Inventaris van archivalia van de mark de gebuurten van den dijk te achterberg bij rhenen 1921-1956

1101-2 inventaris van archivalia van de mark de gebuurten van den dijk te achterberg bij rhenen 1921-1956, door k. van vliet 1921 1956 1101-2 mark gebuurten van den dijk te achterberg bij rhenen Het Utrechts Archief Openbaarheid volledig openbaar Titel inventaris inventaris van archivalia van de mark de gebuurten van den dijk te achterberg bij rhenen 1921-1956, door k. van vliet Titels nadere toegangen Geen nadere toegangen 1. Inleiding 1.1. Algemeen Een mark kan omschreven worden als: een organisatie van een beperkt aantal personen, gericht op het beheer van hun gezamenlijke gebruiksrechten op ongecultiveerde gronden. De mate waarin men gerechtigd was, hing samen met het aantal waardelen waarover men beschikte, waarbij het bezit van één waardeel gelijk stond aan het bezit van één hoeve. 1 Het vroegste ontstaan van markenorganisaties wordt tegenwoordig in de twaalfde en dertiende eeuw geplaatst. In die periode gingen veel traditionele gebruikers van de woeste gronden ertoe over zich in marken te verenigen, als reactie op de sterke bevolkingsgroei en de grote ontginningsactiviteit van die dagen. Met name in Oost-Nederland en op de Veluwe kwamen op grote schaal markenorganisaties tot stand. 1 Vgl. R.M. Kemperink, De mannen van Weede en Emmeklaar. Enkele terreinverkenningen in de geschiedenis van een middeleeuws maalschap, in: J.A. Brongers e.a. (red.), Amersfoortse opstellen Historie, archeologie en monumentenzorg (Amersfoort 1989) 25-49, aldaar 26-27. Voetnoot In het Sticht waren er verschillende op de Utrechtse Heuvelrug. De term 'mark' of 'marke' komt in dit gebied overigens pas vanaf begin negentiende eeuw voor. De oudste marken, zoals die van Rhenen of Hoogland bij Amersfoort, werden 'maalschappen' genoemd en de markgenoten 'malen'. In de late Middeleeuwen breidde het aantal markorganisaties in dit gebied zich verder uit. Deze latere organisaties kwamen voort uit verbanden van in oorsprong hofhorige boeren, die hun oude domaniale verplichtingen hadden ingeruild voor een tijnsbetaling, maar met behoud van hun aandeel in de gebruiksrechten op de woeste gronden van het domein. Aanvankelijk fungeerden deze verbanden als burengemeenschap en ontbrak een formele organisatie. Pas in de zestiende eeuw ging een aantal van deze burengemeenschappen ertoe over zich in buurschappen te organiseren met een vast bestuur en een jaarlijkse vergadering, teneinde te komen tot een beter beheer van de collectieve rechten op de woeste gronden. In de Franse tijd werd vanuit de overheid de eerste stoot gegeven om te komen tot een verdeling van de markengronden en een ontbinding van de markenorganisaties. Achterliggend motief was de wens tot verdergaande ontginning van de overgebleven woeste gronden. Onder koning Willem I bleef de wetgeving die in 1809 en 1810 op dit punt tot stand was gebracht, van kracht. Tal van markenorganisaties werden in deze periode ontbonden. Na de invoering van de Markenwet van 10 mei 1886 resteerden in de provincie Utrecht alleen nog de marken van de Gebuurten van den Dijk te Achterberg onder Rhenen (tot 1955) en die van de Malen van Hoogland (tot op heden). 1.2. De Meent van Leusderberg De Meent van Leusderberg behoort tot de marken van de tweede categorie. In veertiende- en vijftiende- eeuwse bronnen wordt met regelmaat van de gemene buren of landgenoten van Leusden gerept. Van een formele organisatie blijkt echter niets. De Leusdense burengemeenschap was voortgekomen uit de bewonerskring van de 26 hoeven van de Leusdense domeinhof, die van oudsher aan de Utrechtse bisschop toebehoorde. Oorspronkelijk waren de hoevenbezitters horige boeren geweest, maar vanaf de veertiende eeuw waren zij de bisschop enkel nog een tijns verschuldigd. Daarnaast betaalden zij hun heer paardjesgeld, elke hoeve een bedrag van 4 gulden per jaar, als compensatie voor de wagendiensten die zij hem moesten leveren, alsmede hondenkoorn, een heffing voortgekomen uit de verplichting om de domeinheer voedsel en onderdak te bieden. Na 1528 vielen de inkomsten uit de Leusdense domeinhof toe aan de landsheerlijke domeinen van het Sticht, die eind zestiende eeuw onder beheer van de Staten van Utrecht kwamen. Het is in die periode dat er voor het eerst enige mate van organisatie ontstond ten aanzien van het beheer van de gemene gronden door de Leusdense hoevenbezitters. In 1561 hechtte het Hof van Utrecht haar goedkeuring aan een regeling met betrekking tot het beheer van deze gronden, opgesteld door 'de gemeen geërfden van de 26 houven gelegen onder Leusden'. Deze was er met name op gericht het stuiven van de Graeuwe Duinen op de Leusderberg (vermoedelijk de tegenwoordige Treeker Duinen) tegen te gaan. Van een vast bestuur kan pas worden gesproken als de Staten van Utrecht in 1605 een ordonnantie uitvaardigen, die de goedkeuring inhield van een door de geërfden opgesteld reglement. Daarin gaven zij ruimere bevoegdheden aan de vijf gecommitteerden die ze in 1595 hadden aangesteld. Voortaan zou het college van gecommitteerden of heemraden worden aangevoerd door een meentgraaf, die de heemraden eenmaal per jaar uit hun midden kozen. Ieder jaar op de eerste mei trad één van de vijf af, waarna de geërfden een opvolger in zijn plaats kozen. Heemraden en meentgraaf onderwierpen de meentgronden tweemaal per jaar, op 6 mei en daa gs na St.-Bartholomeus (24 augustus), aan een controle. Daarnaast stelden zij regels op voor het beheer van de meentgronden. Deze resoluties werden opgetekend in een register dat onder de meentgraaf berustte. Een schutter (ook wel bergbewaarder genoemd), in dienst van de mark, zag toe op de naleving van de regels. Op overtredingen van het door het college bepaalde, stond een boete van 6 stuivers. Tot het begin van de negentiende eeuw fungeerde een van de heemraden fungeerde als secretaris-penningmeester. Daarna werd voor dit ambt een aparte functionaris benoemd. Deze hield het register van in- en uitgaven bij en maakte de jaarrekening op, die door de geërfden moest worden goedgekeurd. Dit gebeurde op de vergadering, die jaarlijks op 1 mei werd gehouden. Lange tijd vond deze vergadering plaats in de St.-Joriskerk te Amersfoort. Na 1843 werd zij in een herberg te Leusden gehouden. De meent van de Leusderberg bestreek een omvangrijk deel van het bos- en heidegebied aan de oostzijde van de Utrechtse Heuvelrug. Aan de noordwest- en noordoostzijde werd dit gebied, oudtijds aangeduid als het Leusderveld, begrensd door de Vrijheid van de stad Amersfoort, aan de zuidzijde door het Henschoterveld (gerecht Woudenberg) en de oostzijde Leusbroek en het Heetveld. Daarmee omvatte het het grootste deel van het gerecht (Oud-)Leusden, de westelijke helft van de tegenwoordige gemeente Leusden. Blijkens een oude beschrijving uit 1594 (nr. 40-1) onderscheidde men binnen het Leusderveld: het Goortsbos (Goertsbosch) of de Lage Duinen (Leege Duijnen) in het zuidoosten, ten noorden daarvan de Grauwe of Hoge Duinen (Graeuwe Duijnen, Hooge Duijnen) - waar eind zestiende eeuw nog enkele wolven werden gevangen - en ten oosten van deze duingebieden Hollo. Het beheer van de meentgronden was voornamelijk gericht op het weiden van schapen. Daarnaast werden deze gronden ook gebruikt voor het houden van bijen, het aanplanten van bos voor de houtkap (met name eikenhout), het steken van plaggen en het winnen van zand, stenen en keien. Vanaf ca. 1820 voerden meentgraaf en heemraad ook het beheer over het jachtrecht op de Leusderberg, ofschoon formeel eigendom van de koning. Nieuwe inkomsten trok de mark in de negentiende eeuw uit de exploitatie van een ijskelder bij het landhuis Den Treek waarin tot ver in de zomer ijs bewaard kon worden. Omstreeks 1880 werd deze kelder onder andere gebruikt door de Amersfoortsche Beiersche Bierbrouwerij. In die periode verkreeg de mark tevens inkomsten uit een concessie voor het afgraven van leem, verleend aan de Amersfoortse gasfabriek. Aanvankelijk waren er 26 hoeven deelgerechtigd in het gebruik van de meentgronden. Nadat de Fransen in het rampjaar 1672 een aantal hoeven hadden verwoest, werd in 1681 het aantal deelgerechtigden met een nieuwe hoeve uitgebreid. Nadien traden door verkoop en splitsing van bepaalde hoeven meermalen veranderingen op in dit aantal. Dientengevolge was er in de achttiende eeuw voortdurend discussie over het juiste aantal. In 1765 werd tenslotte bepaald dat alleen zij die een volle hoeve van 16 morgen bezaten en daarvan hondenkoorn en paardjesgeld betaalden, deelgerechtigd waren en stemgerechtigd in de vergadering van geërfden. Hierdoor werd de lijst van gerechtigde hoeven uiteindelijk weer tot 26 gereduceerd. Al in de zeventiende eeuw was de mark ertoe overgegaan delen van de gemene gronden te verkopen of in erfpacht te geven. De eerste plannen voor een volledige opdeling van de mark dateren uit de eerste helft van de negentiende eeuw, toen de opheffing van de markenorganisaties door de overheid tot beleid werd verheven. Meermalen waren deze plannen onderwerp van discussie in de vergadering van de geërfden, maar telkens ontbrak de vereiste meerderheid van stemmen. Pas nadat de Markenwet van 1886 was aangenomen, waarin bepaald werd een opdeling van de markgronden reeds bij één stem voor zou moeten plaatsvinden, viel ook in Leusden het doek voor de markenorganisatie. Nog datzelfde jaar werd op de jaarvergadering van 26 augustus op verzoek van mevrouw E.E.R. Roëll-de Beaufort besloten tot een verdeling van de meent. De heidevelden ten westen van de grindweg van Doorn naar Amersfoort die in 1840 over de Leusderberg was aangelegd, een terrein van 873 ha, werd verkocht aan het Rij k en bestemd tot militair oefenterrein. Voor het resterende grondgebied van 676 ha, waarvan 21 ha dennenbos en de rest heideveld, werd conform de Markenwet een plan voor verdeling opgesteld, waarna de verdeling op 26 december 1889 bij notariële akte werd voltrokken. 1.3. Gebuurten van den Dijk De mark de Gebuurten van den Dijk te Achterberg is ontstaan als gevolg van de herverdeling van de Rhenense meent in 1315. Deze meentgronden waren gelegen ten noorden en noordoosten van de stad Rhenen (op de grens van de gemeente Rhenen en de gemeente Veenendaal) en werden in dat jaar verdeeld onder alle eigengeërfden van de oude Rhenense mark. Daarbij werd een aanzienlijk gedeelte toegewezen aan de stad Rhenen, later aangeduid als de stadsmeent. Zes hoeven broekland en zes hoeven veenland grenzend aan deze stadsmeent werden gereserveerd voor de bisschop van Utrecht, die als heer van het goed Ter Horst aan de voet van de Grebbeberg tot de belangrijkste grondheren in de Rhenense mark behoorde. Nog in datzelfde jaar schonk bisschop Gwijde van Avesnes de gebruiksrechten van deze twaalf hoeven, namelijk het recht om eigen vee te weiden en turf te steken voor eigen gebruik, aan de 'borchsaten van zijn kasteel Ter Horst, allen degeenen die in onsen camer woonen en den coters die buyten woonen', oftewel: 1. de leden van de vaste bezetting van het kasteel (niet te verwarren met de Rhenense borgmannen die tot de leenmannen van de bisschop behoorden), 2. de bewoners van de kamerwoningen van de bisschop bij het kasteel en aan de naastgelegen Dijk, en 3. de keuterboeren in de directe omgeving daarvan. De tweede groep blijkt reeds in 1329 een burengerecht te vormen, in latere bronnen aangeduid als het gerecht In de Dijk. Dit gerecht werd voorgezeten door de kastelein van Ter Horst, een ambtenaar van de bisschop. Na de verwoesting van het kasteel Ter Horst in 1528 hield het gerecht op te bestaan en kwamen de Dijkbewoners onder de jurisdictie van schout en schepen van de s tad Rhenen. Waar in de late Middeleeuwen steeds sprake was van drie verschillende groepen die gezamenlijk de gebruiksrechten van de genoemde twaalf hoeven beheerden, verdwenen deze verschillen na 1528. Nadien traden de Dijkers steeds als één gemeenschap naar voren met een collectief bezit. Voorts blijkt het aantal gerechtigden met betrekking tot dit bezit kort na 1528 te zijn gefixeerd. Het aandeel in de collectieve rechten was gekoppeld aan het bezit van een van de 28 Dijkershuizen. Van deze huizen waren er 22 gelegen aan de Dijk, de overige 6 aan de daarop aansluitende Cuneraweg. De organisatie van de mark was volledig op gewoonterecht gebaseerd; in een reglement was niet voorzien. De gemeenschap van buren werd vertegenwoordigd door twee buurmeesters, die eens per jaar door de gezamenlijke buren werden gekozen. Dit gebeurde op de jaarlijkse vergadering op Vastenavond, waar ook de aftredende buurmeesters rekening en verantwoording aflegden. Vanaf ca. 1840 hadden deze vergaderingen plaats in Rhenen. In de jaren na 1940 werd uitgeweken naar het kantoor van de Coöperatie Landbouwbelang aan de Vogelenzangseweg, maar in 1953 keerde men terug naar hotel Het wapen van Rhenen. Voor het financieel beheer werden de buurmeesters bijgestaan door een bezoldigd administrateur, aanvankelijk aangeduid als cameraar. Deze administrateur was als secretaris tevens verantwoordelijk voor de notulen van de jaarlijkse vergaderingen. Hij was echter geen lid van het bestuur en hoefde geen markgenoot te zijn. De mark van de Gebuurten van de Dijk heeft zijn bestaan tot ver in de twintigste eeuw kunnen rekken. Wel waren vanaf de late zeventiende eeuw al grote delen van de markgronden in pacht gegeven, waardoor het collectieve gebruik van deze gronden steeds meer in verval was geraakt. Het duurde tot 1954 eer tot een definitieve opdeling van de collectieve gronden conform de Markenwet van 1886 werd besloten. Op 30 december 1955 werd de verdeling van de gemene gronden bij notariële akte voltrokken. 1.4. Archieven Samen met het archief van de Malen van Hoogland (sinds 1989 in bewaring bij de Gemeentelijke Archiefdienst Amersfoort) is het archief van de Meent van de Leusderberg het enige goed bewaarde markenarchief in de provincie Utrecht. Na de opheffing van de mark is het door de laatste meentgraaf in 1890 overgedragen aan het Rijksarchief Utrecht, overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 van de Markenwet van 1886. De omvang van het overgedragen bestand bedroeg 1,5 m. Van het archief van de Gebuurten van den Dijk is slechts een klein aantal stukken bewaard gebleven, die alle dateren uit de laatste decennia van het bestaan van deze mark. Op grond van het genoemde artikel uit de Markenwet werden ook deze stukken (0,1 m) na de opheffing van de mark in 1956 overgebracht naar het Rijksarchief Utrecht. 1 1 HUA, Archief van het Rijksarchief in de provincie Utrecht, inv.nr. 93, nrs. 222 en 231. Zie ook: Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven 1956 2e serie, 29 ('s-Gravenhage 1957) 76. Voetnoot Beide archieven zijn na de overbrenging van een eenvoudige toegang voorzien. De huidige inventaris geeft een meer uitvoerige beschrijving van de stukken alsmede een korte inleiding. Daarbij is de ordening van het archief van de meent van de Leusderberg ingrijpend gewijzigd teneinde de gebruiker een beter inzicht te geven in de aard van het archief en het functioneren van de organisatie. 1.5. Literatuur J. Anspach, Dijkers, De Navorscher (1893) 391-393, (1894) 83-85. A. Le Cosquino de Bussy, Geschiedkundige atlas van Nederland. Marken in Utrecht ('s-Gravenhage 1925) 36, 55-58, 79-82. R. Fruin Th. Azn., 'De meente van den Leusderberg', Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot uitgave der bronnen van het Oude Vaderlandsche Recht 2 (1892) 528-544. W. van Iterson, De historische ontwikkeling van de rechten op de grond in de provincie Utrecht dl. 1 (diss.; Leiden 1932) 123-173, 608-667. W. van Iterson, 'De verdeling der mark van 'de gebuurten van den Achterdijk' te Achterberg', Jaarboek Oud-Utrecht (1956) 42-70. W. van Iterson, De stad Rhenen. De resultaten van een rechtshistorisch onderzoek (Assen 1960) 178-179. S. Muller Fzn., 'De borchluden van Ter Horst', Verslagen en mededeelingen van de Vereniging tot uitgave der bronnen van het Oude Vaderlandsche Recht 5 (1909) 119-128. W.A.G. Perks, Hoe uit een Frankische villa een 20e-eeuws landgoed ontstond. Leusden: den Treek en de Boom (Alphen a/d Rijn 1965) 11-24, 31-39, 46-58. J. Renaud, 'Ter Horst', in: B. Olde Meierink e.a. red., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht (Utrecht 1995) 259-260. H. Renes e.a., Leusden. Geschiedenis en architectuur (Monumenten-Inventarisatie Provincie Utrecht 21) (Zeist 1998) 2. Archivalia van de Mark de Gebuurten van den Dijk te Achterberg bij Rhenen, 1921- 1956 1 Notulen van de algemene en bijzondere vergaderingen 1921-1955 1 deel 2 Presentielijsten van de algemene vergaderingen 1951 en 1955-1956 1 omslag 3 Jaarrekeningen 1945-1956 1 deel 4 Bijlagen bij de jaarrekeningen 1954-1956 1 omslag 5 Verklaring van D. Leccius de Ridder namens de mark dat E. Beijer bepaalde werkzaamheden mag uitvoeren op een door hem gepacht perceel (gemeente Veenendaal, sectie C, nr. 296) tegen een door het Centraal Bureau Defensieschade toe te kennen vergoeding. Concept 1947 1 stuk 6 Verzoekschrift van de mark aan Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht om het Besluit van het Bestuur van het waterschap Grebbe van 1 februari 1951 te vernietigen en ontheffing te verlenen van de litigieuze omslagen en dijklasten voor de aan de mark toebehorende percelen 1951 1 stuk 7 Overeenkomst tussen de N.V. Provinciale Geldersche Electriciteitsmaatschappij, de N.V. Provinciaal en Gemeentelijk Utrechts Stroomleveringsbedrijf en de mark inzake de aanleg en instandhouding van de 150 kv-koppellijn Nijmegen-Veenendaal op twee aan de mark toebehorende percelen in de gemeenten Veenendaal (sectie E, nr. 33) en Rhenen (sectie K, nr. 135) 1952 1 stuk 8 Samenvatting van het advies van prof.dr. W. van Iterson aan de mark betreffende de verdeling van de mark 1954 1 stuk 9 Advies van S.J. Fockema Andreae aan de burgemeester van Rhenen inzake de verdeling van de mark. Afschrift 1954 1 stuk

Archieven

Ga naar