Archief van de ridderschap van utrecht 1814-1880

96-2 inventaris van het archief van de ridderschap van utrecht 1814-1880, door j.l. hannema 1814 1880 96-2 ridderschap Het Utrechts Archief Openbaarheid volledig openbaar Titel inventaris inventaris van het archief van de ridderschap van utrecht 1814-1880, door j.l. hannema Titels nadere toegangen Geen nadere toegangen 1. Inleiding 1.1. Geschiedenis Bij de restauratie in 1814 werd een aantal instellingen van voor de revolutie hersteld, waaronder ook de gewestelijke staten, zij het niet op de oude voet, zoals Van Hogendorp in zijn ontwerp van de grondwet had voorgesteld. De provinciale staten van Utrecht werden weer samengesteld uit drie standen, maar in plaats van de drie standen van vóór 1795: de geëligeerden, de ridderschap en de steden, vormden nu de edelen of ridderschap de eerste stand, de steden de tweede stand, de landeigenaren de derde stand. Deze nieuwe derde stand vertegenwoordigde voortaan het platteland. Hiermee verviel eigenlijk de grondslag voor de adel om zitting in de staten te nemen, omdat het oudtijds de edelen waren geweest die het platteland heetten te vertegenwoordigen. Als concessie aan het verleden werd voor de edelen echter een afzonderlijke plaats in de staten ingeruimd. Zij kozen de afgevaardigden uit hun eigen kring, terwijl de afgevaardigden van de landelijke stand werden gekozen door de plattelandsbevolking, zij het volgens een beperkt kiesrecht. Alle drie standen kregen twaalf zetels. Bij soeverein Besluit van 23 febr. 1815, nr. 60 werd bepaald: Dat tot de adelstand in de onderscheidene Provinciën gerekend zullen worden te behooren zowel degenen, die door Ons in de Ridderschap of Edelen dier Provincie respectievelijk benoemd en geadmitteerd zijn, of verder tot op het in werking komen de reglementen, vermeld bij art. 77 der Grondwet, benoemd en geadmitteerd zullen worden. De eerste vergadering van de nieuw opgerichte ridderschap als college vond plaats op 30 maart 1815. Alle aanwezige leden hadden volgens het Soeverein Besluit van 17 maart 1815, nr. 6 de eed afgelegd. Willem van Tuyll van Serooskerken werd voorzitter, maar al spoedig als zodanig opgevolgd door Gijsbert Carel Cornelis Jan van Lynden van Sandenburg, die deze functie tot 1850 zou vervullen. Het opstellen van een reglement-voorstel werd in handen gelegd van een commissie, die op de vergadering van 1 april 1815 een concept-reglement zou voorleggen. Tegelijkertijd werd het voorstel gedaan tot het in bezit nemen van de nog aanwezige goederen van de ridderschap van vóór 1795 te weten de heerlijkheid Werkhoven en het ridderschapshuis aan het Janskerkhof 5 te Utrecht. Het huis bezat de ridderschap krachtens een legaat van Gijsbert Jan van Hardenbroek. In 1816 werd het door de gouverneur van Utrecht als vergaderplaats aangewezen. Op de vergadering van mei 1816 werd het concept-reglement goedgekeurd en aangenomen door de leden. Enige belangrijke punten uit dit reglement waren: art. 1 De Ridderschap van de provincie Utrecht zal bestaan uit zoveel leden, als door de Koning, bij het approberen dezes, daar in beschreven zijn, of die in het vervolg in dezelve zullen worden geadmitteerd. art. 2 In dezelve zullen admissibel zijn: a: Degenen, die, naar den inhoud van de Grondwet bevoegd zijn, om beschreven te worden; b: Zij die bij vervolg van tijd bewijzen zullen af te stammen van één der tegenwoordige beschrevene, en die bij vervolg beschreven zullen worden. art. 4 De leden moeten zijn meerderjarig, volgens de Wet, en geboren Nederlanders overeenkomstig de Grondwet. art. 7 De Edelen, welke in het vervolg in de Ridderschap dezer Provincie zullen worden geadmitteerd, zullen in vollen en vrijen eigendom moeten bezitten aan vaste goederen, Heerlijkheden of Tienden, binnen de Provincie Utrecht gelegen. Op nadrukkelijk verzoek van de Koning werd ook als vereiste gesteld, naar voorbeeld van de ridderschappen van Gelderland en Holland, het bezit van een ridderhofstad. In 1839 werd in elke ridderschap binnen het koninkrijk op aandringen van de toenmalige minister van binnenlandse zaken, een fonds opgericht, gevormd uit nagelaten gelden van leden, waaraan ieder lid en afstammeling bij toelating inleggeld betaalde. Door de grondwetsherziening van 1848 was het voortaan definitief gedaan met de politieke invloed van de ridderschap als stand. Sinds het in werking treden van de Provinciale Wet op 6 juli 1850, werden de provinciale staten rechtstreeks gekozen volgens censuskiesrecht. De ridderschap hield hiermee op te bestaan als politiek lichaam. Op de vergadering van 17 mei 1851 besloten de leden bijna unaniem, op advies van een speciaal door haar benoemde commissie, te blijven bestaan als 'de Ridderschap van Utrecht', maar dan als 'zedelijk lichaam' met een nieuw te ontwerpen reglement. Haar bestuur bleef haar fondsen, bezittingen en financiën beheren. Naar aanleiding van de kwestie van verkoop van het ridderschaphuis op de vergadering van 10 mei 1879, stelde baron van Hardenbroek tot Hardenbroek echter de vraag welk doel is waartoe de Ridderschap eigenlijk nog blijft bestaan.... De conclusie van de vergadering was dat de tijd dáár was de zaak goed in de oogen te beschouwen daar zelfs de voorstanders van de Ridderschap niet zouden kunnen ontkennen dat haar toestand enigszins gelijk was aan die van een drenkeling, die zich nog steeds met moeite boven water houdt. Op deze vergadering was men zich er terdege van bewust dat de staatkundige invloed voorgoed verleden tijd was. Daarom besloot men ook het bestuur te machtigen de ontbinding van de ridderschap voor te bereiden en tevens de verdere toelating van leden te sluiten. In een daarna gehouden bijzondere vergadering op 28 juni 1879 werd het voorstel tot opheffing met 10 tegen 5 stemmen aangenomen. Verder werd een commissie belast met de verkoop van het ridderschaphuis. De gelden werden onder haar leden verdeeld. 1.2. Archief Het archief bestrijkt de periode 1814-1880, d.w.z. de tijd waarin de ridderschap politiek functioneerde, respectievelijk nog slechts als zedelijk lichaam haar bestaan rekte. Het is weinig omvangrijk, slechts één strekkende meter plank-lengte. Het werd zonder enige orde aangetroffen. Behalve een serie notulen, stukken betreffende de financiële administratie en reglementen, is vooral een register van afschriften van koninklijke besluiten van erkenning en verheffing in de adelstand van leden, met gekleurde wapenafbeeldingen van belang. Als de leden 8 mei 1880 de laatste vergadering houden over de opheffing van de ridderschap, wordt besloten het archief en de bibliotheek ten geschenke aan te bieden aan de provincie Utrecht. Verder werd voor het laatst door het bestuur rekening en verantwoording afgelegd van het beheer. De bibliotheek bevindt zich thans in de universiteitsbibliotheek. Het archief is in 1974 samen met het archief van het provinciaal bestuur na 1813 van de provinciale griffie overgebracht naar het Rijksarchief te Utrecht. 1.3. Geraadpleegde literatuur - W.J. Baron d'Ablaing van Giessenburg, De ridderschappen in het koninkrijk der Nederlanden, of de geschiedenis (zie verder literatuur in scripte hierna, blz. 188). - D. van den Brink, De ridderschap van Utrecht (1794-1815), Een corporatie en haar leden, Utrecht, 1985 (Doctoraalscriptie, afd.economische en sociale geschiedenis RUU) - C. van Doorn & Zn., 's-Gravenhage, 1875. - B.J. de Geer, De Ridderschap van Utrecht, 1851-1880, haar begin en haar einde, Utrecht, 1880. - W.F. Prins, Geschiedenis van de ridderschap van Utrecht, z.pl., z.j. - C.W. van der Pot, Bestuurs- en Rechtsinstellingen der Nederlandse Provinciën, Zwolle, 1949. 2. Inventaris van het archief van de ridderschap van Utrecht 2.1. Stukken van algemene aard 1 Notulen van de ledenvergaderingen 1815-1880 1 pak 2 Lijsten van bijlagen bij de notulen van de ledenvergaderingen over de jaren 1816-1843, 1844 3 stukken 3 Notulen van de commissie van bestuur 1855-1880 1 omslag 4 Notulen van de financiële commissie 1846-1850 1 deel 5 Convocaties van vergaderingen 1833-1850 4 stukken 6 Brief van de gouverneur van Utrecht aan de ridderschap, waarbij het ridderschapshuis te Utrecht als vergaderplaats wordt aangewezen 1815 1 stuk 7 Vergunningen van de koning tot het houden van vergaderingen 1816-1848 4 stukken 8 Ingekomen stukken bij Jacob Constantijn Martens van Sevenhoven als president van de ridderschap 1850-1852 1 pak 2.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.2.01. Oprichting en heroprichting 9 Stukken betreffende de ontbinding van de bestaande ridderschap als politiek lichaam, de aanwending der bezittingen tot de stichting van een fonds met een liefdadige bestemming en de heroprichting van de ridderschap als zedelijk lichaam 1844-1851 1 pak 10 Akte van opheffing van de ridderschap en verdeling van de goederen, met bijbehorende procuraties 1880 4 stukken 2.2.02. Reglementen 11 Reglementen 1815-1877, met wijzigingen en aanvullingen 1 omslag 12 Reglement van orde voor de vergaderingen, met bijbehorende stukken 1818-1819 5 stukken 2.2.03. Toelating en ontslag 13 Voorschriften betreffende de vereisten om in de ridderschap te worden toegelaten 1819- 1820 4 stukken 14 Voorschriften betreffende de wijze van verificatie van de vereiste om als lid te worden toegelaten en de daartoe te benoemen commissie van onderzoek 1844 5 stukken . Verzoekschriften om als lid te worden toegelaten 1817-1878, met bijbehorende stukken 2 pakken 15 A-G 16 H-Z 17 Rapporten van de commissie van onderzoek inzake toelating van nieuwe leden 1828- 1878 1 omslag 18 Stukken betreffende de eedsaflegging van nieuwe leden 1815-1831 1 omslag 19 Koninklijk besluit van 28 augustus 1814 nr. 14, waarbij Gijsbert Carel Cornelis Jan van Lynden van Sandenburg erkend en toegelaten wordt als lid, met bijbehorende stukken 1814 4 stukken 20 Stukken betreffende opgetreden wijzigingen in de gegoedheid, vereist voor het lidmaatschap 1844-1857 1 omslag 21 Brief van de gouverneur van Utrecht met het verzoek om inlichtingen over een storting door de vader van Johan Petrus Lodewijk baron van Heilman van Stoutenburg in de kas van de ridderschap, met minuut van antwoord 1848 2 stukken 22 Koninklijk besluit van 22 november 1826 nr. 50 over de ontslagname van leden, met toelichtende brief van minister van binnenlandse zaken 1826, 1834. Afschriften 2 stukken 2.2.04. Leden 23 Stukken betreffende de verkiezing en het ontslag van de voorzitter 1816-1850 1 omslag 24 Naamlijsten van leden, met bijbehorende stukken 1817-1877 1 omslag 25 Overlijdensberichten van leden 1850-1879 1 omslag 26 Offerte door P. Barbius, professor aan de school voor nuttige en beeldende kunsten te 's- Hertogenbosch, voor het schilderen van wapentableaus in de vergaderzaal van de ridderschap 1840 1 stuk 2.2.05. Financiën 27 Voorschriften omtrent het beheer der financiën van de ridderschap en de daarmee belaste commissie (ca. 1839) 4 stukken 28 Rekeningen 1816-1880 1 pak 29 Bijlagen bij de rekeningen 1829-1880 2 delen . Kasboeken van de Ridderschap 1816-1880 2 delen 30 1816-1844 31 1845-1880 32 Rapporten van de financiële commissie inzake het gevoerde beheer 1844-1850 5 stukken 2.2.06. Positie binnen de staten van Utrecht 33 Voorschriften voor de verkiezing van leden van de provinciale staten en gedeputeerde staten 1816-1832 1 omslag 34 Stukken betreffende de benoeming van leden van de provinciale staten en gedeputeerde staten uit de leden van de ridderschap 1814-1850 1 omslag 35 Stukken betreffende het aftreden van leden van de ridderschap als leden van de provinciale staten 1814-1850 1 omslag 2.2.07. Verhouding tot de koning 36 Kennisgevingen van het overlijden van leden van het koninklijk huis 1843-1850 5 stukken 37 Stukken betreffende het voorstel tot oprichting van een standbeeld van koning Willem I te Utrecht 1849 1 omslag 38 Brief van de hoge raad van adel over de aanbieding van een zilveren strooipenning, geslagen ter herinnering aan de inhuldiging van koning Willem III 1849 1 stuk 39 Stukken betreffende het te dragen tenue voor leden van de ridderschap, met tekening 1818-1838 1 omslag 2.2.08. Verhouding tot de hoge raad van adel 40 Voorschriften van de hoge raad van adel over de afgifte van certificaten van adeldom, opzweringen van adellijke namen, wapens en kwartieren, en het voeren van adellijke titels 1815-1824 1 omslag . Registers van afschriften van koninklijke besluiten van erkenning en verheffing in de adelstand, met gekleurde wapenafbeeldingen 1815, 1823, 1828-1868 1 katern en 1 deel 41 1815, 1823 Betreft: Geer, Willem Carel Pieter de, 1815 Rappard, Carel Paul George van, 1823 NB 42 1828-1868 Betreft: Aumale van Romondt, Otto d', 1837 Asch van Wijck, Hubert Matthijs Adriaan Jan van, 1833 Barchman Wuytiers, Cornelis Gerard, 1829 Beaufort, Pieter de, 1868 Beeldsnijder, Gerard Johannes, 1828 Bosch, Paulus Willem, 1829 Bije, Pieter Jacob de, 1830 Calkoen, Abraham, 1828 Coenen, Albert, 1841 Coenen, Jan François Leonard, 1841 Coenen, Jan Jacob Balthasar, 1841 Coenen, Pieter Jacob Quintijn, 1841 Coenen, Sara Johanna Ignatia Sybilla, 1841 Does de Bije, Pieter Jacob van der, 1842 Haeften, Adriaan van, 1844 Klerck, Reynold Antoni, 1831 Leyssius, Pierre Frederic, 1842 Martens, Jacob Constantijn, 1829 Martens, Jacob Carel David Jan, 1829 Martens, Anna Elisabeth Cornelia, 1829 Martens, Jan Louis, 1829 Martens, Johanna Henrietta Antonia, 1829 Munter, Andries Cornelis Willem, 1815 Muralt, Abraham Rudolph de, 1840 Nepveu, Charles, 1849 Noort, Willem Opten, 1834 Plaat, Johan Pieter van der, 1842 Ram, Albert Jan Leonard, 1836 Ram, Laurens Eliza, 1835 Ram, Willem Eliza, 1835 Romondt, Willem Jan Adriaan van, 1838 Strick van Linschoten, Paul Emil Adriaan, 1831 Velden, Jan van den, 1847 Wattenwijl, Franz Victor von, 1858 NB 43 Brieven van de hoge raad van adel over de verlening van adellijke titels, met bijbehorende koninklijke besluiten 1819-1838 1 omslag 44 Brieven van de gouverneur van Utrecht met verzoek om inlichtingen over personen die in de adelstand verheven willen worden 1824-1845 1 omslag 45 Brief van de hoge raad van adel over het royement van Jan Pieter Cornelis Lampsins, rechter in de arrondissementsrechtbank te Hoorn, uit de registers van de adelstand der Nederlanden 1845 1 stuk 2.2.09. Eigendommen 46 Legger van eigendommen van de ridderschap (ca. 1840) 1 deel 47 Stukken betreffende verzoeken aan de koning tot teruggave van goederen na 1798 aan de ridderschap ontnomen 1828 3 stukken 48 Stukken betreffende de stichting van een fonds ter ondersteuning van betrekkingen van leden van de ridderschap en in verband daarmee het geschil met de domeinen over het eigendomsrecht van het ridderschapshuis en de heerlijkheid Werkhoven 1839-1844 1 omslag Zie ook nr. 46 en 52 NB 49 Reglement van het ondersteuningsfonds voor onvermogende weduwen en afstammelingen van leden der ridderschap, met bijbehorende stukken 1840-1844 1 omslag 50 Verzoekschriften om inschrijving van afstammelingen van leden in het register van gerechtigden tot de ridderschap, met bijbehorende stukken 1852-1870 1 omslag 51 Stukken betreffende een proces voor de arrondissementsrechtbank te Utrecht tussen de minister van Financiën, eiser en en de ridderschap, gedaagde, over successierechten voor een schenking gedaan bij de akte van oprichting van de ridderschap als zedelijk lichaam 1854-1855 1 omslag 52 Rapport over het eigendomsrecht van de ridderschap op de heerlijkheid Werkhoven 1873 1 stuk Zie ook nr. 48 NB 53 Uittreksel uit het testament van Gijsbert Jan baron van Hardenbroek van 15 januari 1786, waarin hij aan de ridderschap het ridderschapshuis en de bibliotheek legateert, (ca. 1840). In tweevoud 2 stukken 54 Akten van verhuur door de ridderschap aan Gijsbert Carel Cornelis Jan baron van Lynden van Sandenburg van het ridderschapshuis aan het Janskerkhof te Utrecht 1828 en 1848 2 stukken Zie ook nr. 48 NB 55 Brief van de executeurs-testamentair van Gijsbert Franco baron van Derfelder van Hinderstein met het verzoek tot inbewaarneming van een kistje, bevattende de adelsbrieven van de overledene 1857 1 stuk 56 Akte van schuldbekentenis te Utrecht voor Ernst Louis baron van Hardenbroek van Lockhorst ten laste van de ridderschap groot ? 1000,-- 1816 1 stuk 57 Brief aan het Centraal Comité van de Nederlandsche weerbaarheidsbond over een gift door de ridderschap aan het algemeen nationaal scherpschuttersfonds van ? 400,-- 1867. Afschrift 1 stuk 2.2.10. Bibliotheek 58 Reglement voor de bibliotheek 1826. In tweevoud 2 stukken 59 Stukken betreffende het beheer van de bibliotheek 1835-1847 1 omslag 60 Catalogi van de bibliotheek 1834 1 pak

Archieven

Ga naar