1005-5 inventaris van het archief van het wittevrouwenklooster te utrecht 1384-1797, door c.a. van kalveen en l.c. van zetten in: inventarissen van de archieven van de vijf adellijke vrouwenkloosters in en om utrecht 1384 1797 1005-5 rooms-katholiek (rk): wittevrouwenklooster te utrecht Het Utrechts Archief Openbaarheid volledig openbaar Titel inventaris inventaris van het archief van het wittevrouwenklooster te utrecht 1384-1797, door c.a. van kalveen en l.c. van zetten in: inventarissen van de archieven van de vijf adellijke vrouwenkloosters in en om utrecht Titels nadere toegangen Geen nadere toegangen 1. Inleiding Dit deel in de reeks Toegangen van Het Utrechts Archief bevat de gebundelde inventarissen van de vijf adellijke vrouwenkloosters in en rond de stad Utrecht 1 . In de Middeleeuwen stonden ze organisatorisch los van elkaar. Tijdens de Reformatie werden deze kloosters met hun goederen en prebenden echter alle geplaatst onder het bestuur van de ridderschap, het tweede lid van de Staten van Utrecht. Als zodanig bleven zij voortbestaan tot 1798. Ofschoon de archieven van deze vijf kloosters voornamelijk betrekking hebben op het goederen- en prebendenbeheer van na de Reformatie, volgt hieronder eerst een korte schets van de ontwikkeling die deze kloosters in de Middeleeuwen hebben doorgemaakt. 1 Algemeen overzicht in: C.A. van Kalveen, �De vijf adellijke vrouwenkloosters in en om de stad Utrecht�, in: E.S.C. Erkelens-Buttinger e.a. (red.), De kerk en de Nederlanden, aangeboden aan C. Dekker (Hilversum 1997) 152- 167. Voetnoot 1.1. De Adellijke vrouwenkloosters vóór de Reformatie 1.1.1. St. Stevensabdij De St. Stevensabdij van Oudwijk was een benedictinessenklooster en lag ten oosten van de stad ter plekke van de latere buitenplaats Oudwijk te Utrecht 1 . De abdij werd in 1135 gesticht door burggravin Mechteld 2 , weduwe van Arnold, burggraaf van Utrecht, als adellijk eigenklooster op eigen grond van de burggravin 3 . 1 N. van der Monde, �De abdij Oudwijk te Utrecht�, Tijdschrift voor geschiedenis, oudheden en statistiek van Utrecht, 5 (1839) 401 vlg. en 6 (1840) 24 vlg.; A. van Hulzen, Utrechtse kloosters en gasthuizen (Baarn 1986) 81 vlg. 2 Oorkondenboek van het Sticht Utrecht (OSU) 5 dln., S. Muller Fz., C.A. Bouman, K. Heeringa en F. Ketner (ed.) (Utrecht/Den Haag 1920-1959), dl. 1, nr. 481, 8-24 september 1174. 3 A.J. Maris, Van voogdij tot maarschalkambt (Utrecht 1954) 84. Voetnoot Later in de twaalfde eeuw werd een grote abdijkerk gebouwd op initiatief van Willem van Voorne en zijn vrouw Rysela, wier dochter in het klooster was ingetreden 1 . Deze kerk werd in 1173 gewijd aan Maria en St. Steven door bisschop Godfried van Rhenen en twee andere bisschoppen. Een jaar later plaatste deze bisschop de abdij onder zijn voogdij en bescherming en bepaalde hij dat de abdij zelfstandig zou zijn en een vrije abdisverkiezing zou kennen 2 . 1 OSU, dl. 1, nr. 476, 25 juli 1173. Bedoeld kunnen ook zijn leden van de familie Van Schalkwijk. Voor de identificatie van de leden van de burggrafelijke familie zie: A.L.P. Buitelaar, De Stichtse ministerialiteit en de ontginningen in de Utrechtse Vechtstreek (Hilversum 1993) 26-27. 2 Voor het wijdingsbericht zie: C. Pijnacker Hordijk, �Twaalf onuitgegeven oorkonden uit de 12e eeuw�, Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht (BMHG) 30 (1909) 198-2 30, aldaar, 220. Voor de voogdijregeling en de vrije abdisverkiezing: OSU, dl. 1, nr. 481, 8-24 september 1174. Voetnoot Tot 1536 werden de abdissen vrij gekozen door het convent. Daarna werden de vrije abdisverkiezingen in de St. Stevensabdij en successievelijk ook in de andere abdijen aan banden gelegd. Keizer Karel V bezat namelijk voor alle abdijen in de Nederlanden bij pauselijk privilege sinds 1515 het nominatierecht van abten en abdissen. In 1542 stelde landvoogdes Maria van Hongarije daartoe een definitieve verordening op voor de grote abdijen van het Sticht 1 . 1 P. Gorissen, �De invoering van het vorstelijk benoemingsrecht in de Nederlandse abdijen onder Karel V�, Bijdragen voor de geschiedenis der Nederlanden, 10 (1956) 49-50. Voetnoot 1.1.2. St. Servaasabdij De St. Servaasabdij 1 was door Johannes, kanunnik en thesaurier van het Utrechtse kapittel van St. Jan, kort voor 1225 als benedictinessenpriorij gesticht in Abstede even buiten Utrecht aan de zuidoostzijde van de stad 2 . In 1227 besloot Otto van Lippe, bisschop van Utrecht, het klooster over te brengen naar de stad. Tegelijkertijd gingen de nonnen over tot de cisterciënzer orde en namen St. S ervaas als hun patroonheilige aan. Hun klooster werd tot een abdij verheven. Tussen 1228 en 1230 liet bisschop Wilbrand van Paderborn een nieuwe abdijkerk bouwen (waarin hij ook begraven is) in de zuidoosthoek van de stad, tussen de Nieuwegracht (Onder de Linden), de (Malie)singel en de Magdalenastraat. 1 In het algemeen: P. J. Vermeulen, �De abdij van S. Servaas in Utrecht�, in: Utrechtsche Volksalmanak, 1840, 8-57; Van Hulzen, Utrechtse kloosters en gasthuizen, 75-79. 2 J.J. van Moolenbroek, �De stichting van Cisterciënzer Vrouwenkloosters in Nederland tot 1300�, Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland, 27 (1985) 185; J.J. van Moolenbroek, �Servatius en Johannes. Over de vroegste geschiedenis van het Utrechtse vrouwenklooster van St. Servaas�, Jaarboek Oud-Utrecht, 1997, 170-203. Voetnoot De St. Servaasabdij stond onder toezicht van de abt van de Duitse cisterciënzer abdij Camp (of: Altencamp). De abdiskeuze was vrij, maar geschiedde in aanwezigheid van de abt van Camp. Zelfs na de Reformatie bleef de ridderschap nog lang afhankelijk van de toestemming van de abt van Camp bij het aangaan van financiële verplichtingen ten laste van de St. Servaasabdij. Sedert 1555 waren de nonnen verplicht de door de keizer aangewezen kandidaat te kiezen onder leiding van zijn vertegenwoordigers uit het Hof van Utrecht 1 . De abdis bezat het collatierecht van de vicarie in de kapel van Dwarsdijk, onder Cothen, hetgeen ook in het goederenbezit van de St. Servaasabdij na de hervorming een afzonderlijk vermogensbestanddeel van de 'vrouwe' bleef 2 . 1 A. Matthaeus, Fundationes et fata ecclesiarum (Leiden 1703) 269- 270. 2 H. Verloren van Themaat, �Geschiedenis der vicarieën in de provincie Utrecht�, BMHG, 4 (1881) 98-664, aldaar 218. Voetnoot 1.1.3. Mariëndaal Ook de abdij Mariëndaal herbergde een convent van cisterciënzer nonnen 1 . De abdij werd vóór september 1244 opgericht door Theodericus Kovelwaat, kanunnik van Oudmunster te Utrecht 2 . Zij lag ten noorden van de stad Utrecht aan de westzijde van de Vecht onder Zuilen. 1 Van Hulzen, Utrechtse kloosters en gasthuizen, 87-88. 2 Van Moolenbroek, �De stichting van Cisterciënzer vrouwenkloosters in Nederland tot 1300�, 206, op grond van de interpretatie van de statuten van het generaal kapittel van de orde. De abdij Mariëndaal zelf stelde echter de oprichting in het jaar 1245: H.F. van Heussen en H. van Rhijn, Historie ofte beschrijving van 't Utrechtsche Bisdom I. De stad Utrecht (Leiden 1719) 640: �Jaargety-boek van Mariëndaale buyten Utrecht, welk klooster begonnen is in 't jaar 1245�. Voetnoot Thans ligt daar de Utrechtse wijk Zuilen, namelijk ten noordwesten van de J.H. de Muinck Keizerlaan tussen het Vechtplantsoen en het Queekhovenplein 1 . In de bronnen wordt de abdij ook wel Den Daal genoemd. Ook deze abdij stond onder toezicht van de abt van Camp, die aanwezig was bij de abdisverkiezing en de biechtvader benoemde. Ook in Mariëndaal werd in de tijd van keizer Karel V de vrije abdisverkiezing gewijzigd in het vorstelijk nominatierecht. De benoeming van een abdis vond daarna plaats in een vergadering van de nonnen onder l eiding van Habsburgse commissarissen. 1 C.L. Temminck Groll, �De opgraving van het Cisterciënzerklooster Mariëndaal bij Utrecht�, Jaarboekje van Oud-Utrecht, 1958, 61-72; J.G.N. Renaud, Aardewerkvondsten van het klooster Mariëndaal, Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 9 (1959) 199-224; Archeologische en Bouwhistorische kroniek van de Gemeente Utrecht 1926-1972 (Utrecht [1992]) 156-162 (nr. 65). Voetnoot 1.1.4. Vrouwenklooster Het benedictinessenklooster te De Bilt, beter bekend als Vrouwenklooster, is vóór het jaar 1113 gesticht door abt Ludolf van de St. Laurensabdij te Oostbroek aldaar op het abdijgoed De Nieuwehof ten behoeve van de nonnen uit deze abdij 1 die tot dan toe een dubbelklooster was geweest. Bisschop Godebald maakte Vrouwenklooster in 1121 tot een semi-zelfstandige stichting, die in 1139 werd voltooid 2 . Later lag op en bij het kloosterterrein het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut te De Bilt 3 . 1 OSU, dl. 1, nr. 282, 1 november 1113. Anderen stellen dat Vrouwenklooster in 1121 is opgericht. Zie bijvoorbeeld: K. van Vliet, �Godebald�, Utrechtse biografieën, 4 (Utrecht 1997) 81-87, aldaar 82. 2 Archief Vrouwenklooster, inv.nr. 250, fol. 44: �Int jaer Ons Heren doe men screeff dusent hondert ende XXXIX, doe wass dat convent van Vrouwencloester ghetymmert, ende doe worden die jofferen hier int cloester geset.� 3 P.H. Damsté, U it het verleden van De Bilt (De Bilt 1960) 24. Voetnoot Het kloostercomplex strekte zich uit vanaf het oude KNMI-gebouw (landgoed Koelenberg of Het Klooster) tot en met het terrein ten oosten daarvan, ter hoogte van de huidige percelen Kloosterlaan 5- 8 1 . Patroonheiligen waren Onze Lieve Vrouw en St. Laurens 2 . Aan het hoofd van het klooster stond eertijds een priorin, die door de zusters werd gekozen onder toezicht van de abt van St. Laurens. 1 Vrouwenklooster; beknopte geschiedenis van seker Joffrouwenklooster genaamt Vrouwenklooster 't enden van de Steenstraat bij De Bilt, en wat de aarde daarvan nog bewaarde (1968); J.W.M. Meijer, Kleine historie van De Bilt en Bilthoven (Bunnik 1995) 27- 30. 2 Algemeen overzicht met literatuuropgave in: M. Schoengen en P.C. Boeren, Monasticon Batavum, dl. 3, Koninklijke Nederlandsche Academie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, nieuwe reeks 45 (Amsterdam 1942) 120- 121. Voetnoot De geschiedenis van Vrouwenklooster werd tot het midden van de veertiende eeuw gekenmerkt door de strijd van de nonnen om zelfstandigheid te verkrijgen ten opzichte van de St. Laurensabdij 1 . Officieel was, zo neemt men aan, de scheiding tussen beide kloosters in 1370 voltooid 2 . Pas omstreeks 1503 werd voor het eerst een abdis genoemd, namelijk Henrica van Erp 3 . Sedert 1548 werd ook in Vrouwenklooster het al eerder genoemde vorstelijk nominatierecht toegepast bij de benoeming van een nieuwe abdis 4 . 1 Over de betrekkingen tussen Vrouwenklooster en de St. Laurensabdij van Oostbroek zie: G. Brom, �De abdij van Oostbroek en het Vrouwenklooster�, Archief Aartsbisdom Utrecht, 32 (1907) 331 vlg.; W. van de Pas, �De emancipatie van Vrouwenklooster�, Maandblad van Oud-Utrecht, 23 (1950) 2-5. 2 S. Muller Fz. in: J. de Hullu en S.A. Waller Zeper, Catalogus van de archieven van de kleine kapittelen en kloosters (Utrecht 1905) 173, met verwijzing naar W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de hervorming, dl. 2 (Utrecht 1867) 70. Voorts: Van Heussen en Van Rhijn, Historie ofte beschrijving, 519, 613, en H.F. van Heus sen, Historia episcopatuum foederati Belgii (Leiden 1719) 131. 3 A.J.M. van Pol, �Henrica van Erp�, Utrechtse biografieën, 3 (Utrecht 1996) 45-49. 4 A. van Lommel, �Het Vrouwenklooster van Oostbroek bij Utrecht anno 1548�, Archief Aartsbisdom Utrecht, 3 (1876) 395-397. Voetnoot 1.1.5. Wittevrouwenklooster Het Wittevrouwenklooster moet gesticht zijn na 1227, het oprichtingsjaar van de St. Maria Magdalena- orde voor boetvaardige ex-prostituees, waartoe ook het Utrechtse klooster behoorde, en vóór 1248, toen de Magdalenazusters een schenking ontvingen 1 . Uit de schaarse bronnen blijkt niet welke ordesregel het Wittevrouwenklooster in de eerste fase van zijn bestaan volgde 2 . 1 J.W.C. van Campen, �Stichting en status van het Wittevrouwenklooster te Utrecht�, Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland, 17 (1975) 101-130. Onjuist is de veel geciteerde vermelding van 1223 als stichtingsjaar bij: A. Matthaeus, Analecta, dl. 2 ('s-Gravenhage 1738) 604. Het betreft aldaar de beschrijving van een gebeurtenis uit 1323. 2 Magdalena- of Wittevrouwenkloosters volgden overwegend de regel van St. Augustinus. Vgl. M. Heimbucher, Die Orden und Kongregationen der katholischen Kirche, dl. 1 (München/Paderborn 1965) 646 -648. Voetnoot Later is het klooster overgegaan tot de premonstratenzer of norbertijner orde. Dit moet zijn gebeurd na 1326, wanneer Maria Magdalena niet meer als patroonheilige in de stukken voorkomt 1 , en vóór 1365, wanneer de nonnen voor het eerst als 'joncvrouwen' worden aangeduid 2 . Sedert het midden van de veertiende eeuw waren ook in dit klooster de zusters overwegend van (Stichtse) adel. Het klooster is overigens onbekend in de geschiedenis van de norbertijnenorde 3 . 1 Van Campen, �Stichting en status�, 117. 2 S. Muller Fz., De Middeleeuwsche rechtsbronnen der stad Utrecht, dl. 1, Werken Oud-Vaderlandsch Recht, reeks 1, nr. 3 ('s-Gravenhage 1893) 78, 27 januari 1365. De oudste officiële rechtstreekse vermelding is te vinden in de intitulatio van een oorkonde uit 1518: archief Wittevrouwenklooster, inv.nr. 3. 3 Niettemin een overzicht van de geschiedenis van het Wittevrouwenklooster te Utrecht vóór de hervorming bij: N. Backmund, Monast icon Praemonstratense, dl. 2 (Straubing 1952) 348-350. Voetnoot Het klooster lag tussen de oostzijde van de Plompetorengracht, de noordzijde van de Wittevrouwenstraat en de Wittevrouwensingel. De Wittevrouwenkerk stond vlakbij de Ridderschapstraat, terwijl 'conventshuijzingen' met de bijbehorende schuren en stallen en in noordelijke richting tot aan de huidige Molenstraat (Seebeecksteeg) verspreid lagen 1 . Aan het hoofd stond een priorin, ook wel vrouwe genaamd 2 . Vanaf het midden van de zestiende eeuw werd de priorin gekozen door de zusters in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de centrale Habsburgse regering en het Utrechtse bisdom, waarna goedkeuring door keizer Karel V volgde 3 . 1 Topografische beschrijving bij: Van Hulzen, Utrechtse kloosters en gasthuizen, 157. 2 De oudste vermelding van de naam van een vermoedelijke priorin (Elisabeth de Insula) dateert van 1289: OSU, dl. 4, nr. 2368, 10 februari 1289. 3 A. van Lommel, �Het Wittevrouwenklooster te Utrecht annis 1556 en 1576�, Arc hief Aartsbisdom Utrecht, 3 (1876) 398-406. Voetnoot 1.2. De Adellijke vrouwenkloosters als ridderschapsconventen De Adellijke vrouwenkloosters als ridderschapsconventen 1 1 Algemeen overzicht ook in: De Hullu en Waller Zeper, Catalogus kleine kapittelen en kloosters, 121-126; D.G. Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde, en het neutrale recht (Utrecht 1905) 698-728. Voor een bondig overzicht van de intensivering van het toezicht op de eigendom van de kloosters en de kloostergoederen in handen van Staten c.q. ridderschap zie: Verslagen �s-Rijks Oude Archieven, 23 (1900) 338- 340 (Verslag Rijksarchief in Utrecht), op basis van een ongepubliceerd rapport van J. de Hullu. Voetnoot De positie van de vijf adellijke vrouwenkloosters veranderde ingrijpend als gevolg van de Reformatie. Bij de religievrede van 10 januari 1579 bleven deze kloosters nog min of meer buiten schot. Het stadsbestuur van Utrecht handhaafde de vermogensrechtelijke toestand van de kloostergoederen en erkende het alimentatierecht van de kloosterlingen, ook van hen die hun klooster hadden verlaten 1 . De rechtsgrond van de kloosters werd vastgelegd in de artikelen 14 en 15 van de Unie van Utrecht, volgens welke de conventualen 'hun goeden' zouden volgen, dus de band met hun kloostergoederen behielden, ongeacht of men tot de nieuwe leer overging of rooms-katholiek bleef en alimentatie ontving 2 . 1 Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goederen, 623. 2 Van Kalveen, �De vijf adellijke vrouwenkloosters in en om de stad Utrecht�, 163. Voetnoot Een jaar later, bij de definitieve vestiging van de Reformatie in Utrecht, kwam het echter tot een verbod van de rooms-katholieke godsdienstoefeningen, ook in de kloosterkerken. De Staten van Utrecht besloten toen dat de vijf adellijke vrouwenkloosters in gereformeerde vorm gehandhaafd zouden blijven 1 , zij het zonder vrije beschikking over hun goederen. In de daarop volgende gereformeerde 'ordre op de geestelickheyt' bepaalden de Staten voor elk van de vrouwenkloosters een vast aantal prebenden, dus formatieplaatsen, met vaste alimentatiebetalingen uit het vermogen van het betreffende klooster 2 . 1 Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goederen, 698 vlg. 2 Archief Staten van Utrecht in de landsheerlijke tijd, inv.nr. 649, fol. 8, 9, 19, opgesteld op 4 mei 1580, toegevoegd aan de resolutie van 6 mei 1580, en ten uitvoer gelegd op 6 juni 1580. Voetnoot In 1581 gaven de Staten een gemeenschappelijk reglement met instructie aan Oudwijk, St. Servaas, Den Daal, Vrouwenklooster en Wittevrouwen, die sindsdien in die vaste volgorde tezamen de 'vijf jufferen of ridderschapsconventen' vormden. De leden waren van adel en daarom kwamen deze geprotestantiseerde instellingen onder het bestuur van de ridderschap te staan 1 . De ridderschap kreeg het benoemingsrecht van abdissen en jonkvrouwen, dus de begeving van de pas ingestelde prebenden, en voorts het toestemmingsrecht in alle zaken van enig belang voor de conventen, benevens het bestuur over abdissen en nonnen 2 , inclusief de overgebleven katholieke nonnen, die op alimentatie waren gesteld en hun gemeenschappelijk reli gieus leven hadden moeten opgeven. Als jonkvrouwen met een prebende behielden zij hun plaats in de overigens protestantse conventen. Kwam er een prebende vacant, dan werd voortaan een ongehuwde gereformeerde jonkvrouw van Stichtse adel benoemd. 1 Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goederen, 645. 2 Archief Staten van Utrecht in de landsheerlijke tijd, inv.nr. 649, fol. 63. Voor de tekst van dit reglement zie ook hierna: archief St. Steven, inv.nr. 2, 1581. Voetnoot Het algemeen toezicht op de geestelijke goederen berustte aanvankelijk bij de Staten-gedeputeerden voor de geestelijke goederen. Voor wijzigingen in het goederenbezit, zoals verwerving, vervreemding of bezwaring ervan, had men toestemming nodig van de Staten, die ook de reglementering en het toezicht hadden. De uitvoering van deze regeling was zeer gebrekkig. In werkelijkheid liet de ridderschap na 1581 nog jarenlang het goederenbeheer over aan de abdis of vrouwe van de afzonderlijke conventen, of aan de in haar dienst staande rentmeester. Nieuwe maatregelen door de Staten van Utrecht deden daar nauwelijks iets aan af. Zo eisten de Staten van Utrecht in 1586 de definitieve opheffing van de conventen 1 , een eis waartegen ze zich met succes verzetten. Zo was er de benoeming in 1588 door de Staten van Utrecht van een geme enschappelijke rentmeester voor Oudwijk, Vrouwenklooster, en Wittevrouwen 2 , die slechts luttele jaren in functie bleef en daarna werd vervangen door de abdis of vrouwe, of haar rentmeester. 1 In het �redressement� op de geestelijke goederen in 1586: Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goederen, 332-340. 2 De Hullu en Waller Zeper, Catalogus kleine kapittelen en kloosters, 121. Voetnoot De blijvende grondslag voor het bestuur en beheer door de ridderschap vormde uiteindelijk de instructie die de Staten van Utrecht in 1598 ten behoeve van de vijf jufferenconventen vaststelden 1 . De ridderschap ontving het recht om landerijen te verpachten of te verhuren en behield de begeving van de prebenden aan gereformeerde, adellijke ongehuwde jonkvrouwen. Deze moesten tenminste acht jaar oud zijn om alvast voor een kinderprebende (een deel van een prebende) in aanmerking te komen. De ridderschap bezat ook het recht om in elk van de conventen de abdis of vrouwe te benoemen. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 349-4, fol. 287v, 27 januari 1598, en inv.nr. 738-1, 27 januari 1598. Voetnoot Tevens stelden de Staten van Utrecht in 1598 een instructie op voor de rentmeesters. Zij werden voortaan benoemd door de Staten van Utrecht op voordracht van de ridderschap, die ook het uitgavenbeleid regelde 1 . De rentmeester stelde de jaarrekeningen in drievoud op: één exemplaar voor de rentmeester zelf, het zogenoemde rendantsexemplaar, één exemplaar voor abdis en convent en één voor de ridderschap. De rekeningen moesten worden gecontroleerd door een commissie uit de ridderschap, veelal in aanwezigheid van de secretaris van de Staten van Utrecht en aanvankelijk ook de abdis van het betreffende klooster. Tussen 1600 en 1604 werden deze nieuwe regelingen van de Staten in alle vijf vrouwenkloosters 2 doorgevoerd. Wijzigingen die in de loop der tijden nog werde n aangebracht, waren vooral bedoeld om de regelingen voordeliger te maken voor de belanghebbenden en het bestuur en beheer efficiënter te maken door verdere concentratie en onderlinge afstemming van het beheer van de conventen. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 349-4, fol. 290, en inv.nr. 738-1, 27 januari 1598. 2 In Oudwijk in 1600, in St. Servaas, Vrouwenklooster en Wittevrouwen in 1601 en in Mariëndaal in 1604. Voetnoot In 1626 werd het college van superintendenten opgericht: een commissie van de ridderschap voor het dagelijks bestuur van de vijf jufferenconventen gezamenlijk 1 . Deze superintendenten werden steeds benoemd voor de tijd van drie jaar en op een vast traktement, met als voornaamste taak het verhuren, verpachten en inspecteren van alle conventslanderijen, meestentijds samen met de rentmeesters 2 . Na 1676 kwam dit, afgezien van de goedereninspectie, vooral neer op het afhoren en sluiten van de rentmeestersrekeningen. Zij kwamen eens in de twee weken in vergadering bijeen in de ridderschapskamer, een aanbouw van de Statenkamer aan het Janskerkhof te Utrecht. 1 Matthaeus, Fundationes, 490-493, 11 februari 1626. Zie ook: archief Staten van Utrecht, inv.nrs. 770- 774. 2 Archief Huis Hardenbroek, inv.nr. 443, waarin �Poincten van redres� van de jufferenconventen door de ridderschap van Utrecht, ca. 1666. Voetnoot Ook het goederenbeheer door de rentmeesters werd na 1626 veelvuldig gecombineerd. Dit was het geval bij de rentmeesterschappen van Oudwijk en Vrouwenklooster. De tresorier werd terzijde gestaan door een klerk. Vergelijkbare combinaties kwamen in de jaren 1682-1685 en 1707-1760 tot stand tussen de rentambten van Mariëndaal, Vrouwenklooster, en Wittevrouwen. In 1685-1707 en 1760-1798 werd daaraan ook het rentmeesterschap van de St. Servaasabdij toegevoegd 1 , zodat toen vier van de vijf conventen in één hand verenigd waren. Voor elke instelling bleef overigens wel een afzonderlijke administratie en een afzonderlijke jaarrekening bestaan. Alleen Oudwijk, verreweg het meest omvangrijke rentambt, behield na 1660 steeds een eigen, afzonderlijke rentmeester. 1 De Hullu en Waller Zeper, Catalogus kleine kapittelen en kloosters, 168-169. Voetnoot In de zeventiende eeuw geschiedden de benoemingen in de prebenden door middel van loting. De voordracht gebeurde door één van de leden van de ridderschap, vanaf 1620 bij toerbeurt. Hiervoor werden complete roosters opgesteld 1 . In de samenstelling en de aantallen prebenden werden in de zeventiende en achttiende eeuw herhaaldelijk wijzigingen doorgevoerd 2 . In 1626 besloot de ridderschap in de vrouwenkloosters geen abdis meer te benoemen maar een vrouwe. 1 Matthaeus, Fundationes, 487; archief Staten van Utrecht, inv.nr. 738, 7 augustus 1620. Voor het Wittevrouwenklooster gold een afwijkende regeling. 2 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 737-2, alfabetische index op de ridderschapsresoluties. Hierin chronologische lijsten van alle gebeneficieerden met prelaturen, 1626-1785, gevolgd door lijsten van alle gebeneficieerden met prebenden in de afzonderlijke conventen, 1618- 1792. Voetnoot Deze vrouwen ontvingen een zogeheten prelatuurschap, waaraan een uitkering verbonden was die het dubbele bedroeg van een gewone prebende 1 . In een aantal gevallen werd sinds het midden van de zeventiende eeuw de volledige prebende van het prelatuurschap verdeeld over enkele jufferen. In de loop van de zeventiende eeuw werd de administratie van de prebenden vereenvoudigd. Vanaf 1635 werden er van de begeving van de prebenden geen akten meer opgesteld of charters uitgevaardigd; een afschrift van de betreffende ridderschapsresolutie was voldoende. Aanvankelijk moest een lid van de ridderschap zijn nominatie in een prebende officieel in de vergadering meedelen. Vanaf 1648 volstond men met een melding van de door hem voorgedragen juffer aan de ridderschapssecretaris ter registratie 2 . 1 Van Kalveen, �De vijf adellijke vrouwenkloosters�, 166. 2 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 731, 27 april 1648, 4 mei 1716, 2 juli 1735. Voetnoot Formeel gesproken bleven de conventen dus bestaan. In de praktijk werd de band van de jufferen met hun convent echter steeds losser. In de loop van de zeventiende eeuw gingen zij steeds meer verspreid wonen in de stad Utrecht 1 , buiten hun oorspronkelijke conventshuis of voormalige kloostergebouw. Hoe pakten de genoemde veranderingen uit voor de afzonderlijke conventen? Hieronder volgt een kort overzicht. 1 De Hullu en Waller Zeper, Catalogus kleine kapittelen en kloosters, 123-124. Overzicht van de ridderschapsresoluties in: archief Staten van Utrecht, inv.nr. 737-2, �Alphabetische index�, letter P. Voetnoot 1.2.1. St. Stevensabdij Al in 1580 hadden legerleiding en burgerhoplieden en andere felle calvinisten in Utrecht bij herhaling aangedrongen op afbraak van het net buiten de stadsmuren gelegen klooster Oudwijk, dat wanneer het in handen van de vijand zou vallen, een gevaar zou kunnen vormen voor de stad. In 1582 werd begonnen met de sloop van de torens. Invloedrijke adellijke familieleden kwamen de bewoonsters van de abdij te hulp en wisten vooralsnog afbraak te voorkomen. In 1584 werd het gebouwencomplex echter in brand gestoken. Hierdoor zagen de abdis en de conventualen zich gedwongen een onderkomen binnen de stad te zoeken. De abdis vestigde zich in een huis aan de Nieuwegracht tussen de Wittevrouwenbrug en de Rietsteeg, dat al sinds de vijftiende eeuw in bezit was van het convent. De overige conventualen vonden onderdak in een huis dat gehuurd werd van de vrouwe Van Saesfeld 1 . 1 Van der Monde, �De Abdij Oudwijk te Utrecht�, 24, 33. Zie ook: archief St. Steven, inv.nrs. 606-619. Voetnoot In 1581 werd bepaald dat het aantal prebenden van de St. Stevensabdij beperkt zou worden tot twaalf volle en zes kinderprebenden. Men zou voor de overleden nonnen geen plaatsvervangster aanwijzen, totdat het aantal tot veertien leden zou zijn gereduceerd. De dertiende en veertiende plaats zouden daarbij vervangen worden door tweemaal drie kinderprebenden. De twaalf volle prebenden bestonden uit een uitkering van 200 Karolusgulden per jaar, te betalen uit de opbrengst van het goederenbezit van de abdij. In een lijst van jufferen in 1594 worden naast de abdis twaalf leden van het convent genoemd 1 . Tot 1588 behield de abdis nog het beheer over de goederen en stelde zij de rekeningen op. De rekening van 1588 verscheen onder de naam van de rentmeester Johan van den Bongaert in plaats van onder die van de abdis. Helaas ontbreken de rekeningen van 1589-1593, zodat we niet kunnen bepalen, hoelang deze rentmeester in functie is geblev en. Tussen 1594 en 1600 kwamen de rekeningen weer uit op naam van de abdis. Na 1600 stonden de rekeningen nog uitsluitend op naam van de op voordracht van de ridderschap door de Staten aangestelde rentmeesters. In het goederenbeheer van de abdij Oudwijk bleef de situatie verder ongewijzigd tot het jaar 1797. 1 Archief St. Steven, inv.nr. 10. Voetnoot 1.2.2. St. Servaasabdij De St. Servaasabdij had in de periode na 1580 veel te lijden van graafwerkzaamheden aan de Utrechtse stadsgracht en de wallen 1 . In 1586 plunderden de troepen van de graaf van Meurs de abdij 2 . Nog tot 1598 heeft de abdij zelf het goederenbeheer en het onderhoud van de abdij voortgezet met een rentmeester in dienst van de abdis. Een volledig overzicht van de landerijen van de abdij, het oudst bewaarde, kwam tot stand bij de invoering van de gereformeerde organisatie in 1581-1582 3 . 1 �Kroniek van Utrecht 1576-1591�, Kronijk van het Historisch Genootschap, 21 (1865) 546, ad 1581. 2 P. Bor, Oorsprongk ende Vervolch van de Nederlantsche Oorloghen, dl. 3 (Amsterdam 1621) ad 1586, fol. 17v, of: idem (Amsterdam 1680) 702. 3 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 937, 1582. Voetnoot Sedert 1598 was de rentmeester in dienst van de ridderschap. Na het overlijden van de laatste katholieke abdis in 1602 benoemde de ridderschap een gereformeerde abdis 1 . In 1615 werd de titel van 'abdis' vervangen door die van 'vrouwe'. Tussen 1635 en 1660 was een lid van de ridderschap zelf rentmeester onder de titel van 'thesaurier', met een adjunct-rentmeester of klerk als vervanger. Nog tot halverwege de zeventiende eeuw woonden de op alimentatie gestelde jonkvrouwen in de abdijgebouwen 2 ; later leefden zij verspreid in de stad. In 1669 besloot de ridderschap tot verkoop van de abdijgebouwen 3 . Afbraak van deze gebouwen vond in 1673 plaats ten behoeve van woningbouw en tuinaanleg. De kloosterpoort en Servaaskerk zijn tenslotte kort vóór 1840 gesloopt 4 . 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 731, ridderschapsresoluties van 10 februari en 23 maart 1602. 2 Een van de jonkvrouwen was in 1626 bijvoorbeeld nog in het ambt van portierster benoemd. 3 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 731, ridderschapsresolutie van 3 augustus 1669. Vanwege de bevolkingstoename en het tekort aan geschikte huizen had de stadsmag istraat al sedert 1643 pogingen tot aankoop ondernomen: ibidem, ridderschapsresoluties van 9 april 1643 en 14 juni 1645. 4 Vermeulen, �De abdij van S. Servaas in Utrecht�, 44-45. Voetnoot 1.2.3. Mariëndaal De abdij Mariëndaal te Zuilen kwam na de Reformatie weldra leeg te staan. De nonnen werden op alimentatie gesteld. In 1587 werd overgegaan tot gedeeltelijke sloop, waarna in 1602 ook de rest van de abdij werd afgebroken. In 1625 volgde de afbraak van het brouwhuis. Alleen de grote pachtboerderij Den Daal, die deel uitmaakte van het abdijcomplex, bleef voortbestaan. De laatste rooms-katholiek gebleven abdis overleed in 1613. Pas in 1619 benoemde de ridderschap van Utrecht een gereformeerde abdis, die tevens de laatste zou zijn; haar opvolgsters heetten allen 'vrouwe'. Zij werden benoemd in de dubbele prebende die het 'prelatuurschap' heette. Van omstreeks 1587 tot 1630 leefden de jufferen van Mariëndaal in de stad Utrecht in het pand 'De huysinge van Den Dael' in de omgeving van het Domkerkhof (Domplein) en de St. Maartensbrug 1 . Na 1630 woonden de jonkvrouwen verspreid in de stad. 1 Over dit claustrale huis van het domkapittel verspreide gegevens in de rekeningen van Mariëndaal, onder meer in: archief Mariëndaal, inv.nrs. 65, 67, 80, 92 (rekeningen 1595, 1597-1598, 1602- 1603, 1614-1615, 1630). Voetnoot 1.2.4. Vrouwenklooster De abdijorganisatie van Vrouwenklooster te De Bilt raakte al sedert omstreeks 1570 geleidelijk in het ongerede. Na 1580 werd ook dit klooster omgezet in een gereformeerd convent. In 1585 staken Utrechters het klooster in brand, waarna de Staten van Utrecht het besluit namen om het af te breken, met uitzondering van de kerk, het 'heerenhuys' en 'het backhuys' 1 . Niettemin volgde weldra de sloop van de gehele abdij; alleen de boerderij met enkele bijgebouwen bleven gespaard. Met de stenen van de afbraak werden de stadsmuren van Utrecht verder versterkt. Vanaf omstreeks 1647 werd deze hofstede, in die tijd aangeduid als 'Het klooster', verpacht en in 1676 verkocht aan particulieren. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 231-3, fol. 70, 10 en 12 maart 1585, en inv.nr. 356-2, fol. 29. Voetnoot Sinds 1656 maakte deze deel uit van het minigerecht Coelenberg 1 . Tot een gedwongen opheffing van het convent van Vrouwenklooster kwam het vooralsnog niet, ook al moesten de inmiddels protestants geworden jufferen naar de stad Utrecht verhuizen, waar Vrouwenklooster tussen 1577 en 1579 de beschikking had gekregen over het huis van domproost Cornelis van Mierop aan de Kromme Nieuwegracht naast de Hiëronymusschool 2 . In 1588 werden de jufferen op alimentatie gesteld. 1 Meijer, Kleine historie van De Bilt en Bilthoven, 134-135. 2 G.W. Beger, �Over de vergaderplaats der Staten van Utrecht na de overdracht van het wereldlijk gebied aan keizer Karel V (1528)�, Utrechtsche Volksalmanak, 1853, 73. Voetnoot Het conventshuis 1 bevond zich omstreeks 1600 te St. Jans Oudwijk tussen de Plompetoren en de Wittevrouwenbrug aan de westzijde van de gracht. In 1606 werd de gezamenlijke bewoning in één conventshuis door de leden van het convent beëindigd. Het convent bleef bestaan maar de leden verspreidden zich over de stad 2 . In 1629 werd het conventshuis verkocht, nadat het jarenlang was bewoond door de thesaurier (rentmeester) van het convent. Tussen 1640 en 1680 hebben de Staten van Utrecht nogal wat kloostergoederen in De Bilt en omgeving verkocht 3 . 1 Zie: archief Vrouwenklooster, inv.nr. 174 (rekening 1629-1630) fol. 117, alwaar ook de omschrijving van de ligging van het pand, zoals hierboven vermeld. 2 De Hullu en Waller Zeper, Catalogus kleine kapittelen en kloosters, 173. 3 S. Broekhoven en S. Barends, De Bilt. Geschiedenis en architectuur (Zeist 1995) 27. Voetnoot 1.2.5. Wittevrouwenklooster Ook bij het Wittevrouwenklooster bleven de veranderingen niet uit 1 . In het laatste kwart van de zestiende eeuw liet de priorin zich bij tijd en wijle ook 'abdis' noemen 2 . Maar zeker na 1600 werd zij consequent aangeduid als 'vrouwe'. Tot het midden van de zeventiende eeuw woonden de vrouwe en de twaalf jufferen in het conventshuis. Bij de jufferen werd een onderscheid gemaakt tussen 'oude jufferen' en 'jonge jufferen', waarbij de eerste hoger in aanzien stonden en meer alimentatie ontvingen. In de loop van de achttiende eeuw waren nog maar twee jonkvrouwen in het bezit van zo'n toelage, een zogeheten Wittevrouwenprebende. Net als bij de andere vrouwenkloosters is de samenstelling van het goederenbezit na de Reformatie ook bij het Wittevrouwenklooster niet ongewijzigd gebleven. 1 Van Campen, �Stichting en status�, 129. 2 Backmund, Monasticon Praemonstratense, dl. 2, 349. Voetnoot Met name in de zeventiende eeuw werden er veel goederen verkocht, al werden er ook enkele nieuwe verworven. Wat betreft de kloostergebouwen zij nog opgemerkt dat na branden in 1652 en 1663 dwars over het terrein heen de Ridderschapstraat werd aangelegd. De afbraak in 1678 van de kloostergebouwen die bij de branden gespaard waren gebleven, werd gevolgd door de bouw van enkele huizen en de aanleg van tuinen aan deze straat. Het overgebleven gedeelte (met torentje) van de Wittevrouwenkerk werd in 1679-1680 hersteld, waarna het in 1709 alsnog werd gesloopt om plaats te maken voor de klokgevelhuizen aan de Wittevrouwenstraat (nrs. 26-32). In de jaren twintig van de negentiende eeuw werd aan de oostzijde van het voormalige kloosterterrein, aan de Wittevrouwenkade, de Willemskazerne gebouwd 1 . 1 L.E. Bosch, De Willems-Kazerne, voorheen de Witte-Vrouwenabdij te Utrecht: Strekkende tot eene bijdrage van de geschiedenis dier stad en aldaar geslotene vrede in het jaar 1713 (Utrecht 1829). Voetnoot 1.3. Opheffing Bij de Bataafse revolutie in 1795 hief het Comité revolutionair van het Utrechtse volk al op 28 januari van dat jaar het eerste en tweede lid van de Staten (Geëligeerden en ridderschap) op. Daarmee waren de Staten van Utrecht opgeheven. De dag daarop werd in een vergadering in de voormalige Statenkamer besloten het ridderschapskantoor te verzegelen. Aan de rentmeesters van de vijf conventen werd aangezegd geen betalingen meer te verrichten 1 . Alleen in 1795 werden de prebenden nog uitbetaald. Toen was het afgelopen 2 . Daarna nam het Comité van Algemeen Welzijn namens het Provinciaal Bestuur van Utrecht het bestuur van de conventsgoederen op zich. Dit eiste van de rentmeesters een gespecificeerde goederenlijst. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 1076-2, p. 5-6, 8. 2 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 1084, 1796. Voetnoot In de periode van 27 juli 1797 tot en met 19 september 1798 werden vele landerijen door het Provinciaal Bestuur van Utrecht publiekelijk geveild 1 . De bezitters van pacht-, rente-, en huurovereenkomsten moesten deze afkopen. De administratie hiervan en van de overgebleven goederen werd gevoerd door de rentmeester-generaal van de Domeinen. In 1798 besloot het Administratief Bestuur van het voormalige gewest Utrecht tot verkoop van de nog resterende goederen. In 1799 is het Utrechtse Domeinkantoor een afdeling van het Algemene Lands Domeinenkantoor van de Bataafse Republiek geworden 2 . Daarmee waren de zogeheten jufferenconventen definitief opgeheven. 1 Archief Staten van Utrecht, inv.nr. 1146, resolutie van het Provinciaal Bestuur van Utrecht, 2 december 1795. Over de voorgeschiedenis van de verkoop in 1797 zie het relaas in: Verslagen �s-Rijks Oude Archieven, 23 (1900) 340-341 (Verslag Rijksarchief in Utrecht). 2 Archief Financiële instellingen, inv.nr. 2771. Voor de lijsten van afkoop van renten en pachten zie : archief Staten van Utrecht, inv.nr. 1076-1, 46-154. De Hullu en Waller Zeper, Catalogus kleine kapittelen en kloosters, 124-126; Verloren van Themaat, �Geschiedenis der vicarieën in de provincie Utrecht�, 190-196. Voetnoot 1.4. De Archieven De geschiedenis van de archieven van de vijf adellijke vrouwenkloosters was vanaf de Reformatie in hoge mate verweven met de geschiedenis van het archief van de ridderschap van Utrecht 1 , dat weer een onderdeel vormde van de archieven van de Staten van Utrecht. Door het ridderschapsbeheer kwamen de jaarrekeningen, bijlagen, tiend- en pachtregisters en overige financiële bescheiden van elk van die conventen bij het archief van de ridderschap terecht, aangevuld met de overgebleven delen van het middeleeuws archief, vooral bestaande uit charters met de eigendomsbewijzen en de overige rechtstitels. De omvang daarvan loopt per klooster sterk uiteen. 1 Hierover vooral de inleiding van S. Muller Fz. in diens: Catalogus van het archief der Staten van Utrecht 1375- 1813 (Utrecht 1915) XXXVIII vlg. Voetnoot In 1589 eisten de Staten van Utrecht alle oudere registers van de jufferenconventen op. Aan dat verzoek is slechts ten dele voldaan. Hier ligt de hoofdoorzaak dat van deze archieven zo weinig cartularia en middeleeuwse registers bewaard zijn gebleven. Tussen 1590 en 1600 kwam onder het bestuur van de ridderschap en het beheer van de rentmeesters een algehele administratieve reorganisatie tot stand. 1.4.1. St. Stevensabdij Van de vijf conventsarchieven is dat van Oudwijk veruit het meest omvangrijk en het best bewaard gebleven. Toch zijn ook hier de stukken betreffende het bestuur, de leden van het convent, het kerkgebouw en de eredienst slechts ten dele overgeleverd. Alleen de stukken betreffende het goederenbeheer en de administratie daarvan zijn zorgvuldig beheerd. Zij maken in feite het archief uit. Dat neemt niet weg dat ook uit de bewaard gebleven rekeningen en andere financiële bescheiden vanaf het midden van de veertiende eeuw veel gegevens zijn af te leiden over het dagelijks leven in de abdij. Een bijzonderheid van veel akten over het goederenbeheer van St. Steven vormt het gebruik van het begrip 'huer', 'huur', of 'huerweer'. Over het algemeen betreft dit een vorm van (tijd-)pacht, slechts in een beperkt aantal gevallen een uitgifte in huur. Van de cartularia van de abdij is een fragment elders terechtgekomen en zo toch nog bewaard gebleven 1 . Van een ander, verloren cartularium zijn enkele oorkonden over de stichting en dotatie van de abdij in afschrift overgeleverd 2 . 1 Collectie Rijsenburg, inv.nr. 454. 2 Verzameling Van Buchel-Booth, inv.nr. 52. (zeventiende-eeuwse afschriften). Voetnoot 1.4.2. St. Servaasabdij Van het middeleeuwse archief van de St. Servaasabdij resteren alleen drie pauselijke akten uit het midden van de dertiende eeuw, een beheersovereenkomst uit 1445 en een lijfrenteakte uit 1487 1 . Alle stukken over de stichting en dotatie van de abdij zijn verloren gegaan, evenals de cartularia en, een enkele uitzondering daargelaten, de eigendomsbewijzen. De kern van het archief wordt gevormd door de stukken die betrekking hebben op het financiëel beheer van de goederen vanaf 1593, de registratie van de verpachtingen van landerijen sinds het midden van de zeventiende eeuw en de uitgifte van rentebrieven en obligaties sinds 1570. 1 Archief St. Servaas, inv.nrs. 1-3, benevens 77 en 329. Voetnoot 1.4.3. Mariëndaal In 1637 berustte het archief van Mariëndaal ten huize van Maria van Hartevelt, juffer van het convent, waarvan de leden na 1630 al verspreid woonden. Daarna bevond een gedeelte van het archief, in ieder geval de manualen en kaartboeken, zich op de secretarie van de ridderschap; de rest zal door de rentmeester zijn bewaard. Na 1723 kwamen alle stukken onder beheer van de rentmeester. Ook het archief van Mariëndaal bestaat overwegend uit de registratie van erfpachten en renten, uit rekeningen en de andere stukken betreffende de financiële verantwoording uit de periode van na de Reformatie. Inhoudelijk van groot belang is echter de uitgebreide vroeg-zeventiende-eeuwse inventarislijst van de charters van Mariëndaal sedert 1295, die alle verloren zijn gegaan 1 . Door deze inventaris is in ieder geval de zakelijke inhoud van een groot aantal stukken in regestvorm bewaard gebleven. 1 Archief Mariëndaal, inv.nr. 9. De oudste oorkonden in deze inventaris (uit de jaren 1295 en volgende) ontbreken in het OSU. Voetnoot 1.4.4. Vrouwenklooster Het archief van Vrouwenklooster bevat nog een aantal middeleeuwse charters, waaronder enkele van vóór 1300. Deze betreffen niet alleen de verwerving en het beheer van de kloostergoederen maar ook de interne organisatie, de eredienst en de kloostertucht. Cartularia ontbreken. De oudste rechtstitels staan geregistreerd in de cartularia van de St. Laurensabdij van Oostbroek. Archivalia betreffende rekening en verantwoording zijn sinds 1590 vrij volledig bewaard gebleven. De geschiedenis van Vrouwenklooster vóór de hervorming is doortrokken van processen, in het bijzonder over de rechten op de venen bij De Vuursche. Vandaar dat in de inventaris van het Vrouwenklooster een afzonderlijke rubriek is opgenomen met processtukken. 1.4.5. Wittevrouwenklooster Het goederenbeheer van het Wittevrouwenklooster was veel minder omvattend dan dat van de andere vrouwenkloosters. Bovendien is het archief van het Wittevrouwenklooster erg fragmentarisch bewaard gebleven. Van het middeleeuwse archiefgedeelte resteert vrijwel niets. De kern van het archief wordt gevormd door de serie jaarrekeningen vanaf het einde van de zestiende eeuw, de diverse eigendomsbewijzen en de registratie van pachtakten met renversalen (de akte waarin de pachter de overeenkomst bevestigt). Wat betreft de aard van de pachtuitgiften, treft in dit archief de bijzonderheid van de 'toepacht', dat wil zeggen de ontvangst van pacht in natura in aanvulling op een geldpacht. De toepacht werd door de vrouwe zelf geïnd en onder haar medejufferen verdeeld. Vanwege het fragmentarische karakter van dit archief is het ook van belang te wijzen op enkele in afschrift overgeleverde archiefstukken in de verzameling Van Buchel-Booth, namelijk afschriften van meest zestiende-eeuwse akten uit het Memoriale albarum virginum, een verdwenen register van door het Wittevrouwenklooster uitgegeven akten 1 . en van het middeleeuwse necrologium 2 . Bij de kloosterbrand in het rentmeesterskantoor van het klooster in 1652 is veel van de lopende financiële administratie, waaronder de bijlagen tot de rekeningen, verloren gegaan. Een deel kon worden gered door Jan Claeszone, bode van de ridderschap, en Alard van Ewijck, de latere rentmeester van Wittevrouwen. Bij die gelegenheid bleek dat toenterti jd alle stukken ouder dan vijf jaar tot het archief werden gerekend. 1 Verzameling Van Buchel-Booth, inv.nr. 7, fol. 17-18 en 216, en inv.nr. 18, fol. 105. 2 Verzameling Van Buchel- Booth, inv.nr. 18, fol. 93. Voetnoot 1.5. Overlevering en bewerking Al deze conventsarchieven berustten tenslotte bij het ridderschapsarchief in de ridderschapskamer naast de Statenkamer aan het Janskerkhof te Utrecht. Na de opheffing van de ridderschap van Utrecht ten gevolge van de Bataafse revolutie van 1795 deelden ook de vijf kloosterarchieven in de lotgevallen van het ridderschapsarchief, dat weer een onderdeel vormde van het Statenarchief. In 1803 volgde de aanstelling van P. van Musschenbroek als eerste departementaal archivaris van Utrecht. Daarmee was hij de voorloper van de archivarissen van het latere provinciaal, successievelijk rijksarchief in Utrecht. Onder hem viel van meet af aan het hele corpus van Statenarchieven, inclusief de kloosterarchieven. In het laatste kwart van de negentiende eeuw werd een gedeelte van de kloosterarchieven (alleen de delen en bundels) beschreven in de inventaris van het provinciaal archief door P.J. Vermeulen en in de beide supplementen daarop door S. Muller Fz. 1 . 1 P.J. Vermeulen, Inventaris van het archief der provincie Utrecht (Utrecht 1875), en de beide supplementen daarop door S. Muller Fz. (Utrecht 1885 en 1892). Voetnoot Deze laatste vooral heeft tenslotte met R. Fruin Th. Az alle kloosterstukken gesepareerd van het Statenarchief en aangevuld met de kloosterbescheiden uit de collectie Phillipps, die in 1888 uit Engeland naar Nederland waren teruggekeerd. Daarna zijn alle kloosterarchieven globaal per abdij geïnventariseerd door J. de Hullu, wiens manuscript in 1900 door S. Muller Fz. is voltooid en herzien 1 . In 1904 heeft S.A. Waller Zeper een regestenlijst van de charters gemaakt 2 . Afsluitend zijn in 1905 de inventarissen (met een doorlopende nummering) in druk verschenen als onderdeel van de Catalogus van de archieven van de Kleine Kapittelen en Kloosters (Utrecht 1905) 3 . 1 Archief Rijksarchief in Utrecht, inv.nr. 237. 2 Archief Rijksarchief in Utrecht, inv.nr. 236. 3 De Hullu en Waller Zeper, Catalogus kleine kapittelen en kloosters, 121-186, benevens de inleiding aldaar, VI en VII. Voetnoot Het globale karakter van deze inventarissen, de vele latere toevoegingen en het feit dat al meerdere inventarissen van archieven uit bovengenoemde Catalogus waren gelicht, maakten een gedetailleerde herinventarisatie noodzakelijk, met toevoeging van een concordantie op de inventarisnummers van De Hullu en Waller Zeper. Specificaties van de inhoud van de registers van de akten zijn achter elke inventaris als bijlagen opgenomen. Bij alle oorkonden van vóór 1300 is een verwijzing opgenomen naar het betreffende oorkondenummer in het Oorkondenboek van het Sticht Utrecht (OSU) 1 . Het archief van de St. Stevensabdij is geïnventariseerd door C.A. van Kalveen en L.C. van Zetten. De inventarissen van de vier andere kloosterarchieven, de inleiding, de bijlagen en de indices zijn van de hand van C.A. van Kalveen. 1 Oorkondenboek van het Sticht Utrecht (OSU) 5 dln., S. Muller Fz., C.A. Bouman, K. Heeringa en F. Ketner (ed.) (Utrecht/Den Haag 1920-1959), dl. 1, nr. 481, 8-24 september 1174.. Voetnoot 2. Inventaris van het archief van het Wittevrouwenklooster te Utrecht 1384-1797 2.1. Organisatie 2.1.1. Priorin en zusters 1 Akte waarbij priorin Beatrijs Zoudenbalch en het Wittevrouwenconvent verklaren dat zij Lijsbeth van der Hair, dochter van Jan van der Hair Loefszone, als medezuster hebben aangenomen, en van Hildegont, weduwe van Jan van der Hair, een los- en lijfrente hebben ontvangen ten laste van de goederen en renten van wijlen Jan van der Hair, onder afstand door Lijsbeth van de verdere nalatenschap van haar ouders 1494 okt. 4 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1202 Oude Orde 2 Verzoekschrift van kapitein Jorien van Buchholtz aan de Staten van Utrecht om zijn dochtertje Henrica van Bucholtz, wonende bij jonkvrouwe Van Erp, conventuale van Utrecht van Wittevrouwen, met de eerst openvallende prebende in het Wittevrouwenconvent te begeven [ca. 1590] 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1203-b Oude Orde 3 Akte waarbij de prior van de Grande Chartreuse en het generaal kapittel van de kartuizerorde verklaren, dat zij Heylwich van der Hair, priorin, Gertruud van Zulen, keldermeesteres, en overige premonstratenzer zusters te Utrecht deelgenoot maken van de goede werken van de kartuizerorde vanwege hun toewijding aan de orde in het algemeen en aan het klooster Genadendal bij Brugge in het bijzonder 1518 mei 3 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1201 Oude Orde 2.1.2. Vicarie in de Wittevrouwenkerk 4 Akte van institutie door Johannes Slacheck, aartsdiaken van de dom, van Gherardus Wevell als vicaris in de Wittevrouwenkerk te Utrecht, 1534 mrt. 12, met aan de keerzijde akte van inbezitstelling door Lambert then Duenen, domkanunnik te Utrecht, van Walter Oeckel van Den Bosch, procurator van Gherardus Wevell 1534 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-1 Oude Orde 5 Akte van institutie door Cornelis van Mierop, aartsdiaken van de dom, van Bernard Hoynck als vicaris in de Wittevrouwenkerk te Utrecht, 1553 febr. 21, met aan de keerzijde akte van inbezitstelling door notaris Johannes Boelen van Bernard Hoynck 1553 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-2 Oude Orde 6 Akte van oprichting door Frederick van Gendt, vicaris in de dom, van een kapelanie of vicarie ter ere van Maria, St.-Maarten en St.-Frederik in de Wittevrouwenkerk, met inkomsten uit renten ten laste van het convent van Oudwijk, Thoenis Hermenssoen te Montfoort, en Adrijaen van Rijn, 1554 juni 25, met akte van bevestiging door bisschop Georg van Egmond van de stichting en begiftiging en benoeming van Gerardus Johannes van Blochoven tot vicaris, 1556 mrt. 13. 2 charters (getransfigeerd) Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1221 Oude Orde 2.2. Beheer 2.2.1. Utrecht 2.2.1.01. Algemeen 7 Akte van procuratie door vrouwe Geertruyt van der Borch en het Wittevrouwenconvent voor Johan Ram bij het Hof van Utrecht 1593 jan. 10 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1204 Oude Orde 8 Register van uitgifte van akten van erfpacht door de ridderschap van Utrecht van goederen van het Wittevrouwenconvent, met renversalen; Specificatie: Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1214 Oude Orde 9 Fragment van een register van akten van uitgifte in erfpacht door de ridderschap van Utrecht van goederen van het Wittevrouwenconvent, met renversalen 1759 1 katern Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-4 Oude Orde Specificatie: - Evert Versteeg, 30 roeden land bij de dijk te Westbroek, 1759 (1-3v) - Maria Diepgrond, een hoekje land met huis aan de Maartensdijk te Oostveen, 1759 (3r, 4r, 6r) - Willem Straalman, heer van Ruwiel, een halve hoeve land te Breukelerwaard, 1759 (4v-6r) NB 10 Fragment van een register van akten van uitgifte in erfpacht door de ridderschap van goederen van het Wittevrouwenconvent, met renversalen 1759 2 stukken Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-5 Oude Orde Betreft: - Maria Diepgrond, een hoekje land met huis aan de Maartensdijk te Oostveen, 1759 - Willem Straalman, een halve hoeve land in de Breukelerwaard, 1759 - Catharina Susanna Straalman, een halve hoeve land in de Breukelerwaard, 1759 NB 2.2.1.02. Benschop 11 Akten van uitgifte in erfpacht door de ridderschap van 4 morgen wei- en bouwland tussen de Benschopperwetering en de Kapelse landscheiding te Benschop, 1738, 1766, met renversalen 1738- 1766 3 stukken Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-7 Oude Orde Betreft: - Anthony Elbertsken van Rijn, 1738 - Anthony van den Hogen, 1766 NB 2.2.1.03. Breukelen Zie inv.nrs. 24-35 2.2.1.04. 't Gein 12 Akte van uitgifte in erfpacht door de ridderschap van Utrecht aan Cornelis Schalij van de helft van 4 morgen en 553 roeden land langs de Geindijk in het gerecht van het Gein, met renversaal 1774 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-9 Oude Orde 13 Akte van uitgifte in erfpacht door de ridderschap van Utrecht aan Isak Schaly van hierboven genoemd perceel in het Gein, met renversaal 1786 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-15 Oude Orde 2.2.1.05. Haarzuilens 14 Voorwaarden en akte van openbare verkoop door Jan Kol, rentmeester van de ridderschap van Utrecht, van 1 morgen vierjarig weerdenhout (hakhout) achter de hofstede te Themaat, bewoond door Jacob van Royen 1782 1 katern Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-8 Oude Orde 2.2.1.06. Houten 15 Akte van uitgifte in erfpacht door vrouwe Dorothea d'Averley en het Wittevrouwenconvent aan Herbert Hendrickszone van Schayck te Odijk van 2½ morgen land in de Delff te Loerik onder Houten 1623 april 26 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1217 Oude Orde 2.2.1.07. Jutphaas 16 Sententie van het Hof van Utrecht waarbij de weduwe van Cornelis Janssone van der Maath te Jutphaas en de ridderschap als bestuurders van het Wittevrouwenklooster worden verplicht aan Leonora d'Ablaing van Jutphaas tiend te betalen uit een hofstede te Jutphaas alvorens de eigen inkomsten daaruit te innen, 1681 mrt. 26, met aan de keerzijde berekening van de achterstallige tiendbetalingen over 1676-1680 en akte van kwijting, 1689. 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-g Oude Orde 2.2.1.08. Laag-Nieuwkoop Renversalen van de akten van uitgifte in erfpacht door Jacob van der Borch, erfgenaam van Maria Proeys, van 3 morgen land te (Laag-)Nieuwkoop 1701-1708 3 charters en 2 aangehechte stukken 17 Justus van Cuylenborgh, rentmeester van het Wittevrouwenconvent 1701 dec. 17 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1219-1 Oude Orde 18 Pieter van Nes, rentmeester van het Wittevrouwenconvent 1708 mrt. 2 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1219-2 Oude Orde 19 Pieter van Nes, rentmeester van het Wittevrouwenconvent, 1708 mrt. 2, met aan de keerzijde verklaring van ontvangst door Maria Elisabeth Agnes Foeyt, vrouwe van Emmeklaer, mede-erfgenaam nevens Agatha Margaretha Foeyt, van Jacob van der Borch, rentmeester van het Wittevrouwenconvent, van de jaarpacht over 1737, en aflossing van de erfpacht, 1738 en aangehechte akte van verkoop door Maria Elisabeth Agnes Foeyt, vrouwe van Emmeklaer, aan Pieter van Nes, rentmeester van het Wittvrouwenconvent, van de erfpacht uit 3 morgen land te Laag-Nieuwkoop, 1738, en aangehechte kwitantie van ontvangst door Pieter van Nes van de door Maria Foeyt verkochte erfpacht, 1738 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1219-3 Oude Orde 2.2.1.09. Maartensdijk 20 Akten van uitgifte in erfpacht door de ridderschap van Utrecht van 4 morgen land tussen de Maartensdijk en de Nieuwe Wetering te Oostveen, met renversalen 1738-1777 3 stukken Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-10 Oude Orde Betreft: - Rutger de Beer, 1738 - Willem de Beer, 1777 NB 21 Aantekening betreffende de heffing van vaste lasten op 4 morgen en 163 roeden land te Oostveen, verhuurd aan Jan Overzee [ca. 1790] 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-7 Oude Orde 22 Akte van uitgifte in erfpacht door de ridderschap van Utrecht aan Hendrik Gerritse van Dulmen van een hoekje land met huis aan de Maartensdijk te Oostveen, met renversaal 1761 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-6 Oude Orde 23 Akte van uitgifte in erfpacht door de ridderschap van Utrecht aan Goyerd Petersz. van Schaik van 18 morgen en 23 roeden land aan de Achterwetering bij de Hollandse Rading te Oostveen 1780 4 stukken Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-12 Oude Orde 2.2.1.10. Ruwiel Akten van verkoop en overdracht van 14 morgen wei- en hooiland aan de Breukelerwaardsedijk en de Nevenaarsweg te Breukelerwaard, waarvan een halve hoeve erfpachtgoed is van het Wittevrouwenconvent en van 2 morgen te Breukelen 1746-1759 2 charters en 1 stuk 24 Verkoop door Jan Woutersz. Koij en zijn vrouw Erkje van Spengen aan Abraham Straalman, 1746, met kwitantie en aan de keerzijde een verklaring door Elisabeth en Beatrix Verwey, erfgenamen van Elizabeth Marchand, weduwe van Dirck Woertman, dat zij de hypotheek die er sedert 1718 op rust vanwege een lening door Harmen van Kesteren aan Elizabeth Marchand aflossen 1746 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-a Oude Orde 25 Overdracht door Jan Woutersz. Koij en zijn vrouw Erkje van Spengen, Willem Verwey, raad in de vroedschap van Utrecht, gemachtigde van Marretje en Cornelia van Kesteren en Anna van Kesteren, erfgenamen van Harmen van Kesteren, aan Abraham Straalman 1746 juli 27 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-7 Oude Orde 26 Overdracht door Hendrik Jongbloed, mede-executeur-testamentair van wijlen Abraham Straalman, aan Willem Straalman, heer van Ruwiel, met aan de keerzijde berekening van de legesgelden 1759 sept. 8 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-10 Oude Orde Akten van uitgifte in erfpacht door de ridderschap van voornoemde halve hoeve land te Breukelerwaard 1694-1759 2 stukken en 8 charters 27 Willem Gijsbert Egmont van der Nijborgh van Weerdesteijn 1694 mrt. 5 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-3 Oude Orde 28 Hermen Jacobs 1699 nov. 29 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-4 Oude Orde 29 Aert Hermans van Kesteren 1735 mrt. 19 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-5 Oude Orde 30 Jan Woutersen 1738 april 14 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-6 Oude Orde 31 Jan Woutersen 1738 april 14 2 stukken Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-2 Oude Orde 32 Abraham Straalman 1746 aug. 22 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-8 Oude Orde 33 Catharina Susanna Straalman 1759, sept. 8 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-9 Oude Orde 34 Willem Straalman, heer van Ruwiel 1759 okt. 15 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-12 Oude Orde 35 Renversaal van de akte van uitgifte in erfpacht aan Willem Straalman 1759 okt. 15 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1222-11 Oude Orde 2.2.1.11. Schalkwijk Akten van uitgifte in erfpacht van 3 morgen land tussen de 'opslach' (strook grond) langs de Waalsewetering en de Schalkwijkerwetering te Schalkwijk, 1655-1779, met renversalen, 1779, 1787. 1 katern, 1 stuk en 1 charter 36 Wittevrouwenconvent aan Wilhelm Ploos van Amstel, raad in het Hof van Utrecht 1655 1 charter Handschriften RAU; inv.nr. 1565 Oude Orde 37 De ridderschap van Utrecht aan Aalbert van Erp, met renversaal 1779 1 katern Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-11 Oude Orde 38 De ridderschap van Utrecht aan Cornelia van Erp, echtgenote van Steven Stekelenburg, renversaal 1787 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-16 Oude Orde 2.2.1.12. Vleuten 39 Akte van uitgifte in erfpacht door priorin Mechtelt van Langheraer en het Wittevrouwenconvent aan Zweder van Denemarken (Demmerik) van 4 morgen land in de Harmelerwaard, 1384 dec. 23, afgelost. 1 charter Handschriften RAU; inv.nr. 1206 Oude Orde 40 Fragment van een kaart van drie percelen land bij de Oude Rijn te Vleuten, ingekleurd [ca. 1640] 1 blad Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1213 Oude Orde 41 Akte van uitgifte in erfpacht door de superintendenten van de vijf adellijke vrouwenkloosters aan Jan Gerritss. van Roien van een hofstede en erf van 1 hond en 1 roede land te De Meern 1668 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1218 Oude Orde 42 Verzoekschrift van Lammert Ligterink aan de ridderschap van Utrecht om uitgifte in erfpacht van een huis, erf en grond op de hoek bij de kerk van de Meern, ingewilligd 1791 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-9 Oude Orde 2.2.1.13. Vreeswijk 43 Verzoekschrift van de ridderschap van Utrecht aan het Hof van Utrecht om uitspraak te doen in de zaak tegen Willem Corsse aan de Vaart wegens achterstallige pacht, met opdracht aan de pander van het Hof van Utrecht tot dagvaarding van Willem Corsse en deurwaardersrelaas 1682 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1216 Oude Orde 2.2.1.14. Westbroek Akten van uitgifte in erfpacht door de ridderschap van Utrecht van een stukje land van 30 roeden met huis en overige opstallen bij de dijk te Westbroek, met renversalen 1781-1789 4 omslagen 44 Jacob Gerritsz. van Sijtvelt 1781 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-13 Oude Orde 45 Geertje Aartsdochter de Heus, echtgenote van Dirk Hendriksen en weduwe van Gerrit (van) Sijtveldt 1782 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-14 Oude Orde 46 Jacob van Zijtveld, renversaal 1789 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-17 Oude Orde 47 Nicolaas van Oostveen, renversaal 1789 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-18 Oude Orde 2.2.2. Holland 2.2.2.1. Algemeen 48 Vonnis van het Hof van Holland in het proces van priorin en Wittevrouwenconvent, de nonnen Wendelmoet Witten en Sophie van der Massche en twee jonge nonnen, dochters van wijlen Philips Claisz., eisers, tegen Willem Claesz., gedaagde, om hen in het ongestoorde bezit te laten van hun geërfde Hollandse goederen 1446 aug. 19 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1212 Oude Orde 2.2.2.2. Lexmond 49 Akte van uitgifte in erfpacht door de ridderschap van Utrecht aan Harmen Veen, oudste zoon van Aaltje Hendriks Spruytenhof, van 2½ morgen land op Cortenoever tussen de Achterwetering en de Lekdijk te Lexmond, 1773, met renversaal 1773 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1215-8 Oude Orde 2.3. Financiën 2.3.1. Rekening en verantwoording Rekeningen van de rentmeester 1597-1727 64 delen De rekening 1588-1589 bevindt zich in: archief St. Steven, inv.nr. 952. De rekeningen over 1683-1761 vindt men in: archief Mariëndaal, inv.nrs. 139-199, die over 1761-1797 (met appendix van de uitgaven tot 1799) in: archief St. Servaas, inv.nrs. 291-304. Voor de rekening van de algehele liquidatie en verkoop in 1797 zie: archief St. Servaas, inv.nr. 235. NB 50 1597-1598 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207 Oude Orde 51 1597-1598 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-bis Oude Orde 52 1598-1599 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-1 Oude Orde 53 1599-1600 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-2 Oude Orde 54 1600-1601 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-2-a Oude Orde 55 1601-1602 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-3 Oude Orde 56 1602-1603 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-3-a Oude Orde 57 1604-1605 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-4 Oude Orde 58 1605-1606 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-5 Oude Orde 59 1607-1608 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-5-a Oude Orde 60 1608-1609 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-6 Oude Orde 61 1610-1611 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-6-a Oude Orde 62 1611-1612 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-7 Oude Orde 63 1612-1613 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-7-a Oude Orde 64 1615-1616 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-8 Oude Orde 65 1616-1617 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-8-a Oude Orde 66 1617-1618 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-9 Oude Orde 67 1618-1619 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-9-a Oude Orde 68 1621-1622 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-10 Oude Orde 69 1622-1623 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-10-a Oude Orde 70 1625-1626 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-11 Oude Orde 71 1626-1627 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-11-a Oude Orde 72 1627-1628 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-12 Oude Orde 73 1628-1629 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-12-a Oude Orde 74 1628-1629 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-33 Oude Orde 75 1629-1630 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-13 Oude Orde 76 1631-1632 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-13-a Oude Orde 77 1633-1634 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-14 Oude Orde 78 1635-1636 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-14-a Oude Orde 79 1636-1637 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-15 Oude Orde 80 1637-1638 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-15-a Oude Orde 81 1640-1641 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-16 Oude Orde 82 1641-1642 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-16-a Oude Orde 83 1643-1644 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-17 Oude Orde 84 1644-1645 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-17-a Oude Orde 85 1645-1646 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-18 Oude Orde 86 1646-1647 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-18-a Oude Orde 87 1647-1648 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-19 Oude Orde 88 1648-1649 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-20 Oude Orde 89 1651-1652 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-21 Oude Orde 90 1652-1653 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-21-a Oude Orde 91 1653-1654 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-22 Oude Orde 92 1654-1655 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-22-a Oude Orde 93 1656-1657 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-22-b Oude Orde 94 1660-1661 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-23 Oude Orde 95 1661-1662 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-23-a Oude Orde 96 1662-1663 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-24 Oude Orde 97 1663-1664 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-24-a Oude Orde 98 1664-1665 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-25 Oude Orde 99 1665-1666 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-25-a Oude Orde 100 1666-1667 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-26 Oude Orde 101 1667-1668 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-26-a Oude Orde 102 1668-1669 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-27 Oude Orde 103 1669-1670 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-27-a Oude Orde 104 1670-1671 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-28 Oude Orde 105 1671-1672 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-28-a Oude Orde 106 1671-1672 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-a-2 Oude Orde 107 1672-1674 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-29 Oude Orde 108 1676-1677 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-29-a Oude Orde 109 1677-1678 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-30 Oude Orde 110 1679-1680 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-30-a Oude Orde 111 1680-1681 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-31 Oude Orde 112 1681-1682 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-31-a Oude Orde 113 1724-1727 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1207-a-3 Oude Orde Bijlagen bij de rekeningen 1640-1791 2 omslagen en 3 pakken 114 1640-1657 1 omslag Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-a Oude Orde 115 1703-1719 1 omslag Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-c Oude Orde 116 1781-1782 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-4 Oude Orde 117 1783-1784 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-5 Oude Orde 118 1790-1791 Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-6 Oude Orde Borderellen van de rekeningen 1737-1742 2 omslagen Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1209 Oude Orde 119 1737-1738 120 1740-1742 121 Lijst van de restanten van de inkomsten 1675-1681 op bevel van de superintendenten overgelegd door de erfgenamen van de gerechtelijke deurwaarder Gijsbert van Nijenrode aan Justus van Ewijck 1684 1 katern Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1210 Oude Orde 122 Mandaat van de ridderschap van Utrecht aan rentmeester Herman van Ewijck tot betaling van het glazen raam met het wapen van het convent in het huis naast de ridderschapskamer waar de pander kantoor houdt 1647 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-1 Oude Orde 123 Mandaat van de ridderschap van Utrecht aan rentmeester Herman van Ewijck om de kerkmeesters van de Geertekerk te betalen vanwege het zetten van een glazen raam in de Geertekerk met het wapen van het convent 1658 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-2 Oude Orde 124 Resolutie van de ridderschap van Utrecht waarbij rentmeester Jan Jacob Kol wordt opgedragen het traktement te betalen van Balthasar Constantijn van Lynden van Lunenburg als president van de ridderschap van Utrecht 1791 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-11 Oude Orde 2.3.2. Schulden en vorderingen 125 Akte van uitgifte van een losrente door vrouwe Geertruyt van der Borch en andere jufferen ten behoeve van Adriaentgen Adriaens weduwe van Jan Lievensz. van Schroyesteijn, in leven rentmeester van Wittevrouwen, vanwege een resterende schuld aan hem en zijn erfgenamen bij het sluiten van de rekening, onder hypotheekstelling van 3½ morgen land bij de Nieuwendijk buiten de Wittevrouwenpoort, 1583 okt. 5, aan de keerzijde verklaring van aflossing, 1615. 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-d Oude Orde 126 Akte van uitgifte van een losrente door vrouwe Geertruyt van der Borch en Wittevrouwenconvent ten behoeve van Aeffgen Philips Eelgissoensdochter, weduwe van Willem Peter Willemsz., vanwege een lening ter voldoening van de opgelegde oorlogslasten, onder hypotheekstelling van 4 morgen land tussen de Dorpsdijk en de Hoofdwetering te Oostveen, 1586 juli 31, aan de keerzijde verklaring van aflossing, 1615. 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-e Oude Orde 127 Akte van uitgifte van een losrente door Anthonis van Drielenborch, gemachtigde van vrouwe en convent van Wittevrouwen, voor Aeffgen Philips Eelgissoensdochter, weduwe van Willem Peter Willemszone, onder hypotheekstelling van 4 morgen land tussen de Dorpsdijk en de Hoofdwetering te Oostveen, 1587 april 26, aan de keerzijde verklaring van aflossing, 1606. 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-f Oude Orde 128 Akte van schuldbekentenis door Justus van Cuylenborgh, rentmeester van Mariëndaal, Vrouwenklooster en Wittevrouwen, wegens een lening van Elisabeth Verzeyll, weduwe van Jan Cyprianus van Ewijck, hoofdofficier van de stad Utrecht, 1751, afgelost, 1791. 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1208-10 Oude Orde 129 Akte van erfelijke losrente door Thijs Claess de Ridder, leidekker te Utrecht, en zijn vrouw Trijntgen Gerrits ten behoeve van het Wittevrouwenconvent vanwege een lening met als onderpand twee kameren in de Seebeecksteeg bij de Plompetoren aan de Nieuwegracht (Plompetorengracht) te Utrecht 1614 juli 12 1 charter Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1220 Oude Orde 2.3.3. Alimentatie 130 Kwitantieboek van de ontvangst door vrouwe en convent van Wittevrouwen van hun prebenden van rentmeester Anthonie van Drielenborch 1584 1 deeltje Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1211 Oude Orde 131 Resolutie van de ridderschap van Utrecht betreffende de verhoging van de prebenden van de conventualen Agnes van Riebeeck, Catharina van de Vecht, Johanna van Boucholt en Josina van Hattem 1619 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1203-a Oude Orde 132 Lijst van de jufferen van het Wittevrouwenconvent met opgave van de uitgekeerde prebenden, 1654. Uittreksel uit de rentmeestersrekening van Herman van Ewijck, 1647. 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1203 Oude Orde 133 Verzoekschrift van de vijf adellijke vrouwenkloosters aan het Provinciaal Bestuur van Utrecht om uitstel van de verkoop van de (voormalige) conventsgoederen, om hen in de gelegenheid te stellen hun recht op inkomsten uit de prebenden aan te tonen 1797. Gedrukt 1 stuk Kleine Kapittelen en Kloosters, inv.nr. 1205 Oude Orde 2.4. Bijlagen 2.4.1. Priorinnen, abdissen, vrouwen en prelatuurschappen van het Wittevrouwenklooster Ten dele ontleend aan: A. Buchelius, Monumenta passim in templis ac monasteriis Traiectinae urbis atque agri investa (1593) 227-233 (HUA, GAU-Bibl. nr. XXVIII-L-1); J.W.C. van Campen, 'Stichting en status van het Wittevrouwenklooster te Utrecht', Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland 17 (1975) 121-129. Elisabeth de Insula 1289 1290 Mechtildis de Weide (Van der Weyde) overl. 1366 Mechtelt van Langheraer 1384 Wendelmoet Witte overl. 1400 Hildegond van Papendorp begin 15e eeuw Heilwigis de Haes overl. 1427 of 1428 Hasa Proeys overl. 1429 Catharijne Langhen ca. 1435 Egberta van Vleuten 1439-1455 Wendelmoet Witte overl. 1462 Beatrix Zoudenbalch 1465-1494 Christina van Luttikenhuys 1504-1511 Jutta van Teylingen 1511-1514 Belia van de Voort overl. 1514 Heylwich van der Haer 1516-1528 Christina van Hardenbroek 1520 Alydt van Voirde 1533-1556 Catharina van Schoten Ysbrandsdochter, abdis 1556-1576 Geertruyt van der Borch, abdis 1576-1611 Dorothea d' Averly, vrouwe, abdis 1612-1669 Françoise Ruijs van Wayesteyn, vrouwe 1670-1712 Johanna Adriana van Renesse 1712-1762 Johanna Maria van Tuyll van Serooskerken 1763-1797 Niet in de chronologische lijst te plaatsen: Aleydis gravinne, priorin Clara van Lockhorst priorin Ermgardis de Weyde, priorin Sophia Kockarts, priorin Maria van Langeraec, priorin Hedwig de Wael van Vronesteijn, priorin 2.4.2. Rentmeesters (thesauriers) van het Wittevrouwenklooster Jacob Splinterss overl. 1476 Jan Zael 1568 Jan Lievensz. van Schroyesteyn vóór 1580 Anthonis van Drielenborch 1580-1610 Johan van den Bongaert 1 1588-1589 1 tevens rentmeester van St. Steven en Vrouwenklooster Voetnoot Vincent van Drielenborch 1611-1613 Johan van Ewijck (Joostensz.) 1613-1632 Herman van Ewijck 1633-1634 Herman van Ewijck namens Frederik van Baexen van Harmelen 1 1635-1638 1 tevens rentmeester van St. Servaas Voetnoot Herman van Ewijck 1639-1665 Johan van Ewijck, adjunct van zijn vader Herman van Ewijck 1655-1665 Justus van Ewijck 1665-1669 Alard van Ewijck 1 1669- 1672 1 tevens rentmeester van Mariëndaal en Vrouwenklooster Voetnoot Justus van Ewijck 1 1672- 1674, 1677-1682 1 tevens rentmeester van Mariëndaal en Vrouwenklooster Voetnoot Justus van Cuylenborch 1 1683-1707 1 tevens rentmeester van St. Steven, St. Servaas, Mariëndaal en Vrouwenklooster Voetnoot Pieter van Nes 1 1707- 1738 1 tevens rentmeester van Mariëndaal en Vrouwenklooster Voetnoot Justus van Cuylenborch 1 1738-1753 1 tevens rentmeester van Mariëndaal en Vrouwenklooster Voetnoot Jan Kol 1 1753-1786 1 tevens rentmeester van St. Steven, St. Servaas, Mariëndaal en Vrouwenklooster Voetnoot Jan Jacob Kol 1 1787-1797 1 tevens rentmeester van St. Servaas, Mariëndaal en Vrouwenklooster Voetnoot