Strafinrichtingen te Amersfoort

18-1 Strafinrichtingen te Amersfoort 1811 1890 W.B. Heins 18-1 Strafinrichtingen te Amersfoort Het Utrechts Archief Omschrijving Inventaris van het archief van het college van regenten over de gevangenissen te Amersfoort 1811-1890 Auteur W.B. Heins Datering toegang 1979 Openbaarheid Stukken die gegevens bevatten van nog levende personen slechts ter inzage voor wetenschappelijk onderzoek NB Voor dit archief geldt een aangepaste dienstverlening. Houdt u rekening met een aanvraagtijd van 5 werkdagen. Voor vragen en of problemen kunt u contact opnemen met mw. M.C. Breij, hoofd studiezalen (inlichtingen@hetutrechtsarchief.nl) Inleiding Geschiedenis van het strafstelsel De totstandkoming van de eenheidsstaat na de omwenteling van 1795 opende de mogelijkheid tot eenmaking van het recht en beindiging van de bestaande rechtsonzekerheid en -ongelijkheid. Het na lange voorbereidingen op 1 januari 1809 ingevoerde Crimineel Wetboek voor het Koninkrijk Holland bracht een voor die tijd zeer humaan en mild strafrecht en betekende een grote vooruitgang vergeleken met de tijd van vóór de omwenteling De doodstraf bleek weliswaar gehandhaafd, maar de wreedheid bij de tenuitvoerlegging werd zoveel mogelijk vermeden. Voor het eerst werd de gevangenisstraf in het zeer uitgebreide strafstelsel een plaats gegeven. Gevangenisstraf kon worden opgelegd voor een door de rechter te bepalen tijd, welke niet langer mocht zijn dan 20 jaar. Hoewel het slechts twee jaar van kracht is geweest, heeft het Crimineel Wetboek belangrijke invloed uitgeoefend op het nederlandse strafrecht en de strafwetgeving in de 19e eeuw. <br/> Over de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf werden in het Crimineel Wetboek regels gegeven. Er waren drie mogelijkheden: 1. De veroordeelde werd geplaatst in een afzonderlijk vertrek, afgescheiden van de andere gevangenen. Dit was de eenzame, later cellulaire opsluiting. 2. De veroordeelde werd geplaatst in de gewone vertrekken van de tuchthuizen of andere daarvoor geschikte plaatsen. Dit betekende dat de oude tuchthuizen, nu als gevangenis, in gebruik bleven. 3. De veroordeelde werd geplaatst in een afzonderlijk vertrek met de mogelijkheid bezoekers te ontvangen, voor zover de goede orde en de veiligheid van het huis dit toestonden. Het betrof hier dus een geprivilegieerde wijze van tenuitvoerlegging voor bevoorrechte personen, moeilijk te rijmen met de leuze van gelijkheid en broederschap. <br/> De tenuitvoerlegging van de straf bracht echter grote moeilijkheden met zich mee. Aan de bouw van nieuwe gevangenissen had men niet gedacht. Dit betekende enerzijds, dat als alternatief zeer vaak verbanning werd opgelegd, anderzijds dat de bestaande tuchthuizen overvol raakten, wat op zichzelf aanleiding gaf tot allerlei misstanden. Ten aanzien van de gevangenisstraf bleef er een diepe kloof tussen datgene wat in het Crimineel Wetboek was vastgelegd en datgene wat daar in de praktijk van terechtkwam. Bij dekreet van 6 januari 1811 werden de wetten en besluiten van het franse keizerrijk voor de ingelijfde nederlandse gewesten executoir verklaard. Daardoor werd in ons land de franse Code Pénal van 1810 van kracht in plaats van het Crimineel Wetboek. Deze vervanging betekende een grote achteruitgang. Het franse strafstelsel was zeer hard en de afschrikking speelde daarin een grote rol. In de Code Pénal waren drie vormen van vrijheidstraf voorzien: dwangarbeid, deportatie en plaatsing in een strafinrichting. De laatstgenoemde straf kon worden opgelegd door plaatsing in een tuchthuis voor bestraffing met tenminste vijf jaar en ten hoogste levenslang, plaatsing in een verbeterhuis voor bestraffing met tenminste zes dagen en ten hoogste vijf jaar en plaatsing in een gevangenis voor een straftijd van ten hoogste zes dagen. <br/> Na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 werd de Code Pénal voorlopig gehandhaafd, maar het was te verwachten dat er direkt pogingen werden ondernomen om te komen tot een eigen nationale wetgeving. Politieke ontwikkelingen hebben de totstandkoming van een eigen wetboek van strafrecht echter vertraagd. Dit betekende niet dat de Code Pénal ongewijzigd bleef. De doodstraf bleef weliswaar gehandhaafd, maar de scherpe exekutie werd afgeschaft. De dwangarbeid voor het leven werd vervangen door tuchthuisstraf voor ten hoogste 20 jaar, de tijdelijke dwangarbeid door tuchthuisstraf van ten hoogste 15 jaar. Dit betekende dat in het strafstelsel meer plaatst werd ingeruimd voor de vrijheidsstraf, maar deze accentverschuiving werd niet opgevangen door een behoorlijke organisatie en voldoende outillage van het gevangeniswezen. De oude tuchthuizen bleven in gebruik. Men was van oordeel, dat de gevangenissen zo weinig mogelijk moesten kosten en dat de produktie van de gevangenen zo hoog mogelijk moest worden opgevoerd, zodat het gevangeniswezen zichzelf zou kunnen bedruipen en liefst nog winst maken ook. Bij K.B. van 26 oktober 1821 werd een “Raad van administratie over de gevangenissen in het Koninkrijk” ingesteld. Bij K.B. van 4 november d.a.v. werd de aanwijzing van bepaalde gevangenissen voor bepaalde kategorieën van gedetineerden met de daarbij behorende gevangenisregimes geregeld. Het bleef echter te veel steken in het papieren stadium. De gevangenissen waren feitelijk staatsfabrieken en de gevangenisarbeid werd voor een groot deel benut om leger en vloot goedkoop te kleden en uit te rusten Omstreeks het midden van de 19e eeuw komt in Nederland de vraag aan de orde welk doel met de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, die een belangrijke plaats in het strafstelsel had verworven, werd beoogd. Tot dusver had men op de vraag, welke de uitwerking van de strafoplegging op de delinkwenten was, geen antwoord kunnen geven. De daarmee samenhangende wijze van tenuitvoerlegging had men tot nu toe slechts getoetst aan de maatstaven van uniformiteit en produktiviteit. Denkbeelden over strafexecutie, speciaal in Amerika en in Engeland, zijn van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de opvattingen hierover in Nederland. Men zag zich voor de vraag gesteld welk gevangenisstelsel voor ons land gekozen moest worden: het Pennsylvania-stelsel met zijn eenzame opsluiting, het Auburn-stelsel, waarbij de gevangenen niet volstrekte afzondering, maar wel een spreekverbod werd opgelegd, dan wel een van de progressieve stelsels, waarvan vooral het Ierse de meest aangewezen variant was. <br/> Zowel het stelsel van de afzonderlijke opsluiting als het progressieve Ierse stelsel had in Nederland zijn verdedigers. Het eerstgenoemde stelsel ondermeer in het Genootschap tot zedelijke verbetering van gevangenen, de oudste reklasseringsvereniging, opgericht in 1823. Het uitgangspunt daarbij was, dat vóór alles de nadelen van de ongeselekteerde gemeenschap voorkomen moest worden. De zedelijke verbetering van de gevangenen werd immers belemmerd door de invloeden van de slechte elementen in een gemeenschap. Afzonderlijke opsluiting zou dit onderlinge bederf voorkomen en mogelijkheden tot belnvloeding ten goede scheppen. Het Ierse stelsel heeft het moeten afleggen tegen het cellulaire stelsel, waarin men de steen der wijzen meende gevonden te hebben, Daarin, dacht men, zouden alle aspekten, die bij de strafoplegging en strafexekutie tot gelding dienden te komen, tot hun recht komen. De cel werkte immers afschrikwekkend, maar voorkwam tegelijkertijd onderlinge besmetting en maakte het mogelijk de gedetineerden individueel te verbeteren. Bovendien was het mogelijk door de cellulaire opsluiting de strafmaat nauwkeurig in overeenstemming te brengen met de mate van schuld, die de delinkwent door zijn misdrijf op zich genomen had. In 1847 begon men met de bouw van de eerste cellulaire strafinrichting te Amsterdam. De wettelijke bekrachtiging van het cellulaire stelsel volgde op 28 juni 1851. De positie van het celstelsel werd gekonsolideerd in het Wetboek van Strafrecht, dat in 1881 tot stand was gekomen en in 1886 werd ingevoerd. Onder invloed van nieuwe denkbeelden in de kriminologie (Lombroso, Manouvrier, Ferri en Aletrino) werd het celstelsel in het laatste kwart van de vorige eeuw steeds feller bekritiseerd. De cel stompte de gevangene af, de grauwe eentonigheid was de slechts denkbare sfeer om tot opvoeding te komen. Aletrino keerde zich niet alleen tegen de cel omdat die vervreemdt van het gewone leven, maar ook tegen de uniforme tenuitvoerlegging van de celstraf. In 1881 had men de cel juist aangeprezen wegens de mogelijkheden tot individuele verbetering der gevangenen. In de praktijk was daar echter weinig van terecht gekomen. Het celstelsel is tenslotte doorbroken in 1918. Het grote aantal tot vrijheidsstraf veroordeelden in de oorlogsjaren had een nijpend gebrek aan ruimte in de gevangenissen veroorzaakt. De wet van 22 november 1918, de zgn. Noodwet, bepaalde dat iedere gevangenisstraf in gemeenschap kon worden ondergaan. <br/> In 1946 stelde de minister van justitie een “Commissie voor de verdere uitbouw van het gevangeniswezen” in onder voorzitterschap van W.A.J.M. Fick, ten einde na te gaan, welke organisatorische maatregelen op het terrein van het gevangeniswezen en de reklassering, voor zover deze laatste in de strafinrichtingen plaatsvond, voor een goede en doelmatige tenuitvoerlegging voor vrijheidsstraffen gewenst waren. Deze kommissie bracht in 1947 rapport uit. De grondslagen van de daarin uiteengezette nieuwe opzet van het gevangeniswezen zijn met enige wijzigingen in 1951 vastgelegd in de nieuwe Beginselenwet Gevangeniswezen. Deze beginselenwet is met de Gevangenismaatregel, waarin een aantal onderdelen uit de wet nader is uitgewerkt, in 1953 van kracht geworden. Het is de wettelijke basis waarop de huidige tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen berust. De drie belangrijkste pijlers, waarop het huidige gevangenisstelsel is gebouwd, zijn: cel en gemeenschap, selektie en differentiatie, behoud van het karakter van de straf maar met gelijktijdige voorbereiding van de terugkeer in de samenleving. Het cellulaire stelsel wordt in de Beginselen wet niet aanvaard. Dit betekende echter niet, dat men terug wilde naar de nauwelijks geselekteerde gemeenschap met alle daaraan verbonden nadelen, Het ging om te komen tot een synthese. Artikel 11 van het wetboek van strafrecht zegt hierover: Gevangenisstraf wordt naar gelang van de persoonlijkheid van de veroordeelde in algehele of beperkte gemeenschap dan wel in afzondering ondergaan. De selektie van de gevangenen wordt na 1953 een essentieel punt. Degenen die storend of bedervend op de gemeenschap der gevangenen kunnen werken moeten daaruit verwijderd worden. Selektie, het onderbrengen der veroordeelden in verschillende kategorien, heeft alleen zin bij verschillende gevangenisregimes, waarbij elk regime is aangepast bij de kategorie gevangenen, bestemd voor die gevangenis. Naast de vraag “cel of gemeenschap” en het beginsel van “selektie en differentiatie” heeft de derde en wellicht belangrijkste pijler betrekking op het doel dat met de exekutie van de gevangenisstraf wordt beoogd. Artikel 26 van de Beginselenwet zegt: Met handhaving van het karakter van de straf of maatregel wordt hun tenuitvoerlegging mede dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer der gedetineerden in het maatschappelijk leven. <br/> Wettelijke regelingen 1811-1838 Tegelijkertijd met de invoering van de Code Penal werd het Arrêt sur l’organisation des prisons van kracht. Dit besluit regelde de organisatie van het gevangeniswezen. Er waren vijf typen gevangenissen in voorzien: 1. Maison de police municipale, gevestigd in elk van de distrikten der vrederechters. Het kon eventueel worden ondergebracht in een afgezonderd gedeelte van een maison d’arflt, Hierin werden ondergebracht de door de politierechter veroordeelde personen, verdachten en passanten. 2. Maison d’arrêt in ieder gemeentelijk arrondissement. Zij die een berechting door een korrektionele rechtbank of door het hof van assizen te wachten stond werden hier in ondergebracht. 3. Maison de justice, gevestigd in ieder departement. Hier werden de onder 2 genoemden ingesloten na hun veroordeling. 4. Maison de correction, minstens één in elk departement. Hierin werden ondergebracht korrektioneel veroordeelden, gegijzelden wegens schulden, onhandelbare kinderen en prostituées. 5. Maison de détention, vergelijkbaar met onze strafgevangenis. In het decreet van 20 oktober 1810 waren voor de zeven departementen drie vestigingsplaatsen aangewezen: Amsterdam, Groningen en Munster. Zij waren bestemd voor de tot meer dan één jaar veroordeelden. <br/> Het opzicht over de gevangenissen werd uitgeoefend door de prefekt, in wezen de onder-prefekt, van elk departement. De dagelijkse inspektie was opgedragen aan een conseil gratuit et charitable des prisons, naderhand kommissie of raad van weldadigheid genoemd. Deze was samengesteld uit vijf leden, door de minister op voorstel van de prefekt benoemd, onder voorzitterschap van de burgemeester. Toegevoegd lid waren ambtshalve de prokureurs van de keizer, later de officieren van justitie. In 1814 verscheen een Provistonele instruktie voor de kolleges van regenten over de gevangenissen in de Verenigde Nederlanden. De kommissies van weldadigheid werden omgezet in kolleges van regenten. In elke plaats met een of meer gevangenissen werd er één ingesteld, Voorzitter was de burgemeester. Overige leden waren de officier van de rechtbank en vijf personen met een roep van menslievendheid en die uit hoofde van hun beroep hiervoor extra gekwalificeerd werden geacht. Naast vele andere bezigheden diende men minstens eenmaal in de maand zitting te houden in de gevangenis voor het horen der ingeslotenen. 1838-1886 De reorganisatie van het gevangeniswezen van 1821, die overigens pas in 1838 van kracht werd, bracht de volgende veranderingen met zich mee. De gevangenissen werden onderverdeeld in drie klassen: 1. Huizen van correctie, bestemd voor de opname van korrektioneel gestraften tot meer dan 4 á 6 maanden gevangenisstraf. 2. Huizen van reclusie en tuchtiging, tot opsluiting van krimineel veroordeelden. Militairen die tot een onterende gevangenisstraf waren veroordeeld en niet meer in de militaire stand konden worden gehandhaafd werden eveneens hierin geplaatst. 3. Huizen van militaire detentie, bestemd voor militairen uitgezonderd de bovengenoemde kategorie. Behalve deze gevangenissen waren er: 4. Huizen van arrest. 5. Huizen van justitie. 6. Provoosthuizen. 7. Huizen van bewaring. <br/> De huizen van arrest, de huizen van justitie en de provoosthuizen dienden tot het in verzekerde bewaring stellen van personen die van misdaad of wangedrag werden beschuldigd. Waar de drie huizen in één en dezelfde stad voorkwamen werden zij zo mogelijk samengevoegd tot een burgelijk en militair huis van verzekering. Dit gekombineerde huis diende tevens voor burgelijke en militaire gevangenen, die tot minder dan 4-6 maanden waren veroordeeld en voor disciplinair gestrafte militairen. De huizen van bewaring, waartoe ook de maison de police municipale, maison de passage en maison de sûreté gerekend werden bleven dienen voor dezelfde doeleinden als vroeger. Gevangenen met een vonnis van maximaal één maand, gegijzelden wegens schulden en personen, op verzoek van de familie in hechtenis genomen wegens verkwisting of wangedrag werden eveneens hier ondergebracht. Onder de supervisie van het departement van justitie oefenden de provinciale gouverneurs toezicht uit over alle gevangenissen en huizen van bewaring in hun ressort. Iedere gevangenis werd door een kollege van regenten of, voor de grotere, door een kommissie van administratie bestuurd. Bij Koninklijk Besluit van 21 oktober 1822 werd een instruktie voor deze kolleges en kommissies vastgesteld. Ook de positie van het personeel werd geregeld. Het reglement van organisatie en bezoldiging van het personeel der gevangenissen, vastgesteld bij K.B. van 11 december 1822, gaf bepalingen over de samenstelling van het personeel. In de burgelijke en militaire huizen van verzekering was een cipier en per 75 man een knecht of bewaarder. De huizen van arrest kenden eveneens een cipier en verder een knecht of bewaarder, mits er minimaal tien gevangenen waren. De cipiers werden benoemd door de koning op voordracht van de minister van justitie en na voorafgaande nominatie door de gouverneur, Voor de overige posten doen de kolleges van regenten voorstellen aan de gouverneur. Vanaf 1856 heetten de cipiers in de huizen van verzekering in de hoofdplaatsen van de provincies direkteur, vanaf 1886 allen gestichtshoofden. Van 1816 tot 1823 ressorteerde het gevangeniswezen onder het departement van justitie. Daarvoor en van 1823 tot 1842 onder dat van binnenlandse zaken. Met ingang van 1 juli 1842 kwam het blijvend onder justitie. <br/> 1886-1953 Het nieuwe Wetboek van Strafrecht uit 1886 bepaalde in artikel 22: De Wet wijst de gestichten aan waar hetzij gevangenisstraf, hetzij hechtenis wordt ondergaan. De inrichting en het beheer van deze gestichten, de verdeling van de opbrengst van de verplichte arbeid, het onderwijs, de godsdienstoefeningen en de tucht worden naar beginselen bij de wet te stellen geregeld bij algemene maatregel van inwendig bestuur. Hier werd de grondslag gelegd voor de Beginselenwet van 14 april 1886 en de Algemene Maatregel van Bestuur van 31 augustus 1886. De gevangenissen werden onderscheiden in: 1. strafgevangenissen a. gewone strafgevangenissen, bestemd voor de tenuitvoerlegging van de burgelijke en militaire gevangenisstraf. b. bijzondere strafgevangenissen, bestemd voor de tot meer dan vijf jaren gevangenisstraf veroordeelden (te Leeuwarden voor mannen, te Rotterdam voor vrouwen); voor de veroordeelden tot drie maanden minimum, vijf jaren maximum, ouder dan 60 jaar of ongeschikt voor cellulaire opsluiting (te ‘s Hertogenbosch voor mannen, te Eindhoven voor vrouwen). 2. Huizen van bewaring, waarin opgenomen zij die straffen van hechtenis of van militaire detentie moesten ondergaan; zij, waarvan vastzetting, aanhouding, gevangenneming of gevangenhouding door het openbaar gezag is bevolen of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking geschiedt; doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen. 3. Passantenhuizen, bestemd tot verblijf van doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende gevangenen. Strafgevangenissen konden niet gelijktijdig dienen als huizen van bewaring of passantenhuizen. In ieder arrondissementshoofdplaats was een huis van bewaring en, waar nodig, een gewone strafgevangenis. Er zou nader worden bepaald op welke andere plaatsen huizen van bewaring of passantenhuizen zouden worden gevestigd. <br/> Volgens de Beginselenwet van 1886 berustte het opperbeheer van de gevangenissen en werkinrichtingen bij de minister van justitie. Het beheer was opgedragen aan een direktie onder de bevelen van een bestuur, kollege van regenten geheten, waarvan de leden door de koning werden benoemd. na 1953 In de Beginselenwet van 1951, welke in 1953 van kracht werd, worden de volgende strafinrichtingen onderscheiden: 1. Gevangenissen, bestemd tot opname van tot gevangenisstraf veroordeelden, in bijzondere gevallen van hen die hechtenisstraf of militaire detentie moeten ondergaan. 2. Huizen van bewaring, bestemd voor het uitzitten van hechtenisstraf of militaire detentie; tot opname van hen die krachtens rechterlijke uispraak of beschikking of door het openbaar gezag van hun vrijheid zijn beroofd, voor zover geen andere plaats voor hen is aangewezen; tot verblijf van doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen. Bovendien kunnen ook worden opgenomen veroordeelden met een werkelijke straftijd van niet meer dan drie maanden. Huizen van bewaring en gevangenissen zijn afzonderlijke gestichten. 3. Rijkswerkinrichtingen, bestemd tot opname van diegenen, die tot de bijkomende straf van plaatsing in een rijkswerkinrichting zijn veroordeeld. 4. Rijksasiels voor psychopaten. <br/> Het toezicht op de gestichten ressorteert onder het ministerie van justitie, waarvan de afdeling direktie gevangeniswezen speciaal met de zorg ervoor is belast. Het beheer van een gesticht is in handen van een direkteur, die tevens voorzitter is van de gestichtsraad. Deze raad, die tot taak heeft het adviseren van de direkteur, bestaat verder uit de adjunkt-direkteur het hoofd van de arbeid, de sociaal ambtenaar, het hoofd van de bewaking en de aan het gesticht verbonden geestelijke verzorgers, artsen en onderwijzers. Aan elk gesticht is een kommissie van toezicht toegevoegd, waarvan de leden worden benoemd door de minister van justitie voor een periode van vijf jaar. Deze kommissie oefent toezicht op alle aangelegenheden die het gesticht betreffen, in het bijzonder de behandeling van de gedetineerden en de naleving van de voorschriften. Zij kan advies uitbrengen aan de minister en de Centrale Raad van Advies en suggesties doen aan de direkteur. Zij bezit echter geen beslissingsbevoegdheid. Historisch overzicht In 1810 was de stadsgevangenis gevestigd in de Plompe- of Dieventoren in de Muurhuizen. Hier werden zij ondergebracht, tegen wie door de hoofdschout een criminele procedure was ingesteld. Na hun veroordeling werden de gevangenen overgebracht naar het tuchthuis in Utrecht. In de gevangenis waren drie vertrekken ingeruimd voor criminele gevangenen, een op de begane grond en een op de derde en vierde verdieping. Een kamer op de tweede verdieping diende als gijzelkamer. Op de begane grond bevonden zich nog een verhoorkamer en de dienstwoning van de cipier. Deze betaalde de kosten van onderhoud van de gevangenen, die hij bij de stad declareerde. Naast de Dieventoren was ook het oude stadhuis in de Krommestraat in gebruik als gevangenis. In 1799 had de stad dit gebouw teruggekocht en laten vertimmeren tot politie-gevangenis. Toen Amersfoort door het organisatiebesluit van koning Willem I in 1821 arrondissementshoofdstad was geworden en op grond daarvan een huis van arrest behoorde te herbergen, werd voorgesteld de beide gevangenissen te verenigen in de oude Dieventoren, die dan zou worden uitgebreid met de twee aangrenzende muurhuizen. Omdat deze gebouwen in een zeer slechte staat verkeerden werden plannen tot vertimmering en vergroting van de opnamecapaciteit gemaakt. In 1826 werd het werk aanbesteed en werden 16 cellen aangebracht in de twee naastliggende panden. In 1829 werd de politiegevangenis op het oude stadhuis in de Krommestraat opgeheven en overgebracht naar het verbouwde gevangeniscomplex in de Dieventoren. In 1839 waren twee cellen in gebruik als politiecellen. Er was ook een als katoenspinnerij ingerichte woning. Vanaf 1854 is er sprake van een geheel nieuwe gevangenis. Deze is er nooit gekomen. Wel werd door het Rijk in 1856 een overeenkomst met de gemeente aangegaan, waarbij de laatste de Doelen in de Heerenstraat (het vroegere S. Agnietenklooster) afstond in ruil voor het aan het rijk toebehoren huis van arrest. Het rijk wilde ter plaatse van de af te breken Doelen een nieuwe gevangenis bouwen. Maar gezien de onzekerheid in verband met de in voorbereiding zijnde herziening van de rechterlijke indeling werd vanaf 1865 toch weer het oude huis van arrest aan de Muurhuizen van de gemeente gehuurd voor 400 gulden 's jaars, waarbij het rijk zich verplicht de gebouwen te onderhouden. Een vertrek in het gebouw werd gereserveerd voor wanbetalers van geldboeten, die tot maximaal 3 dagen waren veroordeeld. Overigens zag men zich door de gebrekkige staat van het gebouw in vele gevallen genoodzaakt de gevangenen elders onder te brengen. Nadat in 1877 in verband met de opheffing van de provinciale gerechtshoven en de 11 arrondissementsrechtbanken het huis van arrest was omgezet in een huis van bewaring, volgde op 1 februari 1889 algehele opheffing en sluiting. Nadien heeft het gebouwencomplex aan de Muurhuizen nog lange tijd dienst gedaan als schuttersmagazijn. Archief en inventarisatie In 1973 en 1974 werden de archieven van de strafinrichtingen te Utrecht, omvang 22 m, aan het Rijksarchief overgedragen door de geneesheer-direkteur van het selektie-instituut en de direkteur van het huis van bewaring I. In 1979 en 1982 werden circa 8 m aanvullende archiefbescheiden overgedragen. Deze aanvulling bestond voor een belangrijk deel uit archivalia over de periode 1945-1951. In dat laatste jaar vond er een reorganisatie van het gevangeniswezen in Utrecht plaats. Vooruitlopend op de uitvoering van de Beginselenwet gevangeniswezen van 21 december 1951 SB 596, kreeg de strafgevangenis aan het Wolvenplein in dat jaar reeds de status van huis van bewaring I. Het oorspronkelijke huis van bewaring aan de Gansstraat, voortaan huis van bewaring II genoemd, behield formeel deze status, maar funktioneerde vanaf 1949 al als psychiatrische observatiekliniek. De Gevangenismaatregel van 23 mei 1953 SB 237, voortvloeiende uit genoemde Beginselenwet, bevestigde de nieuwe situatie. Behalve een chronologisch vervolg bevatte de genoemde aanvulling ook een aantal archiefbescheiden, daterend vanaf 1866, die in de bestaande inventaris R18 zou moeten worden geïntegreerd. Dat zou betekenen dat de aanvullingen middels een a-nummering moesten worden ingevoegd. Hier werd om verschillende redenen van afgezien. De grote omvang van het in te voegen gedeelte resulteerde in dit geval bijvoorbeeld in nummers als 533-mm. Dit werd een minder fraaie oplossing geacht, die bovendien verwarrend op de raadpleger van de inventaris had kunnen overkomen. Ook bleek het aanvullende gedeelte in vele gevallen moeilijk in te passen in het indelingsschema van de bestaande inventaris. Bovendien werd, vooral door de omvang der aanvullingen, een duidelijker beeld verkregen van de archiefstruktuur van de Utrechtse strafinrichtingen. Een en ander had tot gevolg dat bij de samenstelling van de aanvullingsinventaris R51 in 1987 besloten werd om het gedeelte van inventaris R18 dat betrekking had op de strafinrichtingen te Utrecht in zijn geheel te herzien. De herinventarisatie ervan hield in dat er behalve een nieuwe ordening tevens een nieuwe nummering werd gemaakt. De oude nummering kwam te vervallen. De nieuwe inventaris R51-11 (p.49-70) onderscheidde het kollege van regenten, de direkteur van de strafgevangenis en de direkteur van het huis van bewaring als afzonderlijke archiefvormers. Dit in tegenstelling tot de oorspronkelijke inventaris R18, die het geheel van archieven gevormd door een toezichthoudend kollege en de instellingen binnen één gemeente beschouwde als één komplex. Binnen elk van de drie hierboven genoemde archieven werd een ordening aangebracht die in grote lijnen dezelfde was als die in inventaris R18. Dit wil zeggen een verdeling in algemeen en bijzonder en een nadere onderverdeling in hulpmiddelen voor de uitvoering van de taak en uitvoering van de taak. In 1988 is een tweede aanvulling overgedragen, betrekking hebbende op de periode 1942-1978. Deze aanvulling, omvang 1,3 m, bestond uit archiefbescheiden van de strafinrichtingen te Utrecht en had geen betrekking op de strafinrichtingen te Amersfoort, Rhenen en Wijk bij Duurstede. Tenslotte zijn in hetzelfde jaar door het Rijksarchief in Groningen verscheidene archiefstukken (omvang 0,2 m), die aangetroffen werden in de groningse gevangenisarchieven, aan het Rijksarchief overgedragen. De archiefbescheiden hadden betrekking op de periode dat de inrichting aan het Wolvenplein door de Duitse Wehrmacht in gebruik was als Kriegswehrmachtgefängnis, en zijn vermoedelijk in Groningen terecht gekomen doordat de commandant van de gevangenis bij zijn overplaatsing van Utrecht naar Groningen de stukken heeft meegenomen. Literatuur Eggink, J.W., De geschiedenis van het nederlandse gevangeniswezen Assen 1958. Graaff, S.A.L. de, Inventaris van de archieven van de toezichthoudende colleges over de gevangenissen in Alkmaar, Haarlem 1977 tweede uitgave. Hallema, A., Geschiedenis van het gevangeniswezen, ‘s Gravenhage 1958. Rijksen, R., Achter slot en grendel, Alphen aan de Rijn 1972. Hazewinkel-Suringa, D., Inleiding tot de studie van het nederlandse strafrecht, Haarlem 1968. <br/> Bewerkingsgeschiedenis Het archief van de strafinrichtingen te Amersfoort is in 1979 beschreven in Inventarissen van de archieven van de toezichthoudende kolleges op de strafinrichtingen te Utrecht, Amersfoort, Rhenen en Wijk bij Duurstede 1811-1944 door W.B. Heins, als deel 18 in de serie gedrukte inventarissen van het Rijksarchief Utrecht. In 2010 is besloten het archief in een afzonderlijke toegang te beschrijven en de oorspronkelijke toegang enigszins te bewerken:<br/>- onder de Inleiding zijn de tekstonderdelen betreffende de strafinrichtingen te Utrecht, Rhenen en Wijk bij Duurstede vervallen Utrecht, 2010 Inventaris 1. Stukken van algemene aard 1.1. Notulen Notulen 1814-1890 1 pak, 2 delen en 2 omslagen 1 1814-1837 2 1839-1850 3 1851-1873 4 1873-1878 5 1886-1890 1.2. Correspondentie 6 Ingekomen stukken 1811-1814 1 omslag Ingekomen stukken en afschriften van uitgegane 1814-1888 17 pakken 7 1814-1817 8 1818-1822 9 1823-1825 10 1826-1830 11 1831-1835 12 1836-1838 13 1839-1840 14 1841-1842 15 1843-1845 16 1846-1847 17 1848-1849 18 1850-1851 19 1852-1853 20 1854-1855 21 1856-1857 22 1858-1859 23 1860-1888 Registers van afschriften van uitgegane stukken 1878-1889 1 deel en 1 katern 24 1878-1886 25 1886-1889 Agenda's van ingekomen- en uitgegane stukken 1834-1872 1 deel en 1 katern 26 1834-1850 27 1872 1.3. Verslagen 28 Jaarverslagen 1837-1872 1 omslag 1.4. Statistieken 29 Bewegingstaten der gevangenisbevolking 1827-1872 1 pak 30 Lijsten van gevangenen met vermelding van leeftijd, beroep, delikt, straf, godsdienst en andere gegevens 1839-1847 1 omslag 2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.1. Bestuursinrichting 2.1.1. Reglementen 31 Reglementen 1814-1887 1 omslag 2.1.2. Bestuur 32 Stukken betreffende benoeming en ontslag van leden van het kollege van regenten 1814-1874 1 omslag 2.1.3. Personeel 33 Stukken betreffende benoeming, ontslag en salariëring van cipiers 1814-1879 1 pak 34 Instructies voor de cipiers 1814-1878 1 omslag 35 Stukken betreffende benoeming, ontslag en salariëring van artsen 1814-1868 1 omslag 36 Stukken betreffende salariëring van de godsdienstonderwijzer 1854-1856 4 stukken 37 Stukken betreffende salariëring van de onderwijzer 1858-1859 5 stukken 2.1.4. Eigendommen 38 Stukken betreffende verbouwing, reparatie en onderhoud van het huis van arrest 1814-1858 1 pak 39 Akte van ruil tussen het kollege van regenten en burgemeester en wethouders van Amersfoort van het gebouw dienende tot huis van arrest, kad. sectie E 2684, tegen het gebouw en tuin, genaamd "De Doelen", kad. sectie E 2501, 2502 en 1599 bis, met bijbehorende korrespondentie 1854-1859 1 omslag 40 Huurkontrakten tussen het kollege van regenten en burgemeester en wethouders van Amersfoort van een gebouw met bijbehorende tuin in de Muurhuizen, kad. sectie E 2684, bestemd voor huis van bewaring 1878-1888 4 stukken 2.2. Uitvoering van de taak 2.2.1. Registratie 41 Inschrijvingsregister van korrektionele gevangenen in het "oude stadthuys" 1811-1812 1 deel Inschrijvingsregister van gevangenen in het huis van civiel arrest (politiehuis) 1817-1839 4 delen Dit register werd op 1 oktober 1839 vervangen door een register van bewaring. Zie nrs. 73-106 NB 42 1817-1822 43 1822-1828 44 1828-1836 45 1836-1839 Kontra-inschrijvingsregisters van gevangenen in het huis van civiel arrest (politiehuis) 1820-1839 2 delen Dit register werd op 1 oktober 1839 vervangen door een register van bewaring en politie. Zie nrs. 73-106 NB 46 1820-1838 47 1838-1839 Inschrijvingsregisters van gevangenen in het huis van arrest 1814-1839 22 delen Dit register werd op 1 oktober 1839 vervangen door een register van arrest en een register van straf. Zie nrs. 109-128 NB 48 1814 jul.-1814 nov. 49 1814 nov.-1815 feb. 50 1815 feb.-1815 jun. 51 1815 jun.-1815 okt. 52 1815 okt.-1816 jan. 53 1816 jan.-1816 jun. 54 1816 jun.-1817 jan. 55 1817 jan.-1817 jun. 56 1817 jun.-1818 apr. 57 1818 apr.-1819 aug. 58 1819 aug. -1820 okt 59 1820 okt. -1822 sep. 60 1822 sep. -1824 jun. 61 1824 jun. -1826 mei 62 1826 mei -1827 jun. 63 1827 jun. -1828 okt. 64 1828 okt. -1830 feb. 65 1830 feb. -1831 okt. 66 1831 okt. -1833 aug. 67 1833 aug. -1836 jan. 68 1836 jan. -1837 dec. 69 1837 dec. -1839 aug. Contra-inschrijvingsregisters van gevangenen in het huis van arrest 1816-1839 3 delen Dit register werd op 1 oktober 1839 vervangen door een register van arrest en een register van straf. Zie nrs. 109 e.v. en 114 e.v NB 70 1816-1818 71 1818-1837 72 1837-1839 - Register van militairen, veroordeeld tot garnizoensprovoost 1827-1839 Bevindt zich in nr. 71 NB - Register van gevangenen, die in het huis van bewaring werden ingebracht 1839-1841 Dit register was bestemd voor de rapporten, die wekelijks aan de procureur-generaal bij het provinciaal gerechtshof te Utrecht behoorden te worden ingezonden. Bevindt zich in nrs. 45 en 69 NB Inschrijvingsregisters van gevangenen in het huis van bewaring 1839-1888 34 delen 73 1839 okt. -1841 jul. 74 1842 jan. -1842 dec. 75 1843 jan. -1844 apr. 76 1844 apr. -1846 dec. 77 1846 dec. -1847 dec. 78 1847 dec. -1849 jul. 79 1849 jul. -1851 sep. 80 1851 sep. -1853 jul. 81 1853 jul. -1855 dec. 82 1855 dec. -1858 dec. 83 1858 dec.-1862 aug. 84 1862 aug. -1864 feb. 85 1864 feb. -1866 feb. 86 1866 feb. -1867 okt. 87 1867 okt. -1869 mei 88 1869 mei -1871 jan. 89 1871 jan. -1873 apr. 90 1873 apr. -1875 apr. 91 1875 apr. -1877 jan. 92 1877 jan. -1878 dec. 93 1878 dec. -1879 sep. 94 1879 sep. -1880 sep. 95 1880 sep. -1881 dec. 96 1881 dec. -1882 okt. 97 1882 okt. -1883 mrt 98 1883 mrt. -1883 okt. 99 1883 okt. -1884 mei 100 1884 mei -1834 dec. 101 1884 dec. -1885 sep. 102 1885 sep. -1886 mrt. 103 1886 mrt. -1886 aug. 104 1886 aug. -1887 jan. 105 1887 jan. -1887 sep. 106 1887 sep. -1888 jan. 107 Inschrijvingsregister van gevangenen in het huis van bewaring, waarin niet opgenomen zijn de voorlopig aangehoudenen 1888 1 deel 108 Inschrijvingsregister van de voorlopig aangehoudenen in het huis van bewaring 1888 1 deel - Registers van gevangenen, die in het huis van arrest en de strafgevangenis werden ingebracht 1839-1842 Dit register was bestemd voor de rapporten die wekelijks aan de procureur-generaal bij het provinciaal gerechtshof te Utrecht behoorden te worden ingezonden. Bevindt zich in nrs. 47 en 72 NB Inschrijvingsregisters van gevangenen in het huis van arrest 1839-1877 5 delen 109 1839-1842 110 1843-1853 111 1853-1862 112 1862-1871 113 1871-1877 Inschrijvingsregisters van gevangenen in de strafgevangenis 1839-1880 15 delen 114 1839 sep. -1841 apr. 115 1841 apr. -1842 dec. 116 1843 jan. -1849 mrt. 117 1849 apr. -1853 mrt. 118 1853 mrt. -1854 okt. 119 1854 okt. -1856 feb. 120 1856 mrt. -1858 mrt. 121 1858 mrt. -1861 feb. 122 1861 feb.-1861 sep. 123 1861 sep. -1863 apr. 124 1863 apr. -1866 okt. 125 1866 okt. -1870 jun. 126 1870 jun. -1873 aug. 127 1873 aug. -1876 dec. 128 1876 dec. -1880 aug. Inschrijvingsregisters van gevangenen in het provoosthuis 1839-1868 3 delen 129 1839-1845 130 1845-1850 131 1850-1868 Signalementsregisters 1843-1868 6 delen 132 1843-1845 133 1845-1846 134 1846-1850 135 1853-1855 136 1855-1858 137 1858-1868 2.2.2. Arbeid Registers van ontvangen en uitgegeven gelden van gevangenen in het huis van arrest 1865-1876 2 delen 138 1865-1869 139 1875-1876 2.2.3. Kleding Magazijnboeken van kleding- en liggingstukken voor gevangenen en personeel in het huis van arrest 1871-1877 3 delen 140 1871-1874 141 1875-1877 142 1875-1877 Bewegingstaten van de kleding- en liggingstukken 1836-1859 2 pakken 143 1836-1847 144 1848-1859 2.2.4. Voeding Kontrakten van aanbesteding van het onderhoud van de gevangenen 1814-1874 2 pakken 145 1814-1840 146 1841-1874 Staten van de verpleegde gevangenen 1833-1875 4 pakken 147 1833-1845 148 1846-1851 149 1852-1856 150 1857-1875 151 Staten van verpleegde behoeftige kinderen van gevangenen 1829-1857 1 omslag 152 Staten van verpleegde gegijzelden om schulden 1844-1859 1 omslag

Archieven

Ga naar