S. Groenveld, 'König ohne Staat: Friedrich V. und Elizabeth als Exilierte in Den Haag 1621-1632-1661', in: Der Winterkönig Friedrich V. (Augsburg 2003) p. 162-187. Voetnoot In de eerste helft van de zeventiende eeuw fungeerde een college van gecommitteerden van de Staten ter auditie van de rekeningen van het convent. Nadien, vermoedelijk in 1674, hebben de Staten een college van superintendenten (toezichthouders en dagelijkse bestuurders) ingesteld. Dit college bestond uit drie leden, te weten één lid uit de geëligeerden, één lid uit de ridderschap van Utrecht en één burgemeester of de secretaris van Rhenen. Namens de Staten van Utrecht oefende dit college het bestuur uit over de kloostergoederen. Als zodanig verrichtte het namens de Staten rechtshandelingen ten aanzien van de conventsgoederen en hoorde het de rekeningen van de rentmeester af, welke rekeningen bewaard werden in de secretarie van de Staten van Utrecht. 1 De grootste uitgavenposten in deze rekeningen betroffen de alimentatiebetalingen aan de jufferen, de tweede predikant van Rhenen, de school, de belegde kapitalen, het salaris van de rentmeester en de herstelwerkzaamheden en het onderhoud van eigendommen. 1 Archief Stad Utrecht II, inv.nr. 3584, fol, 166r: rekening van 1679. Voetnoot Het regeringsreglement op het gewest Utrecht van 1674 gaf stadhouder Willem III de beschikking over het recht van de begeving van de veertien prebenden ten behoeve van de conventualen te Rhenen (1675-1702). Tijdens het Tweede Stadhouderloze tijdperk werd de oude toestand hersteld maar toen het regeringsreglement in de periode na 1747 van kracht werd, viel het benoemingsrecht aan stadhouder Willem V, die tevens de bevoegdheid kreeg om de rentmeester aan te stellen. 1 Veel nieuwe conventualen werden er in die periode overigens niet meer benoemd. De uitgaven voor het onderhoud van de eigendommen en landerijen liepen zo hoog op, dat de inkomsten in het laatste kwart van de zeventiende eeuw niet meer toereikend waren. Als gevolg daarvan moest in 1757 een fors gedeelte van de kloostergoederen te Rhenen, in De Mars, te Lienden, Ochten en Dodewaard door de Staten van Utrecht ter veiling werden aangeboden. 2 1 Verloren van Themaat, 'Vicariën', p. 147, 149-150. 2 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 232-105, fol. 57v, 1757 febr. 2. Voetnoot 1.2.5. St. Maria Magdalenaklooster te Wijk bij Duurstede Na de invoering van de reformatie te Wijk bij Duurstede in 1580 werden de kloostergebouwen door de Staten van Utrecht in beslag genomen, maar de katholiek gebleven zusters hoefden hun tehuis niet te verlaten, en werden op alimentatie gesteld. Wel moest het rooms-katholieke karakter van het convent het liefst zo snel mogelijk verdwijnen. Daarom mochten er voortaan geen nieuwe katholieke jufferen meer worden aangenomen. Toch duurde het na 1580 nog ettelijke decennia voordat alle katholieke zusters waren uitgestorven en vervangen door protestantse jufferen. Het convent moest inmiddels wel fors bijdragen aan het onderhoud van de predikant van Wijk en van de protestantse schoolmeester en de koster aldaar. Net als in de andere steden in het Sticht werden ook in dit geval de aanspraken van de Staten van Utrecht op het klooster en de kloostergoederen doorkruist door die van de stad Wijk op de binnen de muren en het rechtsgebied gelegen geestelijke goederen. Daarenboven eiste de ridderschap de begeving van de prebenden, aangezien dit klooster door sommigen tot de adellijke vrouwenkloosters werd gerekend. 1 1 R. Fruin, 'Inleiding op inventaris stadsarchief Wijk bij Duurstede', Verslagen gemeente- en waterschapsarchieven in de provincie Utrecht (1894) p. 19-20. Voetnoot In de Middeleeuwen was het aantal zusters steeds wisselend geweest, afhankelijk van wie zich aandiende. In de praktijk was vooral de beschikbare woonruimte bepalend voor de omvang van het convent. In 1580 echter hadden de Staten van Utrecht het plan opgevat om kloosters als deze, net als vanouds de kapittels, te binden aan een vast aantal prebenden. Drie jaar later leidde dit ertoe dat de Staten van Utrecht bepaalden dat de omvang van het convent van Wijk gereduceerd moest worden tot zestien prebendenplaatsen voor even zovele protestantse ongehuwde dames, van wie acht uit de adel en acht uit de burgerij van Wijk bij Duurstede. Aan elk van de zestien jufferen zou jaarlijks een aanzienlijke toelage als prebende worden uitgekeerd uit dat gedeelte van de vaste conventinkomsten dat niet bestemd was voor een van de eerder genoemde vrome doeleinden. Vanaf 1588 moesten de overgebleven rooms-katholieke zusters hun kloosterkerkje delen met de kameraar van Wijk bij Duurstede, die daar conform het besluit van de stadsmagistraat van Wijk zijn kantoor had ingericht. Wat niet wil zeggen dat het klooster nu opeens een stadsconvent was geworden; vanaf 1580/1583 was en bleef het tot het einde van de Republiek een convent van de Staten. Wel bleef het rooms-katholieke karakter van het klooster, dat nog altijd door een rooms-katholieke priorin werd geleid, tot het einde van de zestiende eeuw sterk op de voorgrond staan. Daaraan kwam een abrupt einde in 1600, toen de magistraat van Wijk de overgebleven rooms-katholieke zusters verbood nog langer binnen de kloostermuren als een katholiek convent te leven. De priorin werd de leiding over het convent ontzegd. Ook mochten priorin en convent zich niet meer met het goederenbeheer bemoeien. Dit was voortaan voorbehouden aan de rentmeester. Het is onduidelijk door wie de eerste rentmeester aangesteld werd. In ieder geval ging de rekening over het jaar 1600 ter verantwoording naar de Staten van Utrecht. In 1601 leefden er nog altijd 22 rooms-katholieke op alimentatie gestelde zusters in de kloostergebouwen. Door dit grote aantal hadden de Staten nog bijna geen protestantse jufferen kunnen benoemen. Maar in 1604 werden de Staten van Utrecht plotseling een handje geholpen bij de protestantisering van het convent: de pest brak uit en slechts vier zusters overleefden de ziekte. Dat verklaart waarom een jaar later een gedeelte van de gebouwen ingeruimd kon worden voor de kazernering van Staatse huurlingen en waarom de Staten van Utrecht in 1611 aan de stadsmagistraat van Wijk bij Duurstede konden toestaan dat de predikant van Wijk voortaan in het klooster zou wonen. Daartoe zou een deel van de gebouwen door de Staten aan hem worden verhuurd. In 1618 verkochten de Staten aan de stad Wijk enkele tot het klooster behorende huisjes die aan het kloosterterrein grensden. Een jaar later verhuurden de Staten het oude refectorium, een van de hoofdgebouwen van het klooster, aan de classis Rhenen en Wijk als werk-, kantoor-, en vergaderruimte. Kort daarop verkochten zij de kloostergebouwen aan de stad en enkele particulieren. Daarmee vallen de verdere lotgevallen van de panden en percelen van het kloosterterrein te Wijk bij Duurstede buiten het bestek van deze inventaris. 1 1 Voor details zie: Gaasbeek, 'Het dominicanessenklooster Maria Magdalena', p. 258 e.v. Voetnoot De verkoopacties door de Staten van Utrecht leidden ertoe dat de twee laatste rooms-katholieke nonnen omstreeks 1620 naar het dominicanessenklooster Mariënweide te Roermond verhuisden. Wat er van de conventsprebenden en de kloostergoederen resteerde, bleef in handen van de Staten, die het beheer in handen gaven van de rentmeester. De begeving van de vacerende prebenden geschiedde sedert 1626 aldus, dat de Geëligeerden, de ridderschap en de stadsmagistraat van Wijk elk over eenderde van de prebenden de beschikking kreeg en bij toerbeurt een juffer in een prebende zouden benoemen. Bij loting zou intern worden vastgesteld wie uit de betreffende stand de begeving mocht doen, dus aan wie de feitelijke benoeming toeviel. Tegelijk werd de hoogte van de alimentatie vastgesteld: elk van de drie Statenleden kreeg 1200 gulden uit de kloostergoederen van Maria Magdalena te besteden ten behoeve van de uit te keren prebenden. 1 Daarmee vormden de alimentatiebetalingen naast de predikantengages veruit de grootste uitgavenpost op de rekening van de rentmeester. 1 Verzameling interne aanvullingen RAU, doos 4, inv.nr. 24: met lotingslijst van de toerbeurt. Voetnoot Tevens werd er een college van superintendenten (toezichthouders) opgericht, bestaande uit drie leden, te weten uit elk lid van de Staten één: één uit de Geëligeerden, één uit de ridderschap en één burgemeester van Wijk bij Duurstede. Namens de Staten van Utrecht vormde dit college het dagelijks bestuur. Het goederenbezit verminderde geleidelijk. Zo besloten de Staten van Utrecht onder meer in 1628, 1651, 1683, en 1727 de superintendenten te machtigen tot de verkoop van uitgestrekte landerijen, onder andere te Amerongen (1651) en Beesd (1683), en van enkele nog resterende kloostergebouwen en andere panden te Wijk (1685), alles vanwege het feit, dat zij te weinig rendabel en te duur in onderhoud waren, 'ende alle het vette van de resterende goederen van den convente verteerde', en derhalve nadelig voor de hoogte van de alimentatie. 1 1 Archief Stad Utrecht II, inv.nrs. 3513, p. 141, en 3515, p. 114: Statenresolutie 1683 oktober 4. Voetnoot Het regeringsreglement op het gewest Utrecht van 1674 gaf aan stadhouder Willem III het recht om voortaan zelf prebenden van het Maria Magdalenaconvent te begeven en de 22 jufferen aldaar te benoemen. 1 Ook de aanstelling van de rentmeester viel in deze periode toe aan de stadhouder. In 1702, bij het begin van het Tweede Stadhouderloze Tijdperk, werd de oude benoemingsprocedure voor de jufferen en de rentmeester hersteld, waarbij het aantal prebenden echter werd teruggebracht tot twaalf. 2 Vanaf 1747 werden de bepalingen van het regeringsreglement weer van kracht, toen ten faveure van respectievelijk stadhouder Willem IV en stadhouder Willem V. 1 Viel onder het stadhouderlijk kantoor der Pieuse zaken en was dus aan het rechtstreekse Statenbeheer onttrokken. 2 Verzameling interne aanvullingen RAU, doos 4, nr. 29: resolutie van de geëligeerden met lijst van jufferen, 1702. Voetnoot 1.2.6. Klooster Mariënburg te Soest Na 1580 kwam het brigittenklooster te Soest met de bijbehorende goederen aanvankelijk onder bestuur en beheer van de stadsmagistraat van Amersfoort, die het klooster in 1586 liet afbreken ten behoeve van de versterking van de stadsmuren. 1 Een van de paters verliet het convent en bediende voortaan als predikant de kerk van Soest. De overige kloosterlingen van het afgebroken Mariënburgklooster woonden nog tot 1589 in de straat De Vijver te Amersfoort. Daarna verhuisden zij naar Utrecht. 2 Door onduidelijkheden in de bestaande regelgeving konden de broeders en zusters van ook dit tot uitsterven gedoemde rooms-katholieke convent nog jarenlang hun oude vertrouwde levenswijze voortzetten, met uitzondering van de gemeenschappelijke godsdienstoefeningen. Ook bleven zij zelfstandig hun goederen beheren en konden zij vrij over de opbrengst ervan beschikken. 3 1 Hilhorst en Hilhorst, Soest, Hees en de Birkt, p. 284-286. 2 Hilhorst en Hilhorst, Soest, Hees en de Birkt, p. 288. 3 De Hullu en Waller Zeper, Catalogus, p. 200. Voetnoot In die situatie kwam pas verandering in 1599, toen de conventualen van Mariënburg de instructie ontvingen dat zij geheel onder toezicht van de Staten van Utrecht kwamen en derhalve ook het beheer van de kloostergoederen moesten overlaten aan de Staten. Deze stelden daartoe nog datzelfde jaar een rentmeester voor Mariënburg aan. Een jaar later werden alle nog levende conventualen definitief op alimentatie gesteld en mochten zij niet langer hun eigen inkomen en huishouden regelen. Voortaan ontving ieder een vaste jaarlijkse lijfprebende van de rentmeester. 1 Op dat moment telde het convent nog vijftien leden: de abdis, twaalf jufferen en twee priesters, onder wie de voormalige biechtvader. 1 Archief Staten van Utrecht inv.nr. 394-4, fol. 240 e.v., 1599 juli 17. De lijst van gealimenteerden op fol. 239. Voetnoot Toen deze laatste rooms-katholieke conventualen begin zeventiende eeuw kwamen te overlijden, hebben de Staten van Utrecht ook de vrijgekomen lijfprebenden van dit convent toegewezen aan ongehuwde, vaak minderjarige jufferen 1 van protestantse huize. Dit gebeurde bij toerbeurt op voordracht van: de Geëligeerde raden, de ridderschap of de vroedschap van Utrecht. Tussen de geprebendeerde jufferen bleef een zeker institutioneel verband bestaan, velen woonden te Utrecht. Ook de rentmeester was gevestigd te Utrecht, namelijk bij de Statenkamer aan het Janskerkhof, waar hij kantoor hield en waar in 1619 ook de eigendomspapieren van de goederen van Mariënburg werden ingeleverd door de laatste rooms-katholieke conventuaal. 1 Bijv. archief Staten van Utrecht, inv.nr. 475-1. Verklaring door Johan de Joncheere, dat hij namens zijn dochtertje Christina de Joncheere de 'collatie van den prebende inden convente van Soest' in bezit (possessie) neemt, waarin de Gedeputeerde Staten van Utrecht het kind benoemd hadden, 1638. Voetnoot Anno 1678 trokken er nog elf jufferen alimentatie uit Mariënburg, waarbij aan de jufferen prebenden van uiteenlopende omvang werden uitgekeerd. 1 De functie van abdis begin zeventiende eeuw verdwenen, maar ook daarna liet degene met de grootste prebende zich toch maar wat graag 'vrouwe' of 'abdis' noemen. Op grond van het regeringsreglement voor het gewest Utrecht van 1674 mocht de stadhouder voortaan de elf conventualen en de rentmeester benoemen. 2 Desondanks werd rentmeester Anton van Rhee in 1688 toch door de Staten en niet door de stadhouder benoemd. Nadat de Staten gedurende het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747) hun benoemingsrecht weer hadden teruggekregen, verviel dit in de periode daarna wederom aan de stadhouder, respectievelijk Willem IV en Willem V. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 480, 1678. 2 Verloren van Themaat, 'Vicariën', p. 147 en 150. Voetnoot De omvang van het goederenbezit bleef in de tijd van de Republiek niet ongewijzigd. In 1628 vond ruil plaats van goederen te Vreeswijk tegen land te Bunschoten 1 en in 1656 maakten de Staten een plan tot grootscheepse verkoop van goederen. In 1774 was het bezit van Mariënburg inmiddels geslonken tot een dertiental rentebrieven ten laste van de Staten van Utrecht, welk aantal in 1797 nog verder was ingekrompen tot negen à tien rentebrieven. 2 1 Archief huis Oudegein, inv.nr. 109 (1628). 2 Archief Financiële instellingen, inv.nr. 2771 (1774 en 1797). Voetnoot 1.3. De opheffing Bij de Bataafse Revolutie van 1795 hief het Comité revolutionair van het Utrechtse volk al op 28 januari van dat jaar het eerste en tweede lid van de Staten van Utrecht, de Geëligeerden en de ridderschap, op. Daarmee kwam tevens een einde aan de Staten als zodanig. 1 Het Comité van Algemeen welzijn namens het nieuwe revolutionaire Provinciaal Bestuur van Utrecht nam het bestuur van alle voormalige kloostergoederen op zich, en eiste van de diverse rentmeesters goederenlijsten. De uitkering van prebenden werd beeïndigd en alle overgebleven jufferen van de Staten- en ridderschapsconventen waren hun inkomen en status in één klap kwijt. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 1076-2, p. 5-6, 8. Voetnoot In de periode van 27 juli 1797 tot en met 19 september 1798 werden vele landerijen, behorende tot de voormalige geestelijke goederen van de Staten, door het Provinciaal Bestuur van Utrecht publiek geveild. 1 De bezitters van pacht-, rente- en huurovereenkomsten moesten deze afkopen. De administratie hiervan en van de overgebleven goederen werd gevoerd door de rentmeester-generaal van de Domeinen. 2 In 1798 besloot het Administratief Bestuur van het voormalige gewest Utrecht tot verkoop van de nog overgebleven goederen. In 1799 tenslotte is dit Utrechtse Domeinkantoor van de landsgoederen een afdeling van het Algemene Lands Domeinenkantoor van de Bataafse Republiek geworden, zijnde de nationale rechtsopvolger van de voormalige soevereine Staten van Utrecht. 3 Aan het voortbestaan van de diverse rentmeesterskantoren werd nu een einde gemaakt en daarmee was de opheffing van de Staten- en ridderschapsconventen definitief. 4 1 Archief Staten van Utrecht inv.nr. 1146, resolutie van het Provinciaal Bestuur van Utrecht, 1797. Over de voorgeschiedenis van de verkoop in 1797, zie het relaas in Verslagen 's-Rijks Oude Archieven 23 (1900), p. 340-341 (Verslag Rijksarchief in Utrecht). Voor bewijsstukken betreffende de verkoop van de goederen van de diverse Staten- en ridderschapsconventen (m.u.v. het kartuizerklooster en het Agnietenklooster): archief Financiële instellingen, inv.nr. 2771. 2 Archief Financiële instellingen, inv.nr. 2771; archief Staten van Utrecht inv.nr. 1076-1, 46-154. 3 Verloren van Themaat, 'Vicariën', p. 195-196; De Hullu en Waller Zeper, Catalogus, p.188. 4 Vgl. De Hullu en Waller Zeper, Catalogus, p. 94. Voetnoot Gedurende enkele jaren werd er een algemeen beheer van de (voormalige geestelijke) goederen gevoerd door de rentmeester generaal van de nationale domeinen te Utrecht, waarbij de administratie werd vermengd met die van de andere landsgoederen. 1 Onduidelijkheid en administratieve chaos waren het gevolg. 2 'Ten einde de administratie der geestelijke goederen op eenen behoorlijken en geregelden voet worde gebragt', besloot in 1802 het Departementaal bestuur van Utrecht dat de enkele nog resterende geestelijke goederen weer separaat door Domeinen dienden te worden geadministreerd. 3 Dat blijkt in de jaren daarna inderdaad te zijn gebeurd. 1 Archief Financiële instellingen, inv.nr. 2768; Verloren van Themaat, 'Vicariën', p. 153. 2 Dat gold ook voor de administratie van de goederen van Mariënburg te Soest, de St. Paulusabdij te Utrecht, de gebeneficieerde goederen (vicarieën, pastoriën ten plattelande), het St. Maria Magdalenaklooster te Wijk, het kartuizer klooster Nieuwlicht en de abdij Oostbroek. 3 Archief Financiële instellingen, inv.nr. 2768: besluit van 4 aug. 1802. Voetnoot Na de Bataafse revolutie van 1795 en de overgang van de soevereiniteit van de Staten van Utrecht naar de nationale overheid in 1798 kwamen ook de Montfoortse memoriegoederen in handen van de rijksoverheid. Het kantoor van de memoriegoederen werd in 1799 overigens als enige Statenkantoor niet samengevoegd met het algemeen rijks domeinfonds maar bleef onder afzonderlijk beheer van het gewestelijk bestuur van Utrecht. De rentmeester van deze goederen bleef derhalve een ambtenaar van de provincie. In 1818 ontving deze een nieuwe instructie van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht. Het opperbestuur van het Memoriefonds bleef echter in handen van het departement van Financiën. Dat het rijk zich niet rechtstreeks met dit fonds bemoeide, was vooral omdat de memoriegoederen van groot belang waren en bleven voor de hervormde gemeente van Montfoort. Nog tot ver in de negentiende eeuw gold het kantoor der memoriegoederen formeel als rijksfonds, maar onder provinciale administratie. Aan deze merkwaardige toestand kwam pas een einde, toen de Montfoortse memoriegoederen in 1894 door de rijksoverheid werden overgedragen en verdeeld tussen de Hervormde gemeente en de burgerlijke gemeente van Montfoort. 1 1 De Hullu en Waller Zeper, Catalogus, p. 30. Voetnoot 1.4. De archieven 1.4.1. Kapittel van Ter Horst Van het archief van het kapittel van Ter Horst, waarvan de eigen administratie reeds bij de reorganisatie van 1534 zal zijn beeïndigd, is slechts een zeer klein gedeelte bewaard gebleven. Veruit het belangrijkste stuk vormt het cartularium, dat afschriften bevat van de voornaamste rechtstitels van de kapittelgoederen uit de periode 1347-1618. Reeds in het midden van de negentiende eeuw wordt dit vermeld als onderdeel van het provinciaal archief (lees: Statenarchief). 1 Daarnaast omvat dit fragmentarisch overgeleverde archief enkele losse stukken over de kapittelorganisatie en het goederenbeheer. Een gedeelte daarvan is ca. 1900 door De Hullu en Muller beschreven bij de inventarisatie van de 'Kapittelen en Kloosters', ter voorbereiding van de eerdergenoemde Catalogus van de archieven van de kleine kapittelen en kloosters uit 1905. 2 1 P.J. Vermeulen, Inventaris van het archief der provincie Utrecht, Boekdeelen en bundels (Utrecht 1875), p. 188, inv.nr. 720. Voor deze inventaris zie: archief Rijksarchief in Utrecht, inv.nrs. 218 en 219, p. 86. 2 J. de Hullu en S. Muller Fz., Inventaris van de Kapittelen en Kloosters (1900), p. 7-9. Zie: archief Rijksarchief in Utrecht, inv.nr. 237. Voetnoot 1.4.2. Kapittel van Montfoort Het archief van het kapittel van Montfoort bestaat in hoofdzaak uit een hybride verzameling stukken betreffende de kanunniken-vicarissen en hun memoriegoederen. Het maakte vanouds deel uit van het corpus van de Statenarchieven. Langs twee wegen is het daarbij gevoegd: deels via het nogal ingewikkelde Statenaandeel in het beheer van de Montfoortse kapittel- en memoriegoederen vanaf 1586, deels ten gevolge van de aankoop in 1648 door de Staten van Utrecht van het burggraafschap Montfoort, met inbegrip van alle burggrafelijke rechten op de memoriegoederen. In 1875 heeft de Utrechtse provinciale archivaris P.J. Vermeulen het kernstuk van dit archief, het Memorieboek, het register met de namen van alle begunstigers der memoriën, beschreven als onderdeel van zijn inventaris van het provinciaal archief. 1 Zijn opvolger, de Utrechtse gemeente- en rijksarchivaris Muller, heeft dit deel vervolgens gesepareerd van de Statenarchieven waarin het vanouds berustte (vermoedelijk in het daaronder ressorterende archief van de heren van Montfoort), en overgebracht naar een afzonderlijke afdeling van de genoemde inventaris betreffende het kapittel van Montfoort. Ook de rekeningen van de rentmeester der memoriegoederen over de periode 1799-1804 werden hierbij gevoegd. 2 1 Vermeulen, Inventaris van het archief der provincie Utrecht, Boekdeelen en bundels (Utrecht 1875) inv.nr. 326. 2 Vermeulen, Inventaris van het archief der provincie Utrecht, Boekdeelen en bundels, inv.nr. 237, p. 61, nr. 94. Voetnoot Daarna heeft Muller in 1884/85 in het supplementdeel van het provinciaal archief 1 de pastorierekening van Montfoort uit 1667 opgenomen en ook de rekeningen van de memoriegoederen over 1763-1797, met de bijlagen uit het begin van de negentiende eeuw. 2 De overige archiefbescheiden van de memoriegoederen heeft Muller in het tweede supplement van het provinciaal archief uit 1892 opgenomen. 3 In 1887 en 1892 had Muller archivalia van de memoriegoederen van de rentmeester der memoriegoederen overgenomen en aangevuld met enkele charters uit het archief van de heren van Montfoort (een rubriek van de Statenarchieven) en dit alles overgebracht naar de nieuwe afdeling betreffende het kapittel van Montfoort. 4 1 S. Muller Fz., Inventaris van het archief der provincie Utrecht, Boekdeelen en bundels, Supplement (Utrecht 1884/85), p. 74, inv.nr. 378. Zie: archief Rijksarchief in Utrecht, inv.nr. 221. 2 S. Muller Fz., Inventaris van het archief der provincie Utrecht, Boekdeelen en bundels, Supplement, inv.nrs. 388-389. Stukken over de periode 1811-1817 zijn toen door S. Muller Fz. overgedragen aan het archief van het provinciaal bestuur, thans: archieven Provinciaal bestuur van Utrecht, inv.nrs. 5487-5495. 3 S. Muller Fz., Inventaris van het archief der provincie Utrecht, Boekdeelen en bundels, 2e supplement (Utrecht 1892), inv.nrs. 387-412. Zie: archief Rijksarchief in Utrecht, inv.nr. 222. 4 S. Muller Fz., Lijst van de in het depôt der Utrechtsche Rijksarchieven aanwezige archieven en verzamelingen, p. 314, onder de rubriek: de kapittelen in de kleine steden, in: Verslagen 's-Rijks Oude Archieven, dl. 15 (1892), p. 314. Voetnoot In 1893 herhaalde Muller nog eens hoe hij als rijksarchivaris stukken van het kapittel van Montfoort had overgenomen van de rentmeester der Montfoortse memoriegoederen en had aangevuld met charters uit het archief van de heren van Montfoort, waarvan de herkomst nogal gecompliceerd lag, omdat een deel van die charters in 1826 door een schenking aan het (Algemeen) Rijksarchief in handen van de rijksoverheid was gekomen. Bij diezelfde gelegenheid stelde hij ook de principiële archivistische achtergrond van al dit geschuif met overheidsarchivalia aan de orde. Hij formuleerde als eerste het volgende, nu vanzelfsprekende beginsel: 'Archieven behooren', zo schreef Muller het apodictisch en puntig op, '(volgens mijne opvatting) bij de instellingen waarvan zij afkomstig zijn. De archieven van die instellingen welke dezelfde gemeenschap vertegenwoordigen, moeten ieder op zichzelve blijven, eene afzonderlijke afdeeling van het depot uitmaken.' 1 1 Zie voor dit alles: Verslagen 's-Rijks Oude Archieven, dl. 16 (1893), p. 221, 227, en 233. Voetnoot Een deel van de in 1892 door Muller beschreven archivalia van het kapittel van Montfoort is daarna toch in het eigenlijke Statenarchief gebleven (onder andere een goederenlijst uit 1594). Een ander deel is wel overgebracht naar het destijds daarvan volledig gesepareerde kapittelarchief. De Montfoortse memoriestukken uit de negentiende eeuw waren al in 1888 afgegeven aan het provinciaal bestuur van Utrecht. 1 Maar nauwelijks had Muller zijn tweede supplement van de inventaris van het 'provinciaal archief gepubliceerd, of in 1893/94 werd door R. Fruin Th. Az. de inventaris van het archief van de heren van Montfoort gepubliceerd. 2 In deze inventaris nam Fruin als appendix B op: 'Het archief van den rentmeester der Memoriegoederen'. 3 Daarmee leek de kwestie van de memoriegoederen en de klassering ervan voorgoed opgelost. Toen echter in 1905 door De Hullu en Waller Zeper de Catalogus van de archieven van de kleine kapittelen en kloosters werd uitgegeven, werd ook daarin het archief van deze memoriegoederen opgenomen, thans onder het hoofd 'Kapittel van St. Jan Evangelist te Montfoort'. 4 De betreffende stukken werden dus weer verwijderd uit het archief van de heren van Montfoort. Maar ook daarmee was de zaak nog niet definitief. 1 Aantekeningen bij: S. Muller Fz., Inventaris van het archief der provincie Utrecht, Boekdeelen en bundels, 2e supplement, p. 60. Zie: archief Rijksarchief in Utrecht, inv.nr. 222. 2 R. Fruin Th. Az., 'De inventaris van het archief der heeren van Montfoort berustende in het Rijksarchief in Utrecht', Verslagen 's-Rijks Oude Archieven 16 (1893), p. 241-326; zelfstandige uitgave: Fruin, De inventaris van het archief der heeren van Montfoort berustende in het Rijksarchief in Utrecht (Den Haag 1894). 3 Fruin, 'Inventaris van het archief der heeren van Montfoort', p. 320-322, c.q. p. 82-84. 4 De Hullu en Waller Zeper, Catalogus, p. 28-33. Voetnoot Toen in 1920 in een nieuwe en bijgewerkte versie van de Catalogus van het archief van de heren van Montfoort verscheen, werd daarin namelijk toch weer een deel van het kapittelarchief opgevoerd. 1 Niettemin bleven alle Montfoortse kapittelstukken gewoon in de archieven van de kleine kapittelen en kloosters geplaatst en zijn ze steeds uitsluitend via de Catalogus van de archieven van de kleine kapittelen en kloosters te raadplegen geweest. 1 R. Fruin Th. Az. en A. le Cosquino de Bussy, Catalogus archief der Heeren van Montfoort (Utrecht 1920), p. 24, sub D: 'Stukken betreffende het bestuur van het kapittel van St. Jan Evangelist van Montfoort'. Voetnoot Tenslotte zij erop gewezen dat er behalve in het kapittelarchief ook in het archief van de stad Montfoort rekeningen van de memoriegoederen berusten. 1 1 C.G.M. Noordam, Inventaris van het archief van de stad Montfoort (1987), p. 52-53. Voetnoot 1.4.3. Kartuizerklooster Nieuwlicht te Utrecht De inboedel van het kartuizerklooster Nieuwlicht heeft tijdens de Opstand en de invoering van de Reformatie nauwelijks van plundering te lijden gehad. De Staten van Utrecht zelf hadden dat uit alle macht verhinderd. In 1587 hebben de Staten ten behoeve van de een jaar eerder door hen aangestelde rentmeester voor de goederen van de mannenkloosters de lopende administratie van de Utrechtse kartuizers in handen gekregen, alsmede onderdelen van de oudere goederenadministratie. Al eerder echter, op zijn laatst in 1580 toen de kartuizers hun klooster definitief hadden moeten verlaten en naar Utrecht of elders waren getrokken, hadden zij twee kisten vol archief binnen de muren van de stad ondergebracht. Een daarvan, gevuld met alle toen nog rechtsgeldige charters en andere akten, werd bij particulieren in de buurt van de Weerdpoort te Utrecht in bewaring gegeven. 1 1 'Ten huyse van Gerrit Peterse, droechscheerder, wonende naast de huysinghe van Jan van Noort, brouwer, bij de Weertpoort'. Zie: J.P. Gumbert, Die Utrechter Kartäuser und ihre Bücher in frühen fünfzehnten Jahrhundert (Leiden 1974), p. 40-41. Voetnoot Later werden deze stukken op aanwijzing van een uitgetreden kartuizer broeder uit Vught bij Den Bosch overgedragen aan de Staten van Utrecht, die er in 1611 een inventaris van lieten maken. 1 De tweede kist, die archiefstukken zonder directe administratieve of gevoelige juridische waarde bevatte, werd door de laatste monniken opgeslagen in hun woning aan de Mariaplaats te Utrecht. Ook van deze stukken lieten de Staten van Utrecht in 1611 een inventaris maken. Het meest essentiële boek uit het hele archief echter, het cartularium of register met alle rechtstitels, bewijsstukken en oude rechten, verhuisde met de monniken die Utrecht verlieten, mee naar de kartuize te Antwerpen. 2 1 Zie archief Kartuizerklooster Nieuwlicht, inv.nr. 5.: 'Inventaris van registers, stucken, ende pampieren gevonden in zekere kiste gehaald ten huize van Gerrit Peterssz., nadat mynen heeren de Staten zulks te kennen gegeven was bij Barthelt van Willsen, gewezen kartuizer binnen 's-Hertogenbosch en geopent den 22. maart 1611'. 2 Archief Kartuizerklooster Nieuwlicht, inv.nr. 2. Voetnoot Inmiddels was de lopende administratie van de kartuizergoederen in 1593 op last van de Staten ondergebracht bij een eigen rentmeester, die de bestaande administratie verder aanvulde en die tevens het beheer voerde over alle kartuizer archivalia die aan de Staten werden overgedragen. Dit archief maakte deel uit van het corpus van de archieven van de Staten van Utrecht. Het archief is zorgvuldiger en vollediger bewaard gebleven dan de archieven van de andere Staten- en ridderschapsconventen. 1 Maar in tegenstelling tot de meeste andere conventsarchieven ontbreekt juist in dit archief de serie rentmeestersrekeningen uit de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw. Het eerder genoemde cartularium, dat destijds werd meegenomen naar Antwerpen, berustte lange tijd als verdwaald stuk in het archief van het Antwerpse kartuizerklooster in het Rijksarchief in Antwerpen. Pas in 1953 kwam het aan het Rijksarchief in Utrecht, waar het weer bij het archief van het Utrechtse kartuizerklooster kon worden gevoegd. 2 1 Hetzelfde geldt voor hun bibliotheek en manuscripten. Zie hiervoor: Gumbert, Die Utrechter Kartäuser (Leiden 1974). 2 Verslagen omtrent 's-Rijks oude archieven 1953, 2e serie, 26 (1954) p. 88. Het cartularium werd verkregen middels een ruil van archivalia met België door bemiddeling van de Algemene Rijksarchivaris. Voetnoot De oorspronkelijke ordening van het archief is nog goed te herkennen. Veel charters van het kartuizerarchief zijn namelijk aan de keerzijde genummerd overeenkomstig de nummering in een van de cartularia (inv.nr. 2). Dat is al gebeurd bij de samenstelling van dit cartularium in de vijftiende of eerste helft van de zestiende eeuw. Tenslotte zij opgemerkt dat de diverse middeleeuwse charters zijn gedateerd naar de zittingsperioden van het generaal kapittel van de kartuizerorde. 1.4.4. St. Agnietenklooster te Rhenen In 1617 is in opdracht van de Staten van Utrecht door de rentmeester van de conventsgoederen, de pander van de Staten van Utrecht en nog een derde persoon (Dirck van Eck) een inventaris gemaakt van het archief en van de roerende goederen van het St. Agnietenklooster te Rhenen. De rentmeester en de conventualen beheerden gezamenlijk de kisten met documenten. Beiden bezaten een sleutel, zodat ook de conventualen te allen tijde toegang tot de stukken behielden. 1 Van de financiële administratie door de rentmeester van het convent zijn slechts drie zeventiende-eeuwse rekeningen en een paar losse achttiende-eeuwse bescheiden bewaard gebleven. In 1757, het jaar waarin de Staten van Utrecht talrijke goederen van het klooster verkochten, eindigt de administratie van het St. Agnietenklooster abrupt. Niettemin lijken er ook daarna nog rekeningen te zijn opgesteld. 2 Bij de opheffing van het rentmeesterskantoor in 1799 zijn de bescheiden van dit kantoor gevoegd bij de overige stukken van het convent die al langer bij de archieven van de Staten werden bewaard. 1 Archief St. Agnietenklooster, inv.nrs. 38-39. 2 Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat over het jaar 1796 nog een rekening is gemaakt. Voetnoot 1.4.5. St. Maria Magdalenaklooster te Wijk bij Duurstede Tijdens de reformatie kwam het archief van het Maria Magdalenaklooster in handen van de stad Wijk bij Duurstede. 1 In 1618 hebben de rentmeester van het klooster, een burgemeester van Wijk en nog een derde beheerder een inventaris van het archief opgesteld. Dat gebeurde in opdracht van de Staten van Utrecht en op aanwijzing van Statensecretaris Anthony van Hilten, die toen ten behoeve van het rentmeesterskantoor het archief overnamen. 2 In de tijd van de Republiek werd het oude kloosterarchief verder uitgebreid met de administratie van de rentmeester. In de loop der tijden, met name in de periode na 1795, zijn veel charters en andere stukken uit het archief verdwenen. Blijkens de inventaris van 1618 dateerden deze stukken merendeels dateerden van vóór 1528. Ook het in deze inventaris genoemde cartularium leek spoorloos, maar is uiteindelijk toch weer opgedoken. Dit kostbare stuk is in 1992 door mr. P.J. van der Mark te Den Haag aan het Rijksarchief in Utrecht geschonken (thans inv.nr. 5). 1 Wolfs, Middeleeuwse dominicanessenkloosters in Nederland, p. 106. 2 Evenals voor de andere Statenkloosters wordt ca. 1677/78 ten aanzien van het Maria Magdalenaklooster gesteld: 'De landerijen daartoe behorende zijn gecarteert, ende de successieve reeckeninge worden bewaert ter secretarije van de Staten'. Archief Stad Utrecht II, inv.nr. 3584, fol. 170 e.v. Voetnoot 1.4.6. Klooster Mariënburg te Soest Het archief van het klooster Mariënburg is zeer fragmentarisch overgeleverd. Van de akten die in 1619 bij de Staten werden ingeleverd, werd door de Utrechtse notaris Henrick van Groenenberch een cartularium opgesteld. De betreffende akten hebben alle betrekking op het goederenbezit van het klooster en dateren uit de periode 1428-1619. Een aantal daarvan is ook in origineel nog in het archief aanwezig. In de zeventiende en achttiende eeuw werd het archief verder uitgebreid met de rentmeestersadministratie. Daarvan is in het huidige archief slechts een gedeelte terug te vinden, waaronder een serie rekeningen uit de tweede helft van de achttiende eeuw. Langs een andere weg is er ook een cartularium met oprichtingsstukken van Mariënburg en een aantal algemene akten betreffende de brigittenorde overgeleverd, samengesteld in 1461 en het laatste kwart van de vijftiende eeuw. Een gedeelte daarvan berust tegenwoordig in het archief van het Aartsbisdom Keulen, een ander gedeelte in de Universiteitsbibliotheek te Utrecht. 1 1 Historisches Archiv des Erzbistums Köln te Keulen, Sankt Aposteln, B7; Universiteitsbibliotheek Utrecht, handschrift 4C15. Zie hierover: A.D.A., Monna, 'Rond een Noordnederlands Birgittencartularium uit de 15e eeuw', Jaarboek Oud Utrecht (1981), p. 165-174; Hilhorst en Hilhorst, Soest, Hees en de Birkt, p. 248 e.v.; Nyberg, Birgittinische Klostergründungen, p. 232. Voetnoot 1.4.7. Overlevering en bewerking De archieven van de Kleine Kapittels en Kloosters hebben vanaf 1795 gedeeld in de lotgevallen van de archieven van de Staten van Utrecht, haar leden en kantoren. Met de bestuurlijke bevoegdheden van de Staten kwam ook deze archieven onder verantwoordelijkheid van de centrale eenheidsstaat, het rijk. De facto bleef het beheer van deze archieven echter berusten bij het departement, c.q. provincie Utrecht. Decennia lang heeft dit beheer sterk te wensen overgelaten. Zo zijn omstreeks 1815 talloze stukken uit deze archieven vernietigd. Ook in de rekeningen van de geestelijke goederen en de rentmeestersadministratie van diverse conventen, in het bijzonder die van de kartuizers en het klooster Mariënburg te Soest, is toen flink huisgehouden. 1 Daarnaast leden deze archieven in het eerste kwart van de negentiende eeuw gevoelige verliezen door vervreemding en veiling van grote hoeveelheden stukken. 2 1 Opmerkingen hierover ook bij: Verloren van Themaat, 'Vicariën', p. 165-166. 2 In het bijzonder de veiling Van Musschenbroek te Leiden in 1826. Hierover: S. Muller Fz., De aankoop der Hollandsche handschriften van Sir Thomas Phillips te Cheltenham, Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde 3e reeks, dl. 5 (1889) p. 104-122; J.H.M. Janssen, Petrus van Musschenbroek en de Utrechtse archieven, Nederland archievenblad 92 (1988), p. 29-59. Voetnoot De kloosterarchieven van de Staten werden door provinciaal archivaris P.J. Vermeulen in 1850 gerekend tot de 'stukken van kerkelijken oorsprong' bij het Statenarchief, door hem meestal Provinciaal Archief genoemd. 1 Vermeulen en na hem ook S. Muller Fz., in de eerste jaren na diens benoeming tot rijksarchivaris in 1879, zagen deze kloosterarchieven niet meer als afzonderlijke archieven maar als onderdeel van het totale Statenarchief. Daarbij hebben zij de stukken uit de diverse archieven verspreid over een aantal hoofdrubrieken als 'Charters', 'Kerkelijke zaken', of 'Boekdelen en bundels' binnen het Provinciaal Archief. De stukken waren alleen nog als verspreide inventarisnummers terug te vinden in de diverse inventarissen van het Provinciaal Archief. 2 1 P.J. Vermeulen, Verslag aangaande de archieven der provincie en der voormalige vijf kapittelen te Utrecht (Utrecht 1850), p. 35. 2 Vermeulen, Inventaris van het archief der provincie Utrecht, Boekdeelen en bundels uit 1875 en de beide vervolgen daarop (supplement en 2e supplement) door S. Muller Fz. uit 1885 en 1892. Zie: archief Rijksarchief in Utrecht, inv.nrs. 218-219, 221-222. Voetnoot Omstreeks 1890 kwam Muller echter tot een geheel andere visie op de ordening en beschrijving van archieven. Op grond van het herkomstbeginsel, dat in 1893 voor het eerst helder door Muller werd geformuleerd (zie hiervóór), heeft hij in de jaren daarna alle archiefstukken van de Statenconventen van het Statenarchief gesepareerd. Tegelijk werden alle bescheiden uit de zogeheten Collectie Phillips, die in 1888 uit Engeland naar Utrecht was teruggekeerd, voor zover afkomstig uit de archieven van de Statenconventen, weer met deze stukken verenigd. Uit hetzelfde jaar 1893 dateert Mullers plan om de kapittelarchieven van de kleine steden van het Nedersticht in één inventaris te beschrijven. Ook alle kloosterarchieven van de Staten van Utrecht werden op zijn aanwijzing globaal per convent geïnventariseerd door J. de Hullu. In 1900 is het manuscript door Muller herzien en de tekst ervan definitief vastgesteld. 1 In 1904 heeft S.A. Waller Zeper een uitgebreide regestenlijst van de charters gemaakt. 2 Tenslotte zijn in 1905 de inventarissen van al deze klooster- en kapittelarchieven in één doorlopend genummerde inventaris in druk verschenen onder de titel Catalogus van de archieven van de kleine kapittelen en kloosters. 3 1 Archief Rijksarchief in Utrecht, inv.nr. 237. 2 Archief Rijksarchief in Utrecht, inv.nr. 236. 3 De Hullu en Waller Zeper, Catalogus. Voetnoot Het globale karakter van de inventarisatie van de 'Kleine Kapittelen en Kloosters' in 1905, de vele, vaak essentiële latere toevoegingen, zoals de cartularia van het kartuizerklooster Nieuwlicht te Utrecht en het Maria Magdalenaklooster te Wijk bij Duurstede, maakten een gedetailleerde herinventarisatie noodzakelijk. Bovendien waren al in 1963 de in de Catalogus beschreven archivalia betreffende het Duitse Huis overgedragen aan de Balije van de Ridderlijke Duitsche Orde te Utrecht. Voorts zijn sedert 1975 de archieven van de meeste kloosters en van het kapittel van St. Jan Baptist te Wijk bij Duurstede te Wijk bij Duurstede geherïnventariseerd en opnieuw in druk uitgegeven (zie bijlage). De voorliggende (verzamel)inventaris bevat de herinventarisatie van de zes resterende klooster- en kapittelarchieven uit de Catalogus van 1905, onder toevoeging van voorliggende inleiding, van bijlagen met specificaties van akten in van de diverse registers en cartularia en van concordanties op de oude Catalogus-nummering. 2. Inventaris 2.1. Organisatie 2.1.1. Abdis 1 Verzoekschrift door de conventualen van het klooster Mariënburg te Utrecht, voorheen te Soest, aan de Staten van Utrecht om Aleit Voncken als abdis het bestuur en beheer van de kloostergoederen te verbieden en dit over te dragen aan de priorin, 1599. Met verzoekschrift van de abdis om haar te continueren in bestuur en beheer van de goederen 1599 2 stukken 1317 Oude Orde 2.1.2. Rentmeester 2 Akte van benoeming door Gedeputeerde Staten van Utrecht van Theodorus Cornelis Zael tot rentmeester van de goederen van het klooster Mariënburg 1723 jan. 22 1 charter 1317 Oude Orde 3 Akte van benoeming door Gedeputeerde Staten van Utrecht van Everhard van Wachendorff tot rentmeester van de goederen van het klooster Mariënburg 1771 febr. 5 1 charter 2.2. Beheer 2.2.1. Algemeen 4 Copyen van de brieven der goederen behorende aan den convent van Marienborch tot Soest, register van de akten betreffende goederen van het klooster Mariënburg over 1428-1619, die in 1619 werden ingeleverd bij de Staten van Utrecht, samengesteld door Henrick van Groenenberch, notaris te Utrecht 1619 1 deel Specificatie in bijlage 1 NB 2.2.2. Amersfoort 5 Akte van machtiging door Evertgen Willemszdochter, abdis, en Augustijn de Rijck, confessor generaal van Mariënburg, tot overdracht aan Haddiman Adriaenssz van Delft, rentmeester van Mariënburg, van alle goederen, huizen en hofsteden, erven en renten te Amersfoort en omgeving, die aan Alidt Peter Braemsdochter, hun mede-conventuaal, bij testament waren vermaakt 1548 dec. 19 1 charter 2.2.3. Cothen 6 Akte van uitgifte in tijns door Roeloff van Wijkersloot, hof- en tijnsmeester van de domproost te Utrecht, aan Otthen en Angnyesen van Broechusen, kinderen van Johan van Broechusen Aerntsz., van 13 morgen land in het Opvelt tussen de Oude Rijn en de Wijkersloot te Cothen 1445 juni 21 1 charter 1323 Oude Orde 7 Akte van kwijting door Agnyese Aerntsdochter van Broechuysen, weduwe van Lodewich de Walen, voor abdis, pater en convent van Mariënburg vanwege de ontvangst van 10 Rijnse gulden voor de helft van 13 morgen land in het Opvelt te Cothen, 1488 nov. 17. Met akte van bevestiging door Otte van Ghiisen, 1492 febr. 21 2 charters (getransfigeerd) 1323 Oude Orde 2.2.4. Jutphaas 8 Akte van overdracht door Evertgen Willemszdochter, abdis, en Dirck Stockert, confessor generaal van Mariënburg, aan Aelbrecht van Egmond van Meerensteyn, landcommandeur van de balije van Utrecht van de Duitse orde, van 9 morgen land tussen de Jutphase wetering en de Wijckersloot te Jutphaas, welk land het klooster Mariënburg in erfpacht terugontvangt, te betalen met de uitgifte door de landcommandeur van de Duitse orde aan het klooster van een losrente van 600 gulden, 1559 april 10, afgelost, 1560 1 charter 2.2.5. Soest 9 Akte van overdracht in eigendom door Peter Boechem, prior, Andreas van Polhem, vicarius, Johannes Wijten, procurator, Rodolphus van des Hertzogenbosch, senior, en het kartuizerklooster St. Beatusberg bij Koblenz aan het klooster van Mariënburg van al de percelen genaamd het Covelentsche land en de Roelofshoeve te Soest en van 3½ Davids gulden uit het vierendeel van de Hogerhorst te Hoogland 1555 1 stuk 1324 Oude Orde 10 Akte van overeenkomst tussen Peter van Boichem, prior van St. Beatusberg bij Koblenz, en de abdis van Mariënburg betreffende de erfpacht van het Covelentsche land te Soest 1555 1 stuk 1324 Oude Orde 11 Akte van levering door Peter van Boichem, prior van St. Beatusberg bij Koblenz, aan de abdis van Mariënburg van de Roelofshoeve te Soest 1555 1 stuk 1324 Oude Orde 12 Akte van uitgifte in huur door Alijdt Voncken, abdis, Dirckgen van Weede, priorin, en Anthonis Jansz Pauw, confessor generaal van de beide conventen van Mariënburg, aan Anthonis Ghijsberts en zijn vrouw Jannitgen van een stuk land van 3 morgen achter het convent tussen de conventskade, het Zusterenbos en de dwarssloot van de Hamersvelder hofstede te Soest, 1573 okt. 17, met aan de keerzijde akte van overdracht door Jannichgen Anthonis Ghijsberts weduwe aan Jonge Jan Rutgertssz De Bruyn, 1586 april 28, een verklaring van goedkeuring door de gedeputeerden tot directie van de geestelijke goederen, 1586, en een akte van schuldbekentenis door Jan Rutgers de Bruijn te Utrecht aan Henrick van Groenenberch, rentmeester van Mariënburg, vanwege een lening van 790 Carolusgulden, 1610 1 charter 13 Ontwerpovereenkomst van de overdracht door Johan Wachtelaar, procureur van het kartuizerklooster St. Beatusberg bij Koblenz, aan Alijdt Voncken, abdis van Mariënburg, van goederen te Soest en Hoogland en van de tenuitvoerlegging van de bijbehorende rentebrief ten gunste van het kartuizerklooster bij Koblenz 1581 1 stuk Betreft: - De Nonnenmaat in de Slaag - De 'Uyterdyck' aan het einde van de Nonnenmaat bij de Eem - De Hornencamp aan de Elsweert - De Middelcamp - De Hornencamp aan de Steeg - De Hornencamp aan de Cromme - De Hornencamp bij Rosenwade - De Poelmaat - De hofstede Hamelenberg c.a. NB 14 Akte van inpandgeving door Alijdt Voncken, abdis, en conventualen van Mariënburg aan Goort Diercxzone te Soest van het goed 'Het Spijckt met het Maatje' ter grootte van 5 dammaten land tussen de Spijckweg en Rijneveldsmaat en van 1 morgen bouwland bij de Nieuweweg op de Eng te Soest vanwege een lening van 900 gulden 1586 jan. 9, afgelost, z.j. 1 charter 1319 Oude Orde 15 Akte van inpandgeving door Alijdt Voncken, abdis, en conventualen van Mariënburg aan Jacob Albertssz van het perceel land 'Die Neerweyde' bij de Spijckweg te Soest vanwege diens betaling aan Anthonis Diercxsz van 200 gulden conventsschuld en aan het convent zelf nog eens 300 gulden, 1586 juni 19, met aan de keerzijde akte van verlenging van de inpandgeving door Alijdt Voncken, abdis, Hillegont Voncken, priorin, Geertruyt Voncken, procuratrix, en Johan Kerckman, senior, ten behoeve van Jacob Albertss, 1592, en akte van schuldbekentenis door Hillegundt Bosch, abdis, Geertruyt Voncken, priorin, Maria Govertsdochter Verspelt, procuratrix, en Bruijnis Jacobssz., senior, voor Jacob Aelbertsz te Soest vanwege een lening van 100 gulden aan Henric van Groenenberch, rentmeester van Mariënburg, 1608 jan. 7, afgelost, 1610 1 charter 1319 Oude Orde 2.2.6. Utrecht 16 Akte van machtiging door Evertgen Willemszdochter, abdis, Augustijn de Rijck, confessor generaal van Mariënburg, en het convent van Mariënburg van Haddeman Adriaenssz van Delft, rentmeester van Mariënburg, tot overdracht aan Jan Gerrytssz die Heylich, bakker te Utrecht, van het huis en de hofstede ten westen daarvan aan het einde van de (Lange) Nieuwstraat bij het Dolhuis te Utrecht 1547 juni 16 1 charter 2.3. Financiën 2.3.1. Rekening en verantwoording Rekeningen van de rentmeester (met hiaten) 1742-1752, 1771-1791 20 delen Uiterlijke vorm 17 1742-1743 1742-1743 1319 Oude Orde 18 1745-1746 1745-1746 1319 Oude Orde 19 1751-1752 1751-1752 1319 Oude Orde 20 1771 1771 1319 Oude Orde Met voorin akte van benoeming door Gedeputeeerde Staten van Utrecht van de rentmeester en akte van onderpandstelling door de rentmeester, 1771 NB 21 1775 1775 1319 Oude Orde 22 1776 1776 1319 Oude Orde 23 1777 1777 1319 Oude Orde 24 1778 1778 1319 Oude Orde 25 1780 1780 1319 Oude Orde 26 1781 1781 1319 Oude Orde 27 1782 1782 1319 Oude Orde 28 1783 1783 1319 Oude Orde 29 1784 1784 1319 Oude Orde 30 1785 1785 1319 Oude Orde 31 1786 1786 1319 Oude Orde 32 1787 1787 1319 Oude Orde 33 1788 1788 1319 Oude Orde 34 1789 1789 1319 Oude Orde 35 1790 1790 1319 Oude Orde 36 1791 1791 1319 Oude Orde Borderellen van de rekeningen van de rentmeester 1751-1752, 1771, 1775-1778, 1780-1791 18 stukken Uiterlijke vorm 37 1751-1752 1751-1752 1319 Oude Orde 38 1771 1771 1319 Oude Orde 39 1775 1775 1319 Oude Orde 40 1776 1776 1319 Oude Orde 41 1777 1777 1319 Oude Orde 42 1778 1778 1319 Oude Orde 43 1780 1780 1319 Oude Orde 44 1781 1781 1319 Oude Orde 45 1782 1782 1319 Oude Orde 46 1783 1783 1319 Oude Orde 47 1784 1784 1319 Oude Orde 48 1785 1785 1319 Oude Orde 49 1786 1786 1319 Oude Orde 50 1787 1787 1319 Oude Orde 51 1788 1788 1319 Oude Orde 52 1789 1789 1319 Oude Orde 53 1790 1790 1319 Oude Orde 54 1791 1791 1319 Oude Orde 55 Kwitantie door Jan Joris voor Hylgondt Bos, abdis van Soest, vanwege betaling van een vat haring ca. 1600 1 stuk 56 Staat van inkomsten, uitgaven en kasgelden over 1779, opgesteld door J. van Brienen, rentmeester van Mariënburg, ten behoeve van de Finantie- en rekenkamer te Utrecht, 1780 1 stuk 2.3.2. Schulden en vorderingen 2.3.2.1. Schulden 57 Akte van schuldbekentenis door Alijdt Voncken, abdis, en convent van Mariënburg te Soest aan Jan Henricksen Vrijch vanwege een lening van 318 gulden, 1589, met akte van schuldbekentenis door Alijdt Voncken, abdis, Hillegondt Voncken, priorin, Geertgen Voncken, procuratrix, en Johan Kerckman, senior, aan Jan Henricksen Vrijch vanwege een lening van 106 gulden, 1590 1 stuk 1319 Oude Orde 2.3.2.2. Rentebetalingen 58 Akte van uitgifte van een erfelijke losrente door Evertgen Willemszdochter, abdis, en Augustijn de Rijck, confessor generaal van Mariënburg, aan Gheerit Luymansz en zijn erfgenamen vanwege ontvangst van een lening van 200 gulden, 1551 okt. 31, afgelost, 1597 1 charter 1319 Oude Orde 59 Akte van uitgifte van een erfelijke losrente door Everarda Willemszdochter, abdis, Augustijn de Rijck, pater en confessor generaal van Mariënburg, Quirijnsdochter, priorin, Alid, procuratrix, Antonis Janss, procurator, Hillegonda van Amstel en Mijnden, senior, Claes Gerritss van Naerden, priester en senior, en het convent van het klooster Mariënburg aan prior en convent van het kartuizerklooster St. Beatusberg bij Koblenz vanwege de in eigendom overgedragen goederen, genaamd het Covelentsche land te Soest en Hoogland, 1555. Afschrift, (18e eeuw) 1 stuk Betreft: - de Nonnenmaat bij de Eem in de Slaag - de Hornencamp aan de Elsweert - de Middelcamp - de Hornencamp bij Rosenwade - de Poelmaat bij de Gelderse dijk, de Haarsedijk, de Lyesveldersteeg en de Nonnenmaat - de hofstede Hamelenberg c.a. - de Roelofshoeve te Soest - een kamp land in de Nieuwe Slaag in het gerecht van Weede en Wethorst bij de Oude Hage Eijck - 3½ Davids gulden per jaar uit het vierendeel van het goed de Hogerhorst in het gerecht van Weede en Wethorst NB 60 Akte van uitgifte door Henrick Gout, als procureur van Aeltgen Voncken, abdis, en Anthonis Jansz Pauw, pater of confessor generaal, en de conventen van de zusters en broeders van Mariënburg aan Cornelis Lijster van een erfelijke losrente vanwege een lening van 100 keizers gulden onder hypotheekstelling van de helft van 2 akkers land bij de Hamersveldseweg te Hamersveld, 1579 jan. 22, afgelost, 1599 1 charter 1320 Oude Orde 61 Akte van uitgifte door Alijdt Voncken, abdis, Hillegont Voncken, priorin, Geertruyt Voncken, procuratrix, Johan Kerckman, senior, en het convent van Mariënburg, Jan van Gerven, rentmeester van Mariënburg, en Anna Voncken, weduwe van Frans Stoffelsz van Camp aan Jacob Jansz van Asch en zijn vrouw Elysabeth van een erfelijke losrente vanwege een lening van 400 Carolusgulden, 1592 okt. 5, afgelost, 1597. Met akte van overdracht door Jacob Janssoon van Asch te Utrecht en zijn vrouw Elysabeth aan Catharijna Roeloffsdochter te Utrecht van deze akte, 1593 juli 13 2 charters (getransfigeerd) 1320 Oude Orde 62 Akte van uitgifte door Alijdt Voncken, abdis, Johan Kerckman, senior, Bruynis Jacobsz medebroeder, Hilleken Voncken, priorin, en Geertgen Voncken, procuratrix van het klooster Mariënburg te Utrecht, voorheen te Soest, van een lijfrente aan Cornelis van Muyden ten behoeve van zijn vrouw Margriet Ghijsberts en hun dochter Anna van Muyden vanwege een lening van 400 Carolusgulden, 1595 nov. 6, afgelost, 1597 1 charter 1320 Oude Orde 63 Kwitantie voor J.C. Storm, rentmeester van Mariënburg, vanwege betaling van een erfrente aan het kartuizerklooster St. Beatusberg bij Koblenz 1787 1 stuk 1320 Oude Orde 2.3.2.3. Alimentatie 64 Lijsten van uitkering van de prebenden aan de leden van het convent 1693 2 stukken 1320 Oude Orde 65 Kwitanties, getekend door conventualen vanwege ontvangst van betaling van hun prebenden als lijfpensioen 1780-1781, 1786 1 omslag 1320 Oude Orde 2.4. Niet nader in te delen stuk 66 Fragment van een akte, uitgevaardigd door Alijdt Voncken, abdis van Mariënburg te Soest, Hillige Voncken, priorin, Johan Kerckman, senior, en Rochus van Hardicxvelt, voogd van het klooster 1595 nov. 12 1 charter 3. Bijlagen 3.1. Catalogus van de archieven van de kleine kapittelen en kloosters (Utrecht 1905) 3.1.1. Kapittels Inv.nrs.: 1-4; Archief: Kapittel van Ter Horst bij Rhenen; Huidige inventaris: Toegangen van HUA 6 (HUA toegang 1006-1) Inv.nrs.: 5-132; Archief: Kapittel van St. Jan Baptist te Wijk bij Duurstede; Huidige inventaris: RAU Inventarissenreeks 19 (HUA toegang 19-1) Inv.nrs.: 133-156; Archief: Kapittel van St. Jan Evangelist te Montfoort; Huidige inventaris: Toegangen van HUA 6 (HUA toegang 1006-2) 3.1.2. Mannenkloosters Inv.nrs.: 157-272; Archief: Balije van Utrecht van de Duitse Orde; Huidige inventaris: P.J.C.G. van Hinsbergen, Inventaris van het Archief van de Ridderlijke Duitsche orde balije van Utrecht, 1200-1811 (1955/1982) p. 246-252 Inv.nrs.: 273-358; Archief: Balije van Utrecht van de johannieterorde; Huidige inventaris: RAU Inventarissenreeks 1 (HUA toegang 1) Inv.nrs.: 359-527; Archief: St. Paulusabdij te Utrecht; Huidige inventaris: RAU Inventarissenreeks 85 (HUA toegang 85-1) Inv.nrs.: 528-569; Archief: St. Laurensabdij te Oostbroek; Huidige inventaris: RAU Inventarissenreeks 85 (HUA toegang 85-2) Inv.nrs.: 570-675; Archief: Kartuizerklooster Nieuwlicht te Utrecht; Huidige inventaris: Toegangen van HUA 6 (HUA toegang 1006-3) 3.1.3. Vrouwenkloosters Inv.nrs.: 676-744; Archief: Klooster Vredendaal te Utrecht; Huidige inventaris: RAU Inventarissenreeks 8 (HUA toegang 8) Inv.nrs.: 745-1066; Archief: St. Stevensabdij te Oudwijk; Huidige inventaris: Toegangen van HUA 5 (HUA toegang 1005-1) Inv.nrs.: 1067-1098; Archief: St. Servaasabdij te Utrecht; Huidige inventaris: Toegangen van HUA 5 (HUA toegang 1005-2) Inv.nrs.: 1099-1128; Archief: Abdij Mariëndaal te Zuilen; Huidige inventaris: Toegangen van HUA 5 (HUA toegang 1005-3) Inv.nrs.: 1129-1200; Archief: Vrouwenklooster te De Bilt; Huidige inventaris: Toegangen van HUA 5 (HUA toegang 1005-4) Inv.nrs.: 1201-1222; Archief: Wittevrouwenklooster te Utrecht; Huidige inventaris: Toegangen van HUA 5 (HUA toegang 1005-5) Inv.nrs.: 1223-1287; Archief: St. Agnietenklooster te Rhenen; Huidige inventaris: Toegangen van HUA 6 (HUA toegang 1006-4) Inv.nrs.: 1288-1315; Archief: St. Maria Magdalenaklooster te Wijk bij Duurstede; Huidige inventaris: Toegangen van HUA 6 (HUA toegang 1006-5) Inv.nrs.: 1316-1324; Archief: Klooster Mariënburg te Soest; Huidige inventaris: Toegangen van HUA 6 (HUA toegang 1006-6) 3.1.4. Specificatie 3.1.4.1. Inv.nr 4, register van de akten betreffende goederen van het klooster Mariënburg over 1428-1619, die in 1619 werden ingeleverd bij de Staten van Utrecht, samengesteld door Henrick van Groenenberch, notaris te Utrecht, 1619[C1] --� Copijen van de brieven der goederen behoorende aen den convente van Mariënborch tot Soest 1619' (voorin) Akte van overeenkomst door Henrick van Zuylen van Nijevelt met het klooster Mariënburg betreffende de overdracht aan het klooster van de 8 morgen land waar het gebouw op staat te Soest, 1461 (1r-v) Akte van overdracht door Jan Ruschs Dircxszone en zijn vrouw Katherijne aan Lambert Gerritszone ten behoeve van Mariënburg van de helft van de 12 morgen land van zijn broer Peter van Hamerfelt gelegen bij die twee steenkampen, het bos en de Nieuweweg te Soest, waarvan de andere helft is overgedragen aan Willem van Blommeweerdt ten behoeve van het St. Barbaraklooster te Amersfoort, 1519 (2r-v) Akte van overdracht door Lambert van Hamersfelt aan het klooster Mariënburg van de helft van 12 morgen land bij de twee steenkampen, het bos en de Nieuweweg te Soest, 1512 (3r-v) Akte van overdracht door Claes Heyn van Neerden aan Roeloff Gout Janszone ten behoeve van Mariënburg van een stuk land bij het Jonckerebossche en de Eem te Soest, 1486 (4r-v) Akte van attestatie door Wilhem Lumanszone te Utrecht, dat de kade bij het land van Peter van Hamersfelt eigendom is van de abdij Mariënburg te Soest, 1561 (5r-v) Akte van attestatie door Gijsbert Meynssoen en Jan de Bruijn Janssoen als boven, 1561 (6r-v) Akte van scheiding door Evertgen Willemszdochter, abdis, en Dirrick Stockert, pater van Mariënburg, met Ghijsbrant Gherbrantssoen en zijn vrouw Geertruyt betreffende een vierendeel goed en land van genoemde Ghijsbrant, respectievelijk van 12 morgen abdijland van Mariënburg bij de Hamersfeltsteeg te Soest, waarvan de scheidingskade aan de abdij Mariënburg toebehoort, 1563 (7r-9v) Uitspraak door het dorpsgerecht van Soest in de zaak van de geburen van Soest tegen het klooster Mariënburg betreffende het gebruik van de meent van Soest, 1541 (9v-10v) Akte van overdracht door Peter van Wijck aan Wouter, prior van het kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht, van een kamp land in de Nieuwe Slaag in het gerecht van Zeldert en Coelhorst bij de Oude Slaagsedijk en het vierendeel van de Hogerhorst, 1433. Met ingelaste akte van machtiging door Jacob van Abcoude en Gaasbeek van Peter van Wijck tot overdracht aan het kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht van een stuk land in de Slaag geheten de Nonnenmaat bij de Eem, de Hornencamp bij de Elsweert, de Middelcamp, de Hornencamp aan de Steeg, de Hornencamp aan de Cromme, de Hornencamp bij Rosenwade, de Poelmaat bij de Zeldertse en Haarsedijk en de Lyesveldersteeg, de voornoemde Nonnenmaat, de hofstede Hamelenberg en de Roelofshoeve, dat alles gelegen te Soest, alsmede een kamp land in de Nieuwe Slaag in het gerecht van Weede en Coelhorst bij de Oude Slaagsedijk, het vierendeel van de Hogerhorst in het gerecht van Weede en Coelhorst, het goed Emminkhuizen te Renswoude en de Ledenbergse tiend te Schalkwijk, 1433 (10v-13v) Akte van gewijzigde bevestiging door het kartuizerklooster St. Beatusberg bij Koblenz van de overdracht aan het klooster Mariënburg van al zijn goederen in het kerspel Soest, waaronder de Roelofshoeve en het vierendeel van de Hogerhorst, 1555 (14r-16r) Akte van overdracht door Johan Wachtelaer te Utrecht namens het kartuizerklooster St. Beatusberg bij Koblenz aan Alijdt Voncken, abdis, en convent van Mariënburg te Soest van het Covelentsche land te weten: de Nonnenmaat in de Slaag bij de Eem, de Uiterdijk aan het einde van de Nonnenmaat bij de Eem, de Hornencamp aan de Elsweert, de Middelcamp, de Hornencamp aan de Steeg, de Hornencamp aan de Cromme, de Hornencamp bij Rosenwade, de Poelmaat bij de Zeldertsedijk, de Haarsedijk en de Lyesveldersteeg, de Nonnenmaat en de hofstede Hamelenberg te Soest, 1581. Met ingelaste akte van procuratie door het kartuizerklooster St. Beatusberg bij Koblenz van Haddeman van Delft, priester, Gijsbert van Baern en Johan Wachtelaer tot overdracht aan het klooster Mariënburg van voornoemde goederen, 1573. Vidimus door het dorpsgerecht van Soest, 1581 (16v-20v) Akte van overdracht door Johan Wachtelaer te Utrecht namens het kartuizerklooster St. Beatusberg bij Koblenz aan Alijdt Voncken, abdis, en convent van Mariënburg te Soest van het Covelentsche land, te weten van een kamp land in de Nieuwe Slaag bij de Oude Slaagsedijk en het vierendeel van de Hogerhorst te Weede en Coelhorst, 1581. Met ingelaste akte van procuratie door het kartuizerklooster St. Beatusberg bij Koblenz van Haddeman van Delft, priester, Gijsbert van Baern en Johan Wachtelaer tot overdracht aan het klooster Mariënburg van voornoemde goederen, 1573, Vidimus door het gerecht van Weede en Coelhorst (21r-25r) Akte van overdracht door Jan Stoep Henricx aan broeder Peter Dircsoen ten behoeve van het klooster Mariënburg van een stuk land bij de Beek tussen de Brink en de Middelsloot te Soest en van een stuk land bij de Middelsloot en de Gracht te Soest, 1475 (25v-26r) Akte van uitgifte in erfpacht door Herman Pots, abdis, en broeder Nicolaes Uutte Elsweert, confessor generaal van Mariënburg, met toestemming van beide conventen aan Jan Stoep Henricxsoen ten behoeve van zijn zoon Rijket van een stuk land bij de Beek tussen de Brink en de Middelsloot te Soest en van een stuk land bij de Middelsloot en de Gracht te Soest, 1475 (26v-27r) Akte van overdracht door Anthonis Henricxssoen, zijn moeder Alidt Henric Tonisz en hun voogd Clais Loichssoen aan broeder Lambert Gerritssoen ten behoeve van het klooster Mariënburg van een erf tussen de Soester Brink en de Middelsloot te Soest, 1520 (27v-28r) Akte van verkoop door Jan van Westrenen Peterszoen en zijn vrouw Margriet Meijns Poijtendochter aan het klooster Mariënburg van een stuk land met hofstede te Soest, 1484 (28v-29r) Akte van overdracht door Gout Flegge Goutszoen en Margriet Mens Peutendochter aan heer Danijel ten behoeve van het klooster Mariënburg, van een kamp land tussen de Brink, de Hoelstege en de Buerwech te Soest, 1506 (29v-30r) Akte van overdracht door jonge Wouter Wouterssoen aan broeder Peter Dircxssoen ten behoeve van het klooster Mariënburg van een stuk land bij de Groeneweg te Soest, 1471 (30v-31r) Akte van overdracht door Jan Gout Janszoen aan broeder Peter Dyericxszoen ten behoeve van het klooster Mariënburg van een stuk eng-land bij de Groeneweg te Soest, 1471 (31v-32r) Akte van verkoop door Henrick Nagel Jacobszoen en Willem Gijsbertszoen, kerkmeesters van Soest, aan het klooster Mariënburg van een schepel eng-land te Soest ten behoeve van de verbouwing van de kerk van Soest, 1472 (32r-v) Akte van overdracht door Engbert Geerloffszoen en zijn vrouw Russel aan broeder Lambert Gerritszoen ten behoeve van het klooster Mariënburg van een stuk eng-land bij de Turfweg en de Horensberrich te Soest, 1523 (33r-v) Akte van ontvangst in erfpacht door Egbert die Beer van het kartuizerklooster St. Beatusberg bij Koblenz van het vierendeel van de Hogerhorst te Zeldert en Coelhorst, 1500 (34r-35r) Akte van overdracht door Willem Dircxzone van Mondtwijck aan Roeloff Gout Janszoen ten behoeve van het klooster Mariënburg van vier stukken eng-land te Soest, 1486 (35r-36r) Akte van attestatie door Claes van Oostrum en Willem van Oostrum van de in bezitstelling van het klooster Mariënburg van het land te Vuylcop overeenkomstig de laatste wil van hun vader Dirck van Oostrum, 1510 (36r-37v) Akte van ontvangst door Ide de Goyer, abdis, en Jan van Tienen, confessor generaal van Mariënburg, met toestemming van beide conventen van het brigittenklooster te Soest van het land van wijlen Dirck van Oostrum te Vuylcop, 1510 (38r-v) Akte van ontvangst in erfpacht door de abdij Oostbroek van Lijsbeth Jansdochter, abdis, Augustijn Arijaensz de Rijck, confessor generaal, en het convent van Mariënburg te Soest van 3 morgen en 1 hond land in Vuylcop te Schonauwen, 1541 (39r-40v) Akte van schenking door Willem van Oostrum aan het klooster Mariënburg van een vierendeel land tussen de Goyerwetering en de Schalkwijkerwetering in Vuylcop te Schonauwen, 1520 (41r-v) Akte van belofte door Joost van Boeler, zijn vrouw Agniet, Peter van Boeler en overige erfgenamen van Aelbert van Rijn om diens nagelaten goederen aan het klooster Mariënburg niet te betwisten of schade toe te brengen, 1514 (41v-43v) Akte van overdracht door Joost van Boeler, zijn vrouw Agniet, Peter van Boeler en zijn vrouw Mechtelt, en Fij van Zuylen aan Lambert Gerritszone, procurator, ten behoeve van het klooster Mariënburg van een halve hoeve land tussen de Geinwetering en de Wierssedijk te Vreeswijk, 1513 (44r-45v) Akte van verkoop door Steven Schaeij, Fijgen, weduwe van Willem Schaey, en Jacobgen, dochter van Willem Schaey aan het klooster Mariënburg van het zevende deel van 4 morgen land te Vreeswijk, 1524 (46r-47r) Akte van uitgifte in erftijns door Jacob van Abcoude en Gaasbeek aan Jacob de Roode van een hofstadt van een morgen land met een huis en een moestuin bij de weg en van een hofstede met een huis en 3 morgen land bij de weg en de kapel te Driebergen, 1456 (47r-48r) Akte van overdracht door Jacob de Roode aan Gerrit de Roode Gerritszone van voornoemde akte van erftijns, 1476 (48r-49r) Akte van belofte door het brigittenklooster te Utrecht aan het brigittenklooster te Soest om geen aanspraak te zullen maken op de goederen die door Gerrit de Roij en zijn vrouw Lijsbeth aan het klooster te Soest zijn nagelaten, 1508 (49v) Akte van overdracht door Lijsbeth, weduwe van Gerrit de Roij, aan het klooster Mariënburg van de goederen vermeld in de hiernavolgende akte, 1508 (50) Akte van legaatstelling door Gerrit de Roy en zijn vrouw Lysbet aan het klooster Mariënburg van 3 morgen land met een hofstede en een moestuin en van 1 morgen land met hofstede en hof bij de weg te Driebergen, 1507 (51r-52v) Akte van bevestiging door bisschop George van Egmond van de afstand door het brigittenconvent te Gouda van hun klooster aan de regulieren van het verbrande klooster Stein bij Gouda en hun overgang naar het brigittenklooster te Soest onder toewijzing van een rentebrief, 1551, met ingelaste akte van uitgifte van een erfrente door het regulierenklooster Stein aan het klooster Mariënburg te Soest, gevestigd op 30 morgen land bij de Oude stege, de Hollandse IJssel, de Molenkade en de Reeweg in het Land van Stein, 1551 (53r-56v) Akte van koop door Gerard Franszoen Kegeling van de Staten van Holland en de vierschaar van Gouda van 6 vierendeel land bij de Boezem, de Monnikensteeg, de Vliet, de Brouwerij, de Hollandse IJssel, de Reewal en het Oude Kerkhof, met het huis de Keucken, gelegen in het Land van Stein, en met een erfrente te zijnen laste en ten behoeve van Gerrit Corneliszoen de Lange, Statengedeputeerde van Holland, 1595 (56v-58v) Akte van overdracht door Gerrit Corneliszoen de Lange, ontvanger van het brigittenconvent te Gouda namens de Staten van Holland, aan abdis en convent van Mariënburg van de voornoemde erfrente ten laste van Gerard Franszoen Kegeling, 1597 (58v-60r) Akte van overdracht door Aelbert Reyerszoen aan Rutger de Beer Jacobszoen, ten behoeve van het klooster Mariënburg, van een maat land bij de Hooiweg te Soest, 1491 (60) Akte van overdracht door Franck van Witehorst aan Aelberts van den Rijn van één hoeve land te Lakerveld in het Land van Vianen, 1457 (61r) Akte waarbij Aelbert van den Rijn en Alijdt Corsten die Bruinendochter aan Reinald van Brederode verzoeken om overdracht aan Peter Dircxzoon ten behoeve van het klooster Mariënburg van 1 hoeve land te Lakerveld in het Land van Vianen, 1468 (61r-62r) Akte van machtiging door Reinald van Brederode van Gerrit van Zweeten tot overdracht aan Peter Dircxszoen ten behoeve van het klooster Mariënburg van één hoeve land te Lakerveld in het Land van Vianen, 1468 (62v) Akte van machtiging door Walraven van Brederode van Henrick de Wilde Henrickszoon tot hernieuwde overdracht aan het klooster Mariënburg van 1 hoeve land te Lakerveld, 1500 (63r-v) Akte van gerechtelijke beslaglegging door Jan van Tienen, pater van het klooster Mariënburg, op een hoeve land te Lakerveld, 1498 (64r) Akte van overdracht door Henrick de Wildt Henrickszoon namens Walraven van Brederode aan Adriaen Utengoye, priester, en Jan Wouterszoon, broeder van het klooster Mariënburg, van een hoeve land te Lakerveld, 1500 (64v-65r) Akte van overdracht door Roeloff Gout Janszoon aan het klooster Mariënburg van zijn woonhuis en hofstede te Soest en van de 5 morgen land de Blaeck bij de Brink en de gemeente te Soest, 1516 (65v-66r) Akte van overdracht door Alijdt Roeloff Goutsdochter aan broeder Lambert ten behoeve van het klooster Mariënburg van het land in de Blaeck te Soest. 1517 (66r-v) Akte van overdracht door Frederick de Voecht van Rijnevelt aan Peter Dircxzoon ten behoeve van het klooster Mariënburg van 2 dammaat hooimaat land te Soest, 1468 (67r-v) Vonnis van het Hof van Utrecht in de zaak van het klooster in de Birkt bij Amersfoort, eiser, tegen het klooster Mariënburg, gedaagde, over het eigendomsrecht van de Trindemaat bij de Wetering of Birchsewech te Soest, 1539 (68r-v) Verklaring voor het Hof van Utrecht afgelegd door Huych van Cothen namens Cornelis van Moerkercken, dat deze geen landerijen van het klooster Mariënburg verkoopt, 1565 (69r-v) Akte van verkoop door Roeloff Gout Janszoon aan het klooster Mariënburg van 5 schepel land in de Soester Eng bij de Baernweg te Soest, 1502 (70) Akte van uitgifte in erftijns door de abt van St. Paulus te Utrecht aan Lambert Gerritszoon, procurator van het klooster Mariënburg, van de kamp land Leeuwencamp (vroeger: Werrincxscamp) bij de Brink, de Hoelstege en het Gaasbeekse Bos te Soest, 1534 (70-72r) Akte van uitgifte in erftijns door de abt van St. Paulus te Utrecht aan Haddeman van Delft, rentmeester van het brigittenklooster, van een hofstede bij de Wedehof van de pastorie van Soest, 1548 (72v-73v) Akte van uitgifte in erftijns door de abt van St. Paulus te Utrecht aan Haddeman Adriaenszoon van Delft van een stuk land De Blaeck bij de Brink en de gemeente te Soest, 1569 (74r-75r) Akte van overdracht door Gerrit Claessoen aan zijn dochter Fijtgen en het klooster Mariënburg van 4 ½ morgen Rijserslant te Nigtevecht, 1516 (75v-76r) Akte van belening door Fredericq Utenham van Zweer van Denemercken met 2 morgen land te Gerverscop, 1428 (76v-77r) Akte van overdracht door Gerrit Bartoltszoon aan Henrick de Beer van 3 dammaat maatland in 'Vranckenhove' (Frankenhoef) te Leusden, 1494 (77) Akte van belening door Steven van Zuylen van Nijevelt van Herman van Hamersvelt ten behoeve van het Brigitttenklooster te Soest met 4 ½ morgen land te Reijerscop, 1480 (78r-79r) Akte van uitgifte van een rente door Maria Brants, weduwe van Gerrit van Haerlem, aan het klooster Mariënburg uit 3 ½ hond land buiten de St. Catharijnepoort en het Lijnpad bij de Doofpoort, Passchertsbogaert, de Bethlehemse wetering en de Daalseweg bij Utrecht vanwege een lening, 1609 (79r-81r) Akte van uitgifte in erfpacht aan Claes Henricxzoon Scaey, barbier, van een hofstede aan de oostzijde van de gracht in de Weerd bij Utrecht, 1448 (81v-82r) Akte van uitgifte van een erfrente door Andries Ploes Claeszoon de Tijchelaer aan Cornelis Lambertszoon, 1504 (82v-83r) Akte van uitgifte in erfpacht door Kroec Willemszone aan Steven Hassen van een gedeelte van het erf aan de westzijde van het water in de Weerd te Utrecht, 1400 (83v-84r) Akte van uitgifte van een losrente door Jorifaesgen, weduwe van Cors Gerritssoen, aan Johan Michielssoen ten behoeve van het klooster te Soest vanwege een lening onder hypotheekstelling van zijn huis en hofstede in de Raamsteeg in de Weerd te Utrecht, 1585 (84r-85r) Akte van uitgifte in pacht en huur door het kartuizerklooster St. Beatusberg bij Koblenz aan Yde Goyers, abdis, Jan van Tienen, confessor generaal, en het convent van het klooster Mariënburg van alle landen in de Oude en de Nieuwe Slagen bij Amersfoort, 1505 (85v-87r) Akte van arbitrage door het Hof van Utrecht in de zaak van Alijdt Voncken, abdis van Mariënburg te Soest, eiseres, en Peter van Wijck, abt van Oostbroek, gedaagde, betreffende de kosten van het proces uit 1541 inzake achterstallige erfpachtbetaling door de abdij Oostbroek, 1582 (87v-89r) Akte van verkoop door Henrick van Groenenberch, rentmeester van Mariënburg, aan Jacob Dircxszoon van Romerskerck te Amersfoort van een huisje in de Godschalkstraat (Valkestraat) Achter de Heilige Geest te Amersfoort, 1611 (89r-90v) Akte van losrente door Jacob Dircxzoon van Romerskerck ten behoeve van het klooster Mariënburg te Soest vanwege een lening onder hypotheekstelling van zijn huisje in de Godschalkstraat (Valkestraat) Achter de Heilige Geest te Amersfoort, 1612 (91r-92r) Akte van verkoop door Hillegont Bosch, abdis, de conventualen en Henrick van Groenenberch, rentmeester van Mariënburg, aan Thonis Dircxssoen en zijn vrouw Stijntgen Geerlofsdochter, en Goutgen Aelbertsdochter, weduwe van Rijer Dircxssoen te Soest, van het land 'die Spijcket' met bijbehorend maatje land tussen de Spijckwech en de Rijneveltsemaat en van 1 morgen bouwland bij de Nijeburgseweg te Soest, 1610 (92v-94r) Akte van verkoop door Hillegont Bosch, de conventualen, en Henrick van Groenenberch, rentmeester van Mariënburg, aan Thonis Dircxssoen en zijn vrouw Stijntgen Geerlofsdochter en Goutgen Aelbertsdochter, weduwe van Reijer Dircxssoen te Soest, van het perceel 'Die Neerweyde' bij de Spijckwech te Soest, 1610 (94v-95r) Akte van verkoop door Hillegont Bosch, de conventualen en Henrick van Groenenberch, rentmeester van Mariënburg, aan Thonis Dirckxssoen en zijn vrouw Stijntgen Geerlofsdochter en Goutgen Aelbertsdochter, weduwe van Reijer Dircxssoen te Soest, van het land 'Die Spijcket' met bijbehorend maatje land bij de Spijckwech en de Rijneveltse maat en van 1 morgen bouwland bij de Nijeburgseweg te Soest, 1610, (95v-96v) Akte van uitgifte in erftijns door Frederik van Baexen, stadhouder van het Leenhof van de St. Paulusabdij te Utrecht, aan Henrick van Groenenberch, rentmeester van Mariënburg, van de Werrincxcamp (Leuwencamp) bij de Brink, de Holesteeg (de Werrincxstege) en het Gaasbeekse Bos te Soest, 1615 (97) Akte van uitgifte in erftijns door Frederik van Baexen, stadhouder van het Leenhof van de St. Paulusabdij te Utrecht, aan Henrick van Groenenberch, rentmeester van Mariënburg, van het land 'Die Blaeke' bij de gemeente en de Brink te Soest, 1615 (98) Akte van uitgifte in erftijns door Frederik van Baexen, stadhouder van het Leenhof van de St. Paulusabdij te Utrecht, aan Henrick van Groenenberch, rentmeester van Mariënburg, van een hofstede bij de Wedemhof van de pastorie te Soest, 1615 (99) Akte van ontvangst in erfpacht door Haesgen Jan Jacobssoens weduwe te Gerverscop, van abdis en rentmeester van Mariënburg, van 2 morgen land, 1618; met ingeloste akte van uitgifte in erfpacht door Magdalena Spirincx, abdis, en Henrick van Groenenberch, rentmeester, van voornoemde 2 morgen land te Gerverscop, 1618 (100r-101v) Akte van ontvangst in erfpacht door Dirck Janssoen, namens Jan Jacobssoen, van abdis en rentmeester van Mariënburg van 2 morgen land, 1619; met ingelaste akte van uitgifte in erfpacht door Magdalena Spirincx, abdis, en Henrick van Groenenberch, rentmeester, van voornoemde 2 morgen land te Gerverscop, 1619 (102r-103v) Akte van belofte door Peter Diercxsoen namens het klooster Mariënburg aan Hildegundt, weduwe van Willem van Dam, om met behulp van de Amersfoortse Potbroeders jaarlijks aan de armen weitbrood uit te delen van de opbrengst van de rente uit 3 akkers land bij de Berchwechsche wetering en de Hagenouwerbeek en van 1 akker land bij de Hamersveldseweg en de Hagenouwerbeek te Hamersveld, 1462 (104r-105r). 3.2. Abdissen (vrouwen) Herman Pots 1475 Heylwich Oyers 1485 Yde Goyers (of: de Goyer) 1486, 1505, 1510 Lijsbeth Jansdochter 1541 Evertgen (of: Everarda) Willemszdochter 1547-1563 Alijdt (of: Aeltgen) Voncken 1573-1599 Hylgondt (of: Hillegundt) Bosch ca. 1600, 1608, 1610 Magdalena Spirincx 1618-1619 3.3. Biechtvaders (paters) Nicolaes Uutte Elsweert, confessor generaal 1475 Jan (Johan) van Tienen, confessor generaal 1498-1510 Augustijn (Augustinus) Arijaensz de Rijck, confessor generaal 1541-1555 Claes Gerritss van Naerden, priester en senior 1555 Dirck Stockert, pater en confessor generaal 1559, 1563 Anthonis Jansz Pauw, pater en confessor generaal 1573, 1579 Johan Kerckman, senior 1590-1595 Bruijnis Jacobssz., senior 1608 3.4. Rentmeesters 3.4.1. Namens het convent Haddeman Adriaenszoon van Delft 1547-1548 Jan van Gerven 1592 3.4.2. Namens de Staten van Utrecht Henrick van Groenenberch 1610-1626 Floris Uten Enge 1626-1633 Carel Martens 1633-1649 Johan van der Nijpoort 1649-1652 Henrick van Wijckerslooth 1653-1658 Cornelis van Beeck -1664 Diderick de Leeuw 1664-1670 Everhard van Zijpesteijn 1670-1688 Wolter van Toll 16741679-1681 Anton van Rhee 1688- Theodorus Cornelis Zael 1723-1746 Herman Cornelis Zaal 1750 Everard de Jongh 1751-1767 Everard van Wachendorff 1771 Johan van Brienen 1775-1785 Jacob Cornelis Storm 1786-1791 Theodorus Koppen (waarnemend) 1795 [C1]Ik weet niet of ik het onderstaande goed gemarkeerd heb

Archieven

Ga naar