Memories van successie, kantoren in de provincie utrecht 1903-1927

656 Memories van successie, kantoren in de provincie utrecht 1903-1927 1903 1927 K. van Vliet 656 Memories van successie, kantoren in de provincie utrecht 1903-1927 Het Utrechts Archief Toegangstitel Inventaris van het archief van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht, 1903-1927 Auteur K. van Vliet Datering toegang 2000 Openbaarheid Volledig openbaar Rechtstitel Overbrenging van een overheidsarchief 1.6.2 Financiën Rubrieken Financiën Categorie Eigendom, bezit en belastingen Categorie Inleiding Algemeen Met ingang van 1 januari 1806 werd in de toenmalige Bataafse Republiek een landelijke uniforme regeling ingevoerd voor het heffen van een belasting op het verkrijgen door vererving: de belasting op het recht van successie. Vanaf dat jaar hebben voor deze belasting voortdurend landelijke regelingen gegolden en kunnen we spreken van een rijksbelasting. Daarbij kan qua regeling en/of organisatie een viertal perioden worden onderscheiden, te weten: 1806-1811, 1812-1813, 1814-1817 en 1818-1927. 1806-1811 De 'Ordonnantie eener Belasting op het Recht van Successie, alomme in het Bataafsche Gemeenebest in te vorderen' van 4 oktober 1805 regelde dat over het saldo van elke nalatenschap binnen de Republiek een belasting van tien procent geheven zou worden. Onder het saldo werd verstaan de contante waarde van de gehele nalatenschap op het ogenblik van overlijden, onder aftrek van de op dat moment bestaande schulden en de begrafeniskosten. Een nalatenschap binnen de Republiek werd gedefinieerd als de nalatenschap van elke inwoner van de Republiek, de nalatenschap van elke ex inwoner van de Republiek, voor zover die nalatenschap zich binnen de Republiek bevond, en de nalatenschap van elke binnen de Republiek overleden persoon, die blijkbaar geen vaste woonplaats elders had. Belastingplichtig was een ieder die iets uit de nalatenschap verkreeg voor zijn aandeel. Op deze regels werden een aantal uitzonderingen gemaakt, waarvan de belangrijkste als volgt luiden:<br/>- vererving in rechte neergaande lijn (kinderen van ouders, kleinkinderen van grootouders, enz.) en vererving door ouders van hun kinderen werden vrijgesteld van belasting; overige vererving in de tweede graad (broers van zusters, grootouders van kleinkinderen) werd belast met vijf procent;<br/>- overige vererving in de derde graad (neven/nichten van ooms/tantes en omgekeerd) werd belast met zeven en een half procent;<br/>- wanneer het saldo van de nalatenschap minder dan driehonderd gulden bedroeg, werd de belasting kwijtgescholden. De vaststelling van de belasting werd opgedragen aan de zogeheten 'Gequalificeerde tot de directie der invordering van de Belasting op het Regt van Successie', meestal de secretaris van het plaatselijk bestuur. Aangifte diende te geschieden bij de gekwalificeerde ter plaatse van het sterfhuis, dat wil zeggen daar waar de overledene zijn vaste woonplaats had. Indien deze woonplaats buiten de Republiek lag, diende aangifte plaats te vinden waar het merendeel der nagelaten goederen zich bevond. De Ordonnantie bleef met enige kleine wijzigingen van kracht tot en met 31 december 1811, waarna hij vervangen werd door de Franse wetgeving op dit gebied, met dien verstande dat nalatenschappen opgevallen voor 1812 afgehandeld werden volgens de bepalingen van de Ordonnantie. 1812-1813 Met ingang van 1 januari 1812 gold voor het gehele grondgebied van het voormalige Koninkrijk Holland de volledige Franse wetgeving, dus ook die terzake van belastingheffing op nalatenschappen. De Franse wetgeving kende geen belasting op het recht van successie zoals de Ordonnantie van 1805. Wel bestond er een recht van (belasting op) overgang van onroerend goed, gekoppeld aan de registratie van de overgang. Hieronder viel ook de overgang door overlijden. Deze heffing was niet gebaseerd op het saldo van de nalatenschap, maar op de waarde van het individuele onroerende goed. De registratie van de overgang en de betaling van het recht diende plaats te vinden bij de Dienst der Registratie en Domeinen en wel bij het kantoor onder welks ressort het goed was gelegen. De kantoorindeling van de dienst werd voor elk departement door de Prefect bekend gemaakt: het ressort van elk kantoor omvatte een of meer kantons. 1814-1817 Na de restauratie in 1813 werd bij Soeverein Besluit van 23 december 1813, nummer 90, Staatsblad 17, besloten dat het recht van overgang door overlijden per 1 januari 1814 verviel en dat met ingang van die datum de Ordonnantie van 1805 weer zou gelden wat betreft de belastingheffing op nalatenschappen. De organisatie werd echter ingrijpend gewijzigd. In plaats van een gekwalificeerde in elke gemeente (soms voor enkele gemeenten samen) werden zogeheten regulateurs aangesteld, elk belast met de vaststelling van de successiebelasting in één of meer kantons (ingesteld bij de inlijving bij Frankrijk in 1811 en min of meer gehandhaafd na de Restauratie). De indeling van de ressorten der regulateurs werd wat betreft Holland vastgesteld bij Soeverein Besluit van 19 april 1814, nummer 176. In dit besluit werden geen plaatsen genoemd, maar enkel kantons. Bij onderzoek in de stukken bleek dat de kantonindeling niet meer geheel dezelfde was als in de periode 1812 1813. In 1816 werd een nieuwe regeling ten aanzien van de heffing van een successiebelasting in het vooruitzicht gesteld die moest ingaan op 1 januari 1817. Tevens werd vastgesteld dat de dan geldende regeling in 1816 nog van toepassing zou blijven in de noordelijke provincies. De nieuwe regeling kwam echter pas in december 1817 tot stand en werd ingevoerd per 1 januari 1818. In het jaar 1817 werd derhalve geen successiebelasting geheven, dat wil zeggen op de nalatenschappen van in dat jaar overledenen. Nalatenschappen van overleden personen voor 1817 werden nog afgehandeld volgens de oude regeling. 1818-1927 Op 27 december 1817 werd de in 1816 al in het vooruitzicht gestelde 'Wet tot het heffen eener belasting onder den naam van regt van successie' afgekondigd. Het recht van successie zou geheven worden over nalatenschappen van ingezetenen des Rijks. Als ingezetene des Rijks werd beschouwd degene die zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen binnen het Rijk gevestigd had. Voor de vaststelling van de heffing werd evenals in de Ordonnantie van 1805 uitgegaan van het saldo van de nalatenschap: de contante waarde (voor zover nodig getaxeerd) op het moment van overlijden onder aftrek van de dan bestaande schulden en de begrafeniskosten. Ieder der erfgenamen was aansprakelijk voor het recht van successie over zijn aandeel in de nalatenschap. Vererving in rechte lijn werd vrijgesteld en alles wat geërfd werd uit een nalatenschap waarvan het saldo niet meer bedroeg dan driehonderd gulden. Bij dezelfde wet werd een recht van overgang geregeld, dat geheven zou worden over onroerende goederen gelegen binnen het Rijk, die geërfd werden van een niet ingezetene des Rijks. Dit recht van overgang werd geheven over de waarde van het onroerende goed, zonder aftrek van schulden terzake daarvan bestaand. De heffingen zouden plaatsvinden over nalatenschappen van personen overleden na 31 december 1817. De wet van 1817 is daarna nog enige malen gewijzigd. De meeste wijzigingen waren niet van principiële aard en betroffen de tarieven of hielden nadere bepalingen in ter voorkoming van ontduiking dan wel ter verduidelijking van passages die aanleiding gaven tot processen. In 1859 werd een nieuwe wet op het recht van successie afgekondigd, maar ook deze bracht geen principiële vernieuwing. Pas in 1878 kwam een inhoudelijke wijziging van de regeling tot stand: in het vervolg zouden ook nalatenschappen in rechte lijn aan het recht van successie onderworpen zijn, mits het saldo groter was dan duizend gulden. Ook voor de onderzoeker is deze wijziging van belang, aangezien vanaf dat moment ook over deze nalatenschappen gedetailleerde gegevens worden aangetroffen. De vaststelling en inning van het recht van successie en van overgang werd in de wet impliciet opgedragen aan ambtenaren van het recht van successie. Hier wordt deze functionaris, in navolging van latere terminologie, aangeduid als ontvanger van de successie. Of gedurende de gehele periode 1818 1927 sprake is geweest van een aparte ontvanger van de successie is niet geheel duidelijk. Reeds in 1818 werden de werkzaamheden terzake van het recht van successie en van overgang gevoegd bij die van de zegel , registratie , griffie , hypotheek en transscriptierechten, kortweg aangeduid als de dienst registratie. De verbinding registratie en successie is blijven bestaan tot op de dag van vandaag. Het precieze verloop van de gebeurtenissen op het vlak van de organisatie bij de dienst registratie en successie kan hier verder buiten beschouwing blijven gezien de geringe invloed ervan op de archiefvorming. De wet van 1817 sprak van kantoren van de ambtenaren van het recht van successie en van ressorten van die kantoren, zonder expliciet de omvang van die ressorten aan te geven. Bij de samenvoeging met de dienst registratie werd de kantoorindeling van die dienst ook van toepassing voor de successie, zij het onder het expliciete voorbehoud dat terzake van de successie andere ressorten konden worden vastgesteld. Van een dergelijke vaststelling is echter voor de provincie Holland, zuidelijk gedeelte, niets gebleken. Maar ook de kantoorindeling van de dienst der registratie was na de Restauratie in 1813 niet expliciet vastgesteld. Waarschijnlijk heeft men de voor deze dienst bestaande indeling uit de periode van inlijving bij Frankrijk, gebaseerd op de indeling in kantons, overgenomen, zij het met enkele wijzigingen in de kantonindeling, zoals uit de stukken is gebleken. Pas in 1842 werd een expliciete kantoorindeling gemaakt voor de kantoren van de registratie en successie, in verband met de nieuwe wet op het notariaat. Deze gegevens zijn aangevuld met de gegevens uit een tienjaarlijkse steekproef in de stukken van de ontvangers zelf en uit dat geheel is een kantoorindeling voor de periode 1818 1927 opgesteld. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de archivistische gevolgen van de overgang van een gemeente van het ene kantoor naar het andere niet altijd dezelfde zijn. Wanneer het oude kantoor werd opgeheven treft men in het algemeen de stukken betreffende nog lopende zaken op het tijdstip van overgang bij het nieuwe kantoor aan. Bleef het oude kantoor echter bestaan, dan werden daar gewoonlijk de nalatenschappen van personen overleden vóór de overgang afgehandeld. In de kantoorindeling is niet per geval aangegeven hoe de overgang verliep. In het algemeen kan men van de bovenstaande regels uitgaan. In de periode van 1900 tot en met 1927 onderging de Successiewet van 1859 de nodige wijzigingen en aanvullingen. De wet van 22 mei 1911 (Stbl. nr. 132) betrof nadere regelingen van de rechten van successie en van overgang bij overlijden. Om de opbrengst der belasting te vermeerderen werden de tarieven herzien. Dit gebeurde volgens het nieuw beginsel der progressie. Tegelijkertijd werden de vrijstellingen voor minderjarige kinderen verruimd. Verder werden de heffing van opcenten (1841) en het recht van overgang op effecten afgeschaft. Tenslotte werden de bepalingen betreffende de eedsaflegging herzien. Op 6 maart 1915 werd het recht van overgang op onroerend goed verminderd (Stbl. nr. 143). De gevolgen van de Eerste Wereldoorlog voor de Nederlandse schatkist resulteerden op 20 januari 1917 (Stbl. nr. 189) in de meest ingrijpende en grondige herziening van de Successiewet van 1859. Voortaan werden ook de schenkingen onder de levenden belast. In navolging van het buitenland gebeurde dit tevens met de inkomsten uit levensverzekeringen. Bij de wet van 23 mei 1917 (Stbl. nr. 436) werden waarborgen gesteld om te regelen dat buitenlandse verzekeraars de hun bij Successiewet opgelegde verplichtingen konden nakomen. Omdat financiële gevolgen van de Eerste Wereldoorlog bleven voortduren, werden de tarieven op 10 juni 1921 (Stbl. nr. 779) aanmerkelijk verhoogd. Verder werd onder meer bepaald dat de echtgenoot zonder kinderen gelijk gesteld werd met die met kinderen. Op 2 juli 1923 kreeg de Kroon, vanaf 1926 de Minister van Financiën, de bevoegdheid om in bijzondere gevallen het successierecht te verminderen of kwijt te schelden (Stbl. nr. 309). Drie jaar later had op 28 december 1926 (Stbl. nr. 429) opnieuw een ingrijpende wijziging van de Successiewet plaats. Allereerst werden de tariefverhogingen van 1921 op 28 december 1926 met vijftig procent verminderd. Verder betrof het onder meer bepalingen met een regeling van het ondernemingsbeding, een nieuw tarief voor in het algemeen belang werkzame rechtspersonen, bepalingen omtrent pleegkinderen, een verruiming van vrijstelling voor werknemers en hun relaties en een uitbreiding voor het begrip levensverzekeringen (zie hiervoor bij 1917). Enkele maanden later werd op 21 juli 1927 (Stbl. nr. 257) een wijziging doorgevoerd inzake de omschrijving van schulden in de aangifte en behandeling van legaten, die zogenaamd 'vrij van recht' waren. Inhoud De memorie vermeldt in ieder geval de namen van de erfgenamen en degenen aan wie iets is nagelaten, bijvoorbeeld in de vorm van een legaat of donatie. Daarbij wordt aangegeven wat de verwantschap tussen hen en de overledene is. Voor genealogen is dit een goede bron van informatie. Verwanten worden met naam, toenaam, beroep, functie en verblijfplaats genoemd. Ook blijkt uit iedere memorie of er een testament of huwelijkscontract was. Dat kan invloed hebben op de verdeling van de erfenis. Als er een testament of huwelijkscontract is, dan is de datum ervan, de notaris die ze heeft opgemaakt en zijn vestigingsplaats vermeld. Bij de archiefdienst waar de akten van die notaris worden bewaard kunt u die stukken gemakkelijk opvragen. Memories van successie zijn dus een goed middel om dergelijke notariële akten te achterhalen. Een memorie omvat een opsomming van de nagelaten onroerende goederen. Aard, grootte en ligging van ieder goed wordt vermeld. Ook de waarde ervan wordt aangegeven (voor 1878 alleen als er belasting moest worden betaald). Gedetailleerde gegevens over verdere bezittingen zijn alleen opgenomen wanneer er successierecht moest worden betaald. Dat was het geval als de erfenis, na aftrek van schulden, meer dan 300 gulden waard was. Voor 1878 hoefde men geen belasting te betalen als er alleen erfgenamen in rechte lijn (kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen) waren. Vanaf 1878 waren ook de erfgenamen in rechte lijn belast, maar alleen als de erfenis (na aftrek van schulden) meer dan 1000 gulden bedroeg. Het aantal memories met een gedetailleerde beschrijving van de erfenis is dus 1878 een groot stuk groter dan daarvoor. Als er successierecht moest worden betaald, is in de memorie ook de waarde van andere bezittingen opgesomd. Bijvoorbeeld de inboedel, handelswaren, contanten, banksaldi, erfpachten, grondrenten, lijfrenten, effecten, belangen in andere ondernemingen en inkomsten als loon, pacht, huur en renten. Ook werd vermeld wat en van wie de overledene iets te vorderen had of aan wie hij nog schulden had en hoe groot die waren. Vindplaats Net als in de meeste provincies werd ook in Utrecht al in de periode 1806-1817 successiebelasting geheven. Het grootste deel van de memories uit die periode wordt ook in de (voormalige) rijksarchieven bewaard. In de jaren 1812 en 1813 gold de belasting alleen voor onroerend goed. De memories die in de periode 1817-1922 zijn opgemaakt worden in de rijksarchieven bewaard. De belastingkantoren hebben de memories van successie die bij hen zijn ingeleverd overgedragen aan het rijksarchief in hun provincie. Een memorie van successie is te vinden, als u weet waar en wanneer iemand is overleden. De memorie bevindt zich in het rijksarchief van de provincie, waarin de plaats ligt waar de persoon is overleden. De memories worden bewaard per belastingkantoor. Er zijn lijsten aanwezig waarop te zien onder welk belastingkantoor de gezochte plaats valt. Soms verschilt dat per periode. Om de betreffende memorie te vinden moet u de datum van overlijden weten, in ieder geval het jaar. Daarbij is het belangrijk of iemand voor of na 1856 is overleden. <br/> Had iemand onroerend goed, dan is er altijd een memorie. Is er geen onroerend goed, dan ontbreekt de memorie van successie:<br/>- als de erfenis minder dan 300 gulden waard was - als er alleen erfgenamen waren in rechte lijn<br/>Vanaf 1878 geldt dit alleen bij nalatenschappen die minder dan 1000 gulden waard waren. Nadere toegangen Tafels V-bis en VI Tafel V-bis is een alfabetische klapper op de achternaam van de overledene. Ze zijn er alleen voor de periode ná 1856. Met deze tafel kunt u vaststellen:<br/>- of er wel een memorie is opgesteld. In kolom 10 of 11 of 12 (afhankelijk van de periode) staat een datum<br/>- of er successierechten verschuldigd zijn geweest. Bij deze datum staat dan ook nog een bedrag welk nummer de memorie heeft. Het nummer in kolom 2 (register nr. 4) komt namelijk overeen met het nummer op de memorie en memories liggen op nummer<br/>- of er een testament is gemaakt en-in dat geval-de datum en de naam van de notaris Tafel VI is een alfabetische klapper op testamenten. Met behulp van deze tafel vindt u de datum van een testament. In de periode 1818-1855 werd nog niet met Tafels V-bis gewerkt. De memories zijn wel per kantoor per jaar geborgen, maar de verdere volgorde daarbinnen verschilt nogal. De memories werden soms geborgen op datum van overlijden en soms op datum van aangifte of van afhandeling. Binnen de memories van successie van één jaar moet dus vaak gezocht worden. Dikwijls zijn er voor de memories van een bepaalde periode verklaringen van onvermogen (VVO of CVO) opgenomen. Van degene voor wie zo'n verklaring is opgemaakt, zal over het algemeen geen memorie te vinden zijn. Voor de periode vanaf 1856 zijn de tafels terug te vinden via de toegang op de memories van successie. Hierin is te vinden onder welk belastingkantoor de woonplaats van de overledene viel. Zoek in de toegang op de memories onder het betreffende belastingkantoor de Tafel V-bis van het jaar van overlijden. Tafels V-bis zijn de registers waarin per kantoor en per jaar de overledenen alfabetisch op achternaam werden ingeschreven.<br/>Kijk of de memorie bewaard is gebleven. Als in kolom 10 van tafel V-bis een datum staat, is er een memorie bewaard.<br/>Als er een memorie bewaard gebleven is, vraag dan de memories van dat jaar op aan de hand van de toegang.<br/>De memories zijn geborgen in volgorde van de nummers die in kolom 2 van de Tafel V-bis staan. Boven die kolom staat 'register nr. 4'. Het nummer uit kolom 2 staat ook op de memorie zelf. Daarop staan soms meerdere nummers, maar meestal staat er voor het betreffende nummer 'register nr. 4'. Addendum In 2011 is besloten de oorspronkelijke inventaris uit 2000/2004 enigszins aan te passen. Er is een inleiding toegevoegd die overgenomen is uit Inventaris van de Memories van Successie van Zuid-Holland 1806-1927 (Den Haag 1985/1999) door M. Beekhuis, H.J.Ph.G. Kaajan en H.G. Oost. Er heeft substitutieverfilming (ingevolge de archiefwet 1995) plaatsgevonden. Uitsluitend de films zijn als archiefmateriaal bewaard gebleven, de originelen zijn vernietigd. Het betreffen in totaal 60 microfilms. De inv.nrs. 1-60 zijn raadpleegbaar op microfilms, genummerd 245-256. Raadpleeg de lijst van microfilms (beschikbaar op de studiezaal) om het inventarisnummer te koppelen aan het nummer van de microfilm. Het archief is volledig openbaar. Utrecht, 2011 Inventaris 01. Kantoor Amersfoort Memories van successie, 1903-1927 1903-1927 1 1903 (nr. 5/2718)-1905 (nr. 5/5405) 2 1906 (nr. 5/5421)-1908 (nr. 5/7477) 3 1908 (nr. 5/7485)-1910 (nr. 5/9472) 4 1910 (nr. 5/9472)-1913 (nr. 6/1530) 5 1913 (nr. 5/1531)-1915 (nr. 6/3324) 6 1915 (nr. 6/3333)-1917 (nr. 6/4991) 7 1917 (nr. 6/4992)-1918 (nr. 6/6551) 8 1918 (nr. 6/6454)-1920 (nr. 6/8804) 9 1920 (nr. 6/8816)-1922 (nr. 7/526) 10 1922 (nr. 7/529)-1923 (nr. 7/1805) 11 1923 (nr. 7/1907)-1925 (nr. 7/3369) 12 1925 (nr. 7/3370)-1927 (nr. 7/5071) 13 1927 (nr. 7/5074)-1927 (nr. 7/5563) - Alphabetische tafel van testamenten en contracten bevattende beschikkingen van milddadigheid ter zake des doods (tafel VI), alfabetische naamindex van personen, van wie het testament voor een notaris is verleden in de jaren 1839-1934 Deze stukken zijn opgenomen in de verzameling tafels V-bis en VI van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht (1828) 1856-1926 (1934) als inv.nrs. 1-5 (toegangsnr. 337-12) NB - Alphabetische tafel van sterfgevallen en aangiften van nalatenschappen (tafel V-bis), alfabetische naamindex van alle overleden personen, 1897-1926 1897-1926 Deze stukken zijn opgenomen in de verzameling tafels V-bis en VI van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht (1828) 1856-1926 (1934) als inv.nrs. 118-123 (toegangsnr. 337-12) NB 02. Kantoor Breukelen Opvolger van kantoor Maarssen en kantoor Loenen NB 14 Memories van successie, 1926 (nr. 1)-1927 (nr. 1152) 03. Kantoor Driebergen - Alphabetische tafel van testamenten en contracten bevattende beschikkingen van milddadigheid ter zake des doods (tafel VI), alfabetische naamindex van personen, van wie testament voor een notaris is verleden in de jaren (1858) 1880-1926 Deze stukken zijn opgenomen in de verzameling tafels V-bis en VI van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht (1828) 1856-1926 (1934) als inv.nrs. 20-27 (toegangsnr. 337-12) NB 04. Kantoor Loenen Memories van successie, 1903-1925 1903-1925 15 1903 (nr. 4/3546)-1907 (nr. 4/5692) 16 1908 (nr. 4/5698)-1912 (nr. 4/7566) 17 1912 (nr. 4/7566)-1917 (nr. 4/9487) 18 1917 (nr. 4/9491)-1921 (nr. 5/1369) 19 1922 (nr. 5/1377)-1925 (nr. 5/2916) - Alphabetische tafel van sterfgevallen en aangiften van nalatenschappen (tafel V-bis), alfabetische naamindex van alle overleden personen, 1892-1926 1892-1926 Deze stukken zijn opgenomen in de verzameling tafels V-bis en VI van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht (1828) 1856-1926 (1934) als inv.nrs. 124-126 (toegangsnr. 337-12). NB 05. Kantoor Maarssen In 1926 samengevoegd met kantoor Loenen en voortgezet onder kantoor Breukelen NB Memories van successie, 1903-1926 1903-1926 20 1903 (nr. 2/5473)-1908 (nr. 3/4633) 21 1908 (nr. 3/4634)-1914 (nr. 3/6358) 22 1914 (nr. 3/6360)-1918 (nr. 3/8015) 23 1919 (nr. 3/8022)-1924 (nr. 3/9981) 24 1925 (nr. 3/9982)-1926 (nr. 4/385) - Alphabetische tafel van sterfgevallen en aangiften van nalatenschappen (tafel V-bis), alfabetische naamindex van alle overleden personen, 1899-1926 1899-1926 Deze stukken zijn opgenomen in de verzameling tafels V-bis en VI van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht (1828) 1856-1926 (1934) als inv.nrs. 127-130 (toegangsnr. 337-12). NB 06. Kantoor Rhenen Memories van successie, 1903-1926 1903-1926 3 omslagen 25 1903 (nr. 1/8045)-1911 (nr. 2/775) 26 1911 (nr. 2/793)-1920 (nr. 2/3418) 27 1920 (nr. 2/3427)-1926 (nr. 2/5258) - Alphabetische tafel van sterfgevallen en aangiften van nalatenschappen (tafel V-bis), alfabetische naamindex van alle overleden personen, 1901-1926 1901-1926 Deze stukken zijn opgenomen in de verzameling tafels V-bis en VI van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht (1828) 1856-1926 (1934) als inv.nrs. 131-132 (toegangsnr. 337-12) NB 07. Kantoor Utrecht Memories van successie, 1903-1927 1903-1927 28 1903 (nr. 11/2834)-1903 (nr. 11/5693) 29 1904 (nr. 11/5693)-1905 (nr. 11/8976) 30 1905 (nr. 11/8976)-1907 (nr. 12/1756) 31 1907 (nr. 12/1760)-1908 (nr. 12/4709) 32 1908 (nr. 12/4716)-1910 (nr. 12/7546) 33 1910 (nr. 12/7548)-1911 (nr. 13/412) 34 1911 (nr. 13/422)-1912 (nr. 13/2830) 35 1913 (nr. 13/2843)-1914 (nr. 13/5173) 36 1914 (nr. 13/5174)-1915 (nr. 13/7751) 37 1915 (nr. 13/7755)-1916 (nr. 14/520) 38 1916 (nr. 14/523)-1917 (nr. 14/2652) 39 1917 (nr. 14/2659)-1918 (nr. 14/5367) 40 1928 (nr. 14/5358)-1920 (nr. 14/8199) 41 1920 (nr. 14/8202)-1921 (nr. 15/1693) 42 1921 (nr. 15/1718)-1923 (nr. 15/4688) 43 1923 (nr. 15/4649)-1923 (nr. 15/6684) 44 1924 (nr. 15/6690)-1925 (nr. 15/9554) 45 1925 (nr. 15/9570)-1926 (nr. 16/2570) 46 1926 (nr. 16/2578)-1927 (nr. 16/4285) - Alphabetische tafel van testamenten en contracten bevattende beschikkingen van milddadigheid ter zake des doods (tafel VI), alfabetische naamindex (A-Z) van personen, wier testament voor een notaris is verleden in de jaren 1877-1920 Dit stuk is opgenomen in de verzameling tafels V-bis en VI van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht (1828) 1856-1926 (1934) als inv.nr. 48 (toegangsnr. 337-12) <br/> NB - Alphabetische tafel van sterfgevallen en aangiften van nalatenschappen (tafel V-bis), alfabetische naamindex van alle overleden personen, 1899-1926 1899-1926 Deze stukken zijn opgenomen in de verzameling tafels V-bis en VI van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht (1828) 1856-1926 (1934) als inv.nrs. 133-144 (toegangsnr. 337-12). <br/> NB 08. Kantoor Vianen De stukken van kantoor Vianen zijn beschreven in Inventaris van de archieven van de Ontvangers der belasting op het recht van successie te Vianen (1806) 1842-1926 NB 09. Kantoor Wijk bij Duurstede, vanaf 1924 kantoor Driebergen Memories van successie, 1903-1927 1903-1927 53 1903 (nr. 3/6734)-1906 (nr. 3/8823) 54 1906 (nr. 3/8826)-1909 (nr. 4/522) 55 1910 (nr. 4/528)-1913 (nr. 4/2346) 56 1913 (nr. 4/2355)-1916 (nr. 4/4454) 57 1917 (nr. 4/4460)-1919 (nr. 4/6345) 58 1919 (nr. 4/6347)-1922 (nr. 4/7953) 59 1922 (nr. 4/7956)-1925 (nr. 4/9947) 60 1925 (nr. 4/9951)-1927 (nr. 5/1493) - Alphabetische tafel van testamenten en contracten bevattende beschikkingen van milddadigheid ter zake des doods (tafel VI), alfabetische naamindex van personen, wier testament voor een notaris is verleden in de jaren 1828-1926 Deze stukken zijn opgenomen in de verzameling tafels V-bis en VI van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht (1828) 1856-1926 (1934) als inv.nrs. 91-98 (toegangsnr. 337-12). Vanaf 1903 betreffen het stukken van het kantoor Driebergen <br/> NB - Alphabetische tafel van sterfgevallen en aangiften van nalatenschappen (tafel V-bis), alfabetische naamindex van alle overleden personen, 1894-1926 1894-1926 Deze stukken zijn opgenomen in de verzameling tafels V-bis en VI van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht (1828) 1856-1926 (1934) als inv.nrs. 145-148 (toegangsnr. 337-12). Vanaf 1903 betreffen het stukken van het kantoor Driebergen NB 10. Kantoor Woerden De stukken van kantoor Vianen zijn beschreven in Inventaris van de archieven van de Ontvangers der belasting op het recht van successie te Vianen (1806) 1842-1926. NB 11. Kantoor IJsselstein Memories van successie, 1903-1927 1903-1927 47 1903 (nr. 3/5665)-1906 (nr. 3/7354) 48 1906 (nr. 3/7358)-1910 (nr. 3/9330) 49 1910 (nr. 3/9334)-1916 (nr. 4/1682) 50 1916 (nr. 4/1684)-1919 (nr. 4/3667) 51 1920 (nr. 4/3675)-1924 (nr. 4/5906) 52 1924 (nr. 4/5884)-1927 (nr. 4/7209) - Alphabetische tafel van sterfgevallen en aangiften van nalatenschappen (tafel V-bis), alfabetische naamindex van alle overleden personen, 1895-1926 1895-1926 Deze stukken zijn opgenomen in de verzameling tafels V-bis en VI van de ontvangers der belasting op het recht van successie in de provincie Utrecht (1828) 1856-1926 (1934) als inv.nrs. 149-151 (toegangsnr. 337-12) NB Bijlage Alfabetische lijsten van plaatsen met opgave van het kantoor waaronder ze ressorteren in de periode 1903-1928

Archieven

1 scans van stukken

Ga naar