Archief van de mark van de meent van de leusderberg 1561-1590

1101-1 inventaris van het archief van de mark van de meent van de leusderberg (1550) 1561-1590, door k. van vliet 1550 1890 K. van Vliet 1101-1 Mark van de meent van de Leusderberg Het Utrechts Archief Titel inventaris inventaris van het archief van de mark van de meent van de leusderberg (1550) 1561-1590, door k. van vliet Titels nadere toegangen Geen nadere toegangen Rubriek 1.7 Marken Nummer 1101-1 Titel Mark van de meent van de Leusderberg Datering (1550) 1561-1890 Omschrijving Inventarisen van de archieven van marken in de provincie Utrecht Auteur K. van Vliet Datering toegang 2000 Openbaarheid Volledig openbaar Rechtstitel Overbrenging van een overheidsarchief 01 Algemeen Rubrieken 1.7 Marken Rubrieken 1. Inleiding 1.1. Algemeen Een mark kan omschreven worden als: een organisatie van een beperkt aantal personen, gericht op het beheer van hun gezamenlijke gebruiksrechten op ongecultiveerde gronden. De mate waarin men gerechtigd was, hing samen met het aantal waardelen waarover men beschikte, waarbij het bezit van één waardeel gelijk stond aan het bezit van één hoeve. 1 Het vroegste ontstaan van markenorganisaties wordt tegenwoordig in de twaalfde en dertiende eeuw geplaatst. In die periode gingen veel traditionele gebruikers van de woeste gronden ertoe over zich in marken te verenigen, als reactie op de sterke bevolkingsgroei en de grote ontginningsactiviteit van die dagen. Met name in Oost-Nederland en op de Veluwe kwamen op grote schaal markenorganisaties tot stand. 1 Vgl. R.M. Kemperink, De mannen van Weede en Emmeklaar. Enkele terreinverkenningen in de geschiedenis van een middeleeuws maalschap, in: J.A. Brongers e.a. (red.), Amersfoortse opstellen Historie, archeologie en monumentenzorg (Amersfoort 1989) 25-49, aldaar 26-27. Voetnoot In het Sticht waren er verschillende op de Utrechtse Heuvelrug. De term 'mark' of 'marke' komt in dit gebied overigens pas vanaf begin negentiende eeuw voor. De oudste marken, zoals die van Rhenen of Hoogland bij Amersfoort, werden 'maalschappen' genoemd en de markgenoten 'malen'. In de late Middeleeuwen breidde het aantal markorganisaties in dit gebied zich verder uit. Deze latere organisaties kwamen voort uit verbanden van in oorsprong hofhorige boeren, die hun oude domaniale verplichtingen hadden ingeruild voor een tijnsbetaling, maar met behoud van hun aandeel in de gebruiksrechten op de woeste gronden van het domein. Aanvankelijk fungeerden deze verbanden als burengemeenschap en ontbrak een formele organisatie. Pas in de zestiende eeuw ging een aantal van deze burengemeenschappen ertoe over zich in buurschappen te organiseren met een vast bestuur en een jaarlijkse vergadering, teneinde te komen tot een beter beheer van de collectieve rechten op de woeste gronden. In de Franse tijd werd vanuit de overheid de eerste stoot gegeven om te komen tot een verdeling van de markengronden en een ontbinding van de markenorganisaties. Achterliggend motief was de wens tot verdergaande ontginning van de overgebleven woeste gronden. Onder koning Willem I bleef de wetgeving die in 1809 en 1810 op dit punt tot stand was gebracht, van kracht. Tal van markenorganisaties werden in deze periode ontbonden. Na de invoering van de Markenwet van 10 mei 1886 resteerden in de provincie Utrecht alleen nog de marken van de Gebuurten van den Dijk te Achterberg onder Rhenen (tot 1955) en die van de Malen van Hoogland (tot op heden). 1.2. De Meent van Leusderberg De Meent van Leusderberg behoort tot de marken van de tweede categorie. In veertiende- en vijftiende- eeuwse bronnen wordt met regelmaat van de gemene buren of landgenoten van Leusden gerept. Van een formele organisatie blijkt echter niets. De Leusdense burengemeenschap was voortgekomen uit de bewonerskring van de 26 hoeven van de Leusdense domeinhof, die van oudsher aan de Utrechtse bisschop toebehoorde. Oorspronkelijk waren de hoevenbezitters horige boeren geweest, maar vanaf de veertiende eeuw waren zij de bisschop enkel nog een tijns verschuldigd. Daarnaast betaalden zij hun heer paardjesgeld, elke hoeve een bedrag van 4 gulden per jaar, als compensatie voor de wagendiensten die zij hem moesten leveren, alsmede hondenkoorn, een heffing voortgekomen uit de verplichting om de domeinheer voedsel en onderdak te bieden. Na 1528 vielen de inkomsten uit de Leusdense domeinhof toe aan de landsheerlijke domeinen van het Sticht, die eind zestiende eeuw onder beheer van de Staten van Utrecht kwamen. Het is in die periode dat er voor het eerst enige mate van organisatie ontstond ten aanzien van het beheer van de gemene gronden door de Leusdense hoevenbezitters. In 1561 hechtte het Hof van Utrecht haar goedkeuring aan een regeling met betrekking tot het beheer van deze gronden, opgesteld door 'de gemeen geërfden van de 26 houven gelegen onder Leusden'. Deze was er met name op gericht het stuiven van de Graeuwe Duinen op de Leusderberg (vermoedelijk de tegenwoordige Treeker Duinen) tegen te gaan. Van een vast bestuur kan pas worden gesproken als de Staten van Utrecht in 1605 een ordonnantie uitvaardigen, die de goedkeuring inhield van een door de geërfden opgesteld reglement. Daarin gaven zij ruimere bevoegdheden aan de vijf gecommitteerden die ze in 1595 hadden aangesteld. Voortaan zou het college van gecommitteerden of heemraden worden aangevoerd door een meentgraaf, die de heemraden eenmaal per jaar uit hun midden kozen. Ieder jaar op de eerste mei trad één van de vijf af, waarna de geërfden een opvolger in zijn plaats kozen. Heemraden en meentgraaf onderwierpen de meentgronden tweemaal per jaar, op 6 mei en daags na St.-Bartholomeus (24 augustus), aan een controle. Daarnaast stelden zij regels op voor het beheer van de meentgronden. Deze resoluties werden opgetekend in een register dat onder de meentgraaf berustte. Een schutter (ook wel bergbewaarder genoemd), in dienst van de mark, zag toe op de naleving van de regels. Op overtredingen van het door het college bepaalde, stond een boete van 6 stuivers. Tot het begin van de negentiende eeuw fungeerde een van de heemraden fungeerde als secretaris-penningmeester. Daarna werd voor dit ambt een aparte functionaris benoemd. Deze hield het register van in- en uitgaven bij en maakte de jaarrekening op, die door de geërfden moest worden goedgekeurd. Dit gebeurde op de vergadering, die jaarlijks op 1 mei werd gehouden. Lange tijd vond deze vergadering plaats in de St.-Joriskerk te Amersfoort. Na 1843 werd zij in een herberg te Leusden gehouden. De meent van de Leusderberg bestreek een omvangrijk deel van het bos- en heidegebied aan de oostzijde van de Utrechtse Heuvelrug. Aan de noordwest- en noordoostzijde werd dit gebied, oudtijds aangeduid als het Leusderveld, begrensd door de Vrijheid van de stad Amersfoort, aan de zuidzijde door het Henschoterveld (gerecht Woudenberg) en de oostzijde Leusbroek en het Heetveld. Daarmee omvatte het het grootste deel van het gerecht (Oud-)Leusden, de westelijke helft van de tegenwoordige gemeente Leusden. Blijkens een oude beschrijving uit 1594 (nr. 40-1) onderscheidde men binnen het Leusderveld: het Goortsbos (Goertsbosch) of de Lage Duinen (Leege Duijnen) in het zuidoosten, ten noorden daarvan de Grauwe of Hoge Duinen (Graeuwe Duijnen, Hooge Duijnen) ? waar eind zestiende eeuw nog enkele wolven werden gevangen - en ten oosten van deze duingebieden Hollo. Het beheer van de meentgronden was voornamelijk gericht op het weiden van schapen. Daarnaast werden deze gronden ook gebruikt voor het houden van bijen, het aanplanten van bos voor de houtkap (met name eikenhout), het steken van plaggen en het winnen van zand, stenen en keien. Vanaf ca. 1820 voerden meentgraaf en heemraad ook het beheer over het jachtrecht op de Leusderberg, ofschoon formeel eigendom van de koning. Nieuwe inkomsten trok de mark in de negentiende eeuw uit de exploitatie van een ijskelder bij het landhuis Den Treek waarin tot ver in de zomer ijs bewaard kon worden. Omstreeks 1880 werd deze kelder onder andere gebruikt door de Amersfoortsche Beiersche Bierbrouwerij. In die periode verkreeg de mark tevens inkomsten uit een concessie voor het afgraven van leem, verleend aan de Amersfoortse gasfabriek. Aanvankelijk waren er 26 hoeven deelgerechtigd in het gebruik van de meentgronden. Nadat de Fransen in het rampjaar 1672 een aantal hoeven hadden verwoest, werd in 1681 het aantal deelgerechtigden met een nieuwe hoeve uitgebreid. Nadien traden door verkoop en splitsing van bepaalde hoeven meermalen veranderingen op in dit aantal. Dientengevolge was er in de achttiende eeuw voortdurend discussie over het juiste aantal. In 1765 werd tenslotte bepaald dat alleen zij die een volle hoeve van 16 morgen bezaten en daarvan hondenkoorn en paardjesgeld betaalden, deelgerechtigd waren en stemgerechtigd in de vergadering van geërfden. Hierdoor werd de lijst van gerechtigde hoeven uiteindelijk weer tot 26 gereduceerd. Al in de zeventiende eeuw was de mark ertoe overgegaan delen van de gemene gronden te verkopen of in erfpacht te geven. De eerste plannen voor een volledige opdeling van de mark dateren uit de eerste helft van de negentiende eeuw, toen de opheffing van de markenorganisaties door de overheid tot beleid werd verheven. Meermalen waren deze plannen onderwerp van discussie in de vergadering van de geërfden, maar telkens ontbrak de vereiste meerderheid van stemmen. Pas nadat de Markenwet van 1886 was aangenomen, waarin bepaald werd een opdeling van de markgronden reeds bij één stem voor zou moeten plaatsvinden, viel ook in Leusden het doek voor de markenorganisatie. Nog datzelfde jaar werd op de jaarvergadering van 26 augustus op verzoek van mevrouw E.E.R. Roëll-de Beaufort besloten tot een verdeling van de meent. De heidevelden ten westen van de grindweg van Doorn naar Amersfoort die in 1840 over de Leusderberg was aangelegd, een terrein van 873 ha, werd verkocht aan het Rijk en bestemd tot militair oefenterrein. Voor het resterende grondgebied van 676 ha, waarvan 21 ha dennenbos en de rest heideveld, werd conform de Markenwet een plan voor verdeling opgesteld, waarna de verdeling op 26 december 1889 bij notariële akte werd voltrokken. 1.3. Gebuurten van den Dijk De mark de Gebuurten van den Dijk te Achterberg is ontstaan als gevolg van de herverdeling van de Rhenense meent in 1315. Deze meentgronden waren gelegen ten noorden en noordoosten van de stad Rhenen (op de grens van de gemeente Rhenen en de gemeente Veenendaal) en werden in dat jaar verdeeld onder alle eigengeërfden van de oude Rhenense mark. Daarbij werd een aanzienlijk gedeelte toegewezen aan de stad Rhenen, later aangeduid als de stadsmeent. Zes hoeven broekland en zes hoeven veenland grenzend aan deze stadsmeent werden gereserveerd voor de bisschop van Utrecht, die als heer van het goed Ter Horst aan de voet van de Grebbeberg tot de belangrijkste grondheren in de Rhenense mark behoorde. Nog in datzelfde jaar schonk bisschop Gwijde van Avesnes de gebruiksrechten van deze twaalf hoeven, namelijk het recht om eigen vee te weiden en turf te steken voor eigen gebruik, aan de 'borchsaten van zijn kasteel Ter Horst, allen degeenen die in onsen camer woonen en den coters die buyten woonen', oftewel: 1. de leden van de vaste bezetting van het kasteel (niet te verwarren met de Rhenense borgmannen die tot de leenmannen van de bisschop behoorden), 2. de bewoners van de kamerwoningen van de bisschop bij het kasteel en aan de naastgelegen Dijk, en 3. de keuterboeren in de directe omgeving daarvan. De tweede groep blijkt reeds in 1329 een burengerecht te vormen, in latere bronnen aangeduid als het gerecht In de Dijk. Dit gerecht werd voorgezeten door de kastelein van Ter Horst, een ambtenaar van de bisschop. Na de verwoesting van het kasteel Ter Horst in 1528 hield het gerecht op te bestaan en kwamen de Dijkbewoners onder de jurisdictie van schout en schepen van de stad Rhenen. Waar in de late Middeleeuwen steeds sprake was van drie verschillende groepen die gezamenlijk de gebruiksrechten van de genoemde twaalf hoeven beheerden, verdwenen deze verschillen na 1528. Nadien traden de Dijkers steeds als één gemeenschap naar voren met een collectief bezit. Voorts blijkt het aantal gerechtigden met betrekking tot dit bezit kort na 1528 te zijn gefixeerd. Het aandeel in de collectieve rechten was gekoppeld aan het bezit van een van de 28 Dijkershuizen. Van deze huizen waren er 22 gelegen aan de Dijk, de overige 6 aan de daarop aansluitende Cuneraweg. De organisatie van de mark was volledig op gewoonterecht gebaseerd; in een reglement was niet voorzien. De gemeenschap van buren werd vertegenwoordigd door twee buurmeesters, die eens per jaar door de gezamenlijke buren werden gekozen. Dit gebeurde op de jaarlijkse vergadering op Vastenavond, waar ook de aftredende buurmeesters rekening en verantwoording aflegden. Vanaf ca. 1840 hadden deze vergaderingen plaats in Rhenen. In de jaren na 1940 werd uitgeweken naar het kantoor van de Coöperatie Landbouwbelang aan de Vogelenzangseweg, maar in 1953 keerde men terug naar hotel Het wapen van Rhenen. Voor het financieel beheer werden de buurmeesters bijgestaan door een bezoldigd administrateur, aanvankelijk aangeduid als cameraar. Deze administrateur was als secretaris tevens verantwoordelijk voor de notulen van de jaarlijkse vergaderingen. Hij was echter geen lid van het bestuur en hoefde geen markgenoot te zijn. De mark van de Gebuurten van de Dijk heeft zijn bestaan tot ver in de twintigste eeuw kunnen rekken. Wel waren vanaf de late zeventiende eeuw al grote delen van de markgronden in pacht gegeven, waardoor het collectieve gebruik van deze gronden steeds meer in verval was geraakt. Het duurde tot 1954 eer tot een definitieve opdeling van de collectieve gronden conform de Markenwet van 1886 werd besloten. Op 30 december 1955 werd de verdeling van de gemene gronden bij notariële akte voltrokken. 1.4. Archieven Samen met het archief van de Malen van Hoogland (sinds 1989 in bewaring bij de Gemeentelijke Archiefdienst Amersfoort) is het archief van de Meent van de Leusderberg het enige goed bewaarde markenarchief in de provincie Utrecht. Na de opheffing van de mark is het door de laatste meentgraaf in 1890 overgedragen aan het Rijksarchief Utrecht, overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 van de Markenwet van 1886. De omvang van het overgedragen bestand bedroeg 1,5 m. Van het archief van de Gebuurten van den Dijk is slechts een klein aantal stukken bewaard gebleven, die alle dateren uit de laatste decennia van het bestaan van deze mark. Op grond van het genoemde artikel uit de Markenwet werden ook deze stukken (0,1 m) na de opheffing van de mark in 1956 overgebracht naar het Rijksarchief Utrecht. 1 1 HUA, Archief van het Rijksarchief in de provincie Utrecht, inv.nr. 93, nrs. 222 en 231. Zie ook: Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven 1956 2e serie, 29 ('s-Gravenhage 1957) 76. Voetnoot Beide archieven zijn na de overbrenging van een eenvoudige toegang voorzien. De huidige inventaris geeft een meer uitvoerige beschrijving van de stukken alsmede een korte inleiding. Daarbij is de ordening van het archief van de meent van de Leusderberg ingrijpend gewijzigd teneinde de gebruiker een beter inzicht te geven in de aard van het archief en het functioneren van de organisatie. 1.5. Literatuur J. Anspach, Dijkers, De Navorscher (1893) 391-393, (1894) 83-85. A. Le Cosquino de Bussy, Geschiedkundige atlas van Nederland. Marken in Utrecht ('s-Gravenhage 1925) 36, 55-58, 79-82. R. Fruin Th. Azn., 'De meente van den Leusderberg', Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot uitgave der bronnen van het Oude Vaderlandsche Recht 2 (1892) 528-544. W. van Iterson, De historische ontwikkeling van de rechten op de grond in de provincie Utrecht dl. 1 (diss.; Leiden 1932) 123-173, 608-667. W. van Iterson, 'De verdeling der mark van 'de gebuurten van den Achterdijk' te Achterberg', Jaarboek Oud-Utrecht (1956) 42-70. W. van Iterson, De stad Rhenen. De resultaten van een rechtshistorisch onderzoek (Assen 1960) 178-179. S. Muller Fzn., 'De borchluden van Ter Horst', Verslagen en mededeelingen van de Vereniging tot uitgave der bronnen van het Oude Vaderlandsche Recht 5 (1909) 119-128. W.A.G. Perks, Hoe uit een Frankische villa een 20e-eeuws landgoed ontstond. Leusden: den Treek en de Boom (Alphen a/d Rijn 1965) 11-24, 31-39, 46-58. J. Renaud, 'Ter Horst', in: B. Olde Meierink e.a. red., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht (Utrecht 1995) 259-260. H. Renes e.a., Leusden. Geschiedenis en architectuur (Monumenten-Inventarisatie Provincie Utrecht 21) (Zeist 1998) 2. Inventaris 2.1. Stukken van algemene aard Registers met resoluties en notulen (vanaf 1824) van de vergaderingen van de geërfden en van meentgraaf en heemraden, (1550) 1594-1889 (1550) 1594-1889 3 delen Vanaf 1872 bevatten deze registers ook jaarlijkse visitatieverslagen. NB 1 (1550) 1594-1695 Dit deel bevat ook afschriften van enkele oudere stukken. Voorin bevindt zich een index met beknopte samenvatting van de stukken in het register, aangelegd in 1642, waarin ook andere stukken worden opgesomd die bij het register 'int kissgen' werden bewaard. Een soortgelijke index, aangelegd ca. 1700, is als los katern voorin het register bijgevoegd. NB 2 1700-1877 Voorin een lijst van de 31 vrijhoeven op de Leusderberg, erkend in de vergadering van het college en geërfden van 1 mei 1850, gedrukt. NB 3 1877-1889 4 Bekendmakingen van meentgraaf en heemraden, (18e en 19e eeuw). Gedrukt (18e en 19e eeuw). Gedrukt 1 omslag Kopieboek, 1872-1889 1872-1889 2 delen 5 Deel 1, 1872-1874 1872-1874 6 Deel 2, 1874-1889 1874-1889 7 Circulaires van het provinciaal bestuur, ingekomen bij meentgraaf en heemraden, 1817 1817 1 omslag 8 Brieven ingekomen bij meentgraaf en heemraden, 1839, 1863, 1878-1886 1839, 1863, 1878-1886 1 omslag 9 Kladaantekeningen van de secretaris, (19e eeuw) (19e eeuw) 1 omslag 2.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen 2.2.1. Organisatie 2.2.1.1. Reglementering 10 Ordonnantie van het Hof van Utrecht, houdende goedkeuring van verschillende door de geërfden ontworpen artikelen om het stuiven van het zand tegen te gaan, 1561. Afschriften, (17e eeuw). 1 omslag Uitgave: R. Fruin, 'De meente van den Leusderberg', nr. 1, 533-535. NB 11 Provisionele ordonnantie van de 26 hoeven, opgesteld door de geërfden op 19 december 1604, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Utrecht op 25 juni 1605. Afschriften, (17e en 18e eeuw). 1 omslag Uitgave: R. Fruin, 'De meente van den Leusderberg', nr. 2, 535-541. NB 12 Verzoekschrift van meentgraaf en heemraden aan Gedeputeerde Staten van Utrecht om de geërfden van de 26 hoeven te verbieden zonder hun toestemming hout te hakken, met appointement, 13 juli 1631. Met een afschrift, (18e eeuw). 1 omslag 13 Verzoekschrift van meentgraaf en heemraden aan Gedeputeerde Staten van Utrecht om de boeten, gesteld op het overtreden van de bepalingen van de ordonnanties van 1605 en 1631, bij parate executie te mogen innen, met appointement, 1632 aug. 9. Met afschriften, (17e eeuw). 1 omslag 14 Verzoekschrift van meentgraaf en heemraden aan het Hof van Utrecht om de geërfden van de 26 hoeven te handhaven in hun rechten op het weiden van schapen, het steken van plaggen, het kappen van hout en het afgraven van turf op de meent van de Leusderberg en dit andere personen te verbieden, op straffe van inbeslagname en verbeurdverklaring door meentgraaf en heemraden van de clandestien verworven plaggen, hout en turf of de clandestien geweide schapen en de inning van een geldboete, met appointement, 1672 mrt. 14 1672 mrt. 14 1 stuk 15 Stukken betreffende het vaststellen van een nieuwe ordonnantie voor de 26 hoeven door de geërfden in overleg met het gerecht van Leusden en met de goedkeuring van Gedeputeerde Staten van Utrecht, 1765-1769. Met bijlagen, 1721, 1744. 1 pak In eerste instantie hadden meentgraaf en heemraden deze artikelen willen vaststellen zonder de instemming van de geërfden. NB 2.2.1.2. Grondgebied Kaarten en beschrijvingen van de Leusderberg, 1594-ca. 1850 1594-ca. 1850 1 stuk en 6 bladen 16 Kaart in vogelvlucht van de Utrechtse Heuvelrug, gezien vanaf Leusden, Amersfoort en Soest naar Zeist en Utrecht, met een beschrijving van het Leusderveld, Goerts Bos, de Graeuwe Duinen en Holloo op de achterzijde, 1594 1594 Bij deze beschrijving is ook een aantekening gevoegd over de vangst van wolven in de Grauwe Duinen op gezag van de Staten van Utrecht. NB 17 Afschrift van voorgaande beschrijving, (17e eeuw) (17e eeuw) 1 stuk 18 Kopie en afschrift van voorgaande kaart en beschrijving door J. van Diepenem, 1646 1646 19 Kaart van vier percelen tussen de Wechg naer Uijtert, de Wechg naer de schaepscotten en de Wechg naer Hees, (17e eeuw) (17e eeuw) 20 Kaart van enkele percelen tussen de Amersfoortschen wech en de Kerckwech, ten noorden van het Henschoterveld en de meent van Woudenberg, (17e eeuw) (17e eeuw) 21 Schetskaart van de Leusderberg, ca. 1850 ca. 1850 22 Overeenkomst tussen de geërfden en de kerkmeesters van de Onze-Lieve-Vrouwekapel te Amersfoort over de grenzen van de wederzijdse bezittingen, 1613. Met afschriften hiervan en van stukken betreffende de grens van de meent van de Leusderberg en het gebied, waar het bijluidengild van Amersfoort zijn korven mag plaatsen, 1608-1613 1608-1613 1 omslag 23 Stukken betreffende het proces aangespannen door meentgraaf en heemraden tegen het gerecht van Zeist bij het Hof van Utrecht over de grenzen tussen de meent en het gerecht, 1648-1649 1648-1649 1 pak 24 Getuigenverklaring van Theunis Hendriksen over het plaatsen van grenspalen op de Leusderberg, 1790 1790 1 stuk 25 Brieven van burgemeester en wethouders van Amersfoort aan meentgraaf en heemraden over het maken van een grensscheiding tussen het grondgebied van beide colleges, 1855 1855 1 omslag 26 Stukken betreffende de vermelding van de eigendommen van de Leusderberg in de kadastrale leggers, 1833-1859 1833-1859 1 omslag 2.2.1.3. Opheffing 27 Notulen van een vergadering van de commissie ingesteld door meentgraaf en heemraden en de geërfden om te onderzoeken of het verdelen van de meent in het belang van de geërfden zou zijn, met bijlagen, 1838 1838 1 omslag 28 Verslag van de commissie ingesteld door de geërfden om te onderzoeken de noodzaak van een herziening van de ordonnantie of een verdeling van de meent, 1865 1865 1 katern Stukken betreffende de verdeling van de meent, 1886-1889 1886-1889 1 omslag en 2 bladen 29 1886-1889 1 omslag 30 Uittreksel uit het kadastrale plan, Gemeente Leusden, Sectie A. Kaart van een perceel in de noordwesthoek van de meent van de Leusderberg (schaal 1:2500), bijlage bij het Plan van Verdeeling van den Leusderberg (in duplo), 1887 1887 2 bladen Het overgrote deel van de te verdelen meentgrond lag in sectie B van de gemeente Leusden. Hiervan is geen kaart als bijlage van deze stukken overgeleverd. Voor het verdelingsplan van dit gedeelte van de meent zie nr. #104-b-2. NB 31 Stukken betreffende het in eigendom of in gebruik afstaan van een gedeelte van de Leusderberg voor het houden van militaire oefeningen, 1856-1887 1856-1887 1 pak Hierbij ook stukken betreffende de verkoop van een gedeelte van het terrein van de Leusderberg aan de gemeente Amersfoort ten behoeve van het garnizoen aldaar en omtrent de afkoop van het jachtrecht van de koning op die gronden. NB 32 Akte van verkoop door de geërfden aan de gemeente Amersfoort van de meentgrond ten westen van de provinciale weg van Amersfoort naar Doorn met het bijbehorende jachtrecht, 1887 1887 1 stuk 33 Stukken betreffende de overdracht door de geërfden aan de gemeente Leusden van de openbare wegen op de Leusderberg en de aanleg van nieuwe wegen en waterleidingen, 1887-1889 1887-1889 1 omslag 34 Verklaring van burgemeester en wethouders van Leusden dat het onderhoud van de Dodenweg van Oudleusden tot het Hertenhuis, dat voorheen ten laste kwam van meentgraaf en heemraden en Willem Pater, door de gemeente Leusden is overgenomen, 1887 1887 1 stuk 35 Akte van verkoop door de geërfden aan Hendrik Johan Herman baron van Boetzelaar van Oosterhout, burgemeester van Leusden, van een perceel duin- en heidegrond op de Leusderberg, 1888 1888 1 stuk Akte van overdracht door de geërfden aan de gemeente Leusden van de openbare wegen op de Leusderberg, 1889. Met bijlagen 1889. Met bijlagen 1 omslag en 1 blad 36 1889 1 omslag 37 Plan der verdeeling van den Leusderberg. Gemeente Leusden, Sectie B. Kaart van de Leusderberg met daarop aangegeven de verdeling van de meentgrond en de aan de gemeente Leusden over te dragen openbare wegen (schaal 1:5000), 1889 1889 1 blad 38 Akte van verdeling tussen de geërfden van de meent van de Leusderberg, 1889 1889 1 deel 39 Stukken betreffende de restitutie van een deel van het door de ontvanger der registratie geheven recht op de akte van overdracht van de wegen van de meent aan de gemeente Leusden, 1890 1890 1 omslag 2.2.2. Bestuur 2.2.2.1. College van meentgraaf en heemraden 40 Kennisgevingen van heemraden en secretarissen, dat zij hun betrekking neerleggen, 1845-1871 1845-1871 1 omslag 41 Kennisgevingen aan meentgraaf en heemraden van het overlijden van leden van het college, 1871, 1881 1871, 1881 1 omslag 42 Instructie voor de secretaris-penningmeester, 1872 1872 1 omslag 43 Stukken betreffende de vervulling van de betrekking van secretaris-penningmeester, 1866-1872 1866-1872 1 omslag 2.2.2.2. Geërfden 44 Lijsten van de vrijhoeven en hun eigenaren, (18e en 19e eeuw) (18e en 19e eeuw) 1 omslag 45 Legger van de vrijhoeven met opgave van de eigenaren, 1886-1887 1886-1887 1 deel 46 Concept van een memorie van meentgraaf en heemraden aan het hof van Utrecht betreffende Peter Peters, wachtmeester, die beweerde geërfde te zijn, (17e eeuw) (17e eeuw) 1 stuk 47 Convocatielijsten voor de vergaderingen van de geërfden, 1682-1888 1682-1888 1 omslag 48 Convocatiebiljetten voor de vergaderingen van de geërfden, 1777, 1872-1889 1777, 1872-1889 1 omslag 49 Brief van de procurator van de erven van Willem Brandse van Ginkel aan de meentgraaf, meldende dat hij geen oproep heeft ontvangen voor de vergadering van geërfden van de Leusderberg, 1825 1825 1 stuk 50 Machtigingen van geërfden om hun belangen in de vergaderingen van de geërfden door een ander te laten waarnemen, 1739-1886 1739-1886 1 pak 51 Brief van de weduwe baronnes van Hardenbroek van Lockhorst aan de secretaris, betogende dat zij als eigenares van Hyligenbergzigt gerechtigd is in de meent van de Leusderberg en bevoegd is de haar als geërfde toekomende rechten te verpachten aan iemand die niet tevens huurder van haar vrijhoeve is, 1846 1846 1 omslag 52 Stukken betreffende een nieuwe regeling voor het toewijzen van het aantal stemmen aan de geërfden, 1867 1867 1 omslag 2.2.3. Middelen 2.2.3.1. Archief 53 Stukken betreffende een geschil tussen meentgraaf en heemraden en de geërfden over de eigendom van de archiefstukken die door de overleden secretaris A. van Brinckesteijn in het kistje werden bewaard, 1700 1700 1 omslag Hierbij bevindt zich ook een inventaris van de inhoud van het kistje, opgemaakt in aanwezigheid van de geërfden. NB 54 Lijst van archiefstukken door secretaris Methorst gelicht uit de boedel van zijn overleden voorganger G. van Coevorden, 1779 1779 1 stuk 55 Verslag van de commissie, ingesteld door het college van meentgraaf en heemraden om te onderzoeken de toestand van de kas en het archief. Met een concept, 1872 1872 1 omslag 2.2.3.2. Financiën 2.2.3.2.1. Verplichtingen aan hogere besturen 56 Register van de akten, gepasseerd voor meentgraaf en heemraden, aangelegd overeenkomstig het besluit van de directeur-generaal van de indirecte belastingen van 17 januari 1816 (nr. 17), 1825-1860 1825-1860 1 omslag 57 Kwitantie van de hof- en tijnsmeester-generaal van de domeinen van Utrecht van de afkoop van het paardjesgeld van een perceel te Leusden, toebehorende aan Arris Hendrikse. Afschrift, 1797 1797 1 stuk 58 Stukken betreffende de omslag van de kosten, veroorzaakt door de pogingen om van de betaling van het paardjesgeld over de jaren 1674-1687 bevrijd te zijn, 1696-1701 1696-1701 1 omslag 59 Stukken betreffende de voor de Leusderberg te betalen grondbelasting en de gedeeltelijke vrijstelling ervan wegens voorgenomen ontginning, 1873-1890 1873-1890 1 omslag 60 Akte van verkoop door Henric Arent van Sevender en Antoni van Goudoever, notarissen te Amersfoort, aan Aelbert Tonissen Voskuylen en zijn vrouw van het land en bos De Norten te Leusden, onder voorbehoud van de daarop rustende grondheerlijke lasten, waaronder het hondenkoorn en paardjesgeld, en het recht van heiden en weiden, plaggen etc. op de Leusderberg. Afschrift, 1699 1699 1 stuk Uitgave: R. Fruin, 'De meente van den Leusderberg', nr. 4, 543-544. NB 2.2.3.2.2. Geldleningen 61 Stukken betreffende een overeenkomst van meentgraaf en heemraden met baron van Petersen en heer van Heiligenberg, met goedkeuring van de Gedeputeerde Staten van Utrecht, waarbij zij hem toestaan het recht van schaapsdrift en de andere rechten van de geërfden op de meent tegen een som van 400 gulden, bestemd voor de aflossing van een lening, 1682 1682 1 omslag Bij deze stuikken ook een verzoekschrift van meentgraaf en heemraden aan Gedeputeerde Staten (met appointement), dat in uitgave is verschenen in: R. Fruin, 'De meente van den Leusderberg', nr. 3, 542-543. NB 62 Afgeloste obligaties ten laste van de Leusderberg, 1662-1764 1662-1764 1 omslag 2.2.3.2.3. Eigendommen 2.2.3.2.3.1. Verkoop 63 Akte van opmeting van de percelen land, door de geërfden verkocht. Afschrift, 1652 1652 1 stuk 64 Verzoekschrift van meentgraaf en heemraden aan Gedeputeerden Staten van Utrecht om vanwege de hoge onkosten die zij de laatste tijd hebben moeten maken, een zeker stuk land te mogen verkopen, met afwijzende beschikking, 1665 1665 1 stuk 65 Stukken betreffende de onderhandelingen tussen meentgraaf en heemraden en Hendrik Daniel Hooft van Woudenberg van Geerestein over de verkoop van een stuk heidegrond behorend tot de meent, 1842, 1856 1842, 1856 1 omslag 66 Stukken betreffende het voorstel van de gemeente Leusden om van meentgraaf en heemraden een stukje meentgrond te kopen ten behoeve van de aanleg van een begraafplaats, 1871 1871 1 omslag 2.2.3.2.3.2. Erfpacht en verhuur 67 Akten van verhuur door meentgraaf en heemraden van tot de meent behorende landerijen, 1775-1849 1775-1849 1 omslag 68 Insinuatie van meentgraaf en heemraden aan Dirck Besselsen, dat als hij de van zijn land en huis Cout Hooren verschuldigde huur niet tijdig betaald, hem de huur wordt opgezegd, 1735 1735 1 stuk 69 Verzoekschrift van P. Broekhuizen aan meentgraaf en heemraden met verzoek, dat in het vervolg de hofstede, die hij van de geërfden in huur heeft, mag worden aangemerkt als hofstede niet met twee paarden maar met één paard, 1885 1885 1 stuk 70 Akten van erfpacht door meentgraaf en heemraden van tot de meent behorende landerijen, 1710-1857 1710-1857 1 omslag 71 Akten van verkoop van onroerende goederen, waaruit erfpachten of andere jaarrenten verschuldigd zijn aan de geërfden, 1700, 1772 1700, 1772 1 omslag 72 Insinuatie van meentgraaf en heemraden aan de weduwe van Gijsbert Lodder om haar achterstallige erfpacht te voldoen, 1785 1785 1 stuk 73 Resolutie van meentgraaf en heemraden, waarbij Lenart Janssen vergund wordt de erfpacht van zijn goed De Treek af te kopen, 1644. Met een afschrift, 1770. 1 omslag 74 Stukken betreffende het afkopen van het eigendomsrecht van de geërfden op de in erfpacht uitgegeven gronden door de erfpachters, 1867-1869 1867-1869 1 omslag 2.2.3.2.4. Jaarrekening Rekeningen van de penningmeester, 1635-1680, 1682-1889 1635-1680, 1682-1889 7 banden, 1 pak en 1 omslag 75 1635-1677 76 1678-1680 1 omslag 77 1682-1731 78 1732-1769 79 1770-1787 80 1788-1800 81 1801-1825 82 1826-1850 83 1851-1889 1 pak Bijlagen bij de rekeningen, (1623) 1635-1890 (1623) 1635-1890 4 pakken 84 (1623) 1635-1680 85 1681-1800 (met hiaten) 86 1801-1850 87 1851-1890 2.2.3.2.5. Boekhouding 88 Lijst van personen die in de uitzetting van de 26 hoeven moeten bijdragen, 1623 1623 1 katern Afschriften van andere uitzettingen vanaf 1562 zijn te vinden in het eerste deel van het Resolutieboek. NB 89 Lappen (lijsten van inkomsten en uitgaven), 1654, 1720-1751 (met hiaten) 1654, 1720-1751 (met hiaten) 1 omslag 90 Lijst van nog te ontvangen inkomsten over 1773-1776, 1776. 1 stuk 91 Debiteurenboek, 1791-1803 1791-1803 1 deel De debiteuren zijn alfabetisch gerangschikt. NB 92 Kasboek, 1811-1871 1811-1871 1 deel Journaal, 1872-1890 1872-1890 2 delen 93 1872-1877 94 1878-1890 95 Resolutie van meentgraaf en heemraden betreffende het boeken van verschuldigde maar nog niet ontvangen inkomsten, 1766 1766 1 stuk 96 Liquidatie tussen de secretaris-penningmeester Gerrit Methorst en notaris Anthonij Voskuyl (als administrateur van de goederen van de overleden secretaris-penningmeester G. van Coevorden), 1778 1778 1 stuk 97 Kladaantekeningen van de penningmeester, (18e en 19e eeuw) (18e en 19e eeuw) 1 omslag 2.2.4. Taken 2.2.4.1. Toezicht 98 Attestaties van de bergbewaarder van de Leusderberg waaruit blijkt dat onbevoegden de Leusderberg hebben gebruikt om schapen te weiden, plaggen te steken, etc., 1651, 1653, 1668 1651, 1653, 1668 1 omslag 99 Aankondigingen van visitaties van de Leusderberg door meentgraaf en heemraden, 1789, 1878, 1885-1886 1789, 1878, 1885-1886 1 omslag 100 Verslag van een inspectie van de grensmarkering van de Leusderberg door enkele heemraden, 1866 1866 1 stuk 2.2.4.2. Beheer 2.2.4.2.1. Schapenhouderij 101 Lijsten van de schaapstreken op de Leusderberg, (17e eeuw) (17e eeuw) 1 omslag 102 Waarschuwing van meentgraaf en heemraden dat onbevoegden hun beesten niet op het terrein van de Leusderberg laten weiden, 1668 1668 1 stuk 103 Overeenkomst tussen de secretaris en Aert Berents, die zijn schapen op het Leusderveld had laten weiden, 1672 1672 1 stuk 2.2.4.2.2. Bijenteelt 104 Waarschuwing van meentgraaf en heemraden dat geen onbevoegden bijenkorven op het terrein van de Leusderberg plaatsen, 1657 1657 1 stuk 105 Stukken betreffende een proces voor het hof van Utrecht tussen meentgraaf en heemraden en Jacob Gerrits van Blootenburg te Leusderbroek over het plaatsen van bijenkorven op de Leusderberg, 1662 1662 1 omslag 106 Stukken betreffende een geschil tussen meentgraaf en heemraden en de municipaliteit van Leusden over de vraag of de ingezetenen van dat dorp recht hebben bijenkorven op de Leusderberg te plaatsen, 1795 1795 1 omslag 2.2.4.2.3. Bosbouw 107 Condities en voorwaarden voor de openbare verkoop door meentgraaf en heemraden van eikenhout en ander hakhout, 1622, 1732, 1743, 1753, 1762, 1772, 1782, 1791 1622, 1732, 1743, 1753, 1762, 1772, 1782, 1791 1 omslag 108 Akten van verkoop door meentgraf en heemraden van heggen- en hakhout, 1673, 1679, 1687, 1694, 1701 1673, 1679, 1687, 1694, 1701 1 omslag 109 Aankondigingen door meentgraaf en heemraden van openbare verkopingen van hakhout, 1772, 1795, 1887 1772, 1795, 1887 1 omslag 110 Lijsten van de opbrengsten van de openbare verkoop door meentgraaf en heemraden van hakhout, 1796, 1815, 1822, 1871, 1879 1796, 1815, 1822, 1871, 1879 1 omslag 111 Stukken betreffende een proces voor het kantongerecht van Amersfoort tussen de secretaris- penningmeester tegen A. en J. Langelaar over de betaling van een partij hakhout, 1857 1857 1 omslag 2.2.4.2.4. Plaggen-, zand- en grindwinning 112 Insinuaties van meentgraaf en heemraden aan Jan van Vlooswijck wegens het onrechtmatig afgraven en toeeïgenen van meentgrond, 1629-1643 1629-1643 1 lias 113 Stukken betreffende een proces voor het Hof van Utrecht tussen meentgraaf en heemraden en Gerrit Jansz., die plaggen van de Leusderberg gehaald had, 1663-1665 1663-1665 1 omslag 114 Stukken betreffende een proces voor het hof van Utrecht door meentgraaf en heemraden en Willem Buys, koster te Leusden, die plaggen van de Leusderberg gehaald had, 1664-1665 1664-1665 1 omslag 115 Overeenkomst tussen meentgraaf en heemraden en Joachim Cornelissen, die plaggen van de Leusderberg gehaald had zonder daartoe bevoegd te zijn, 1667 1667 1 stuk 116 Insinuatie van meentgraaf en heemraden aan Willem Jansen om geen heide meer van de Leusderberg te halen, 1667 1667 1 stuk 117 Verzoekschrift van meentgraaf en heemraden aan Gedeputeerden Staten van Utrecht om Johannes van Doorn, aan wie Gedeputeerde Staten hebben vergund om op de heide in de provincie Utrecht keien te mogen uitgraven en vervoeren naar de zeedijken, dit recht te ontzeggen op de Leusderberg, met appointement, 1736 1736 1 stuk 118 Insinuatie van meentgraaf en heemraden aan Cors Hendriksen om zich te onthouden van het halen van plaggen van de Leusderberg, 1777 1777 1 stuk 119 Processen-verbaal, opgemaakt door de gemeenteveldwachter van Leusden, tevens opzichter van de Leusderberg, tegen personen die brandzoden op de Leusderberg staken, 1826, 1833 1826, 1833 1 omslag 120 Aantekening over de waarde van de wal die Lenert Jansz. van de Treek zonder vergunning van meentgraaf en heemraden had afgegraven, 1669 1669 1 stuk 121 Extract uit de resoluties van het stadsbestuur van Amersfoort, waarbij wordt goedgekeurd de overeenkomst van gecommitteerden van dit bestuur en meentgraaf en heemraden over steenwinning op de Leusderberg ten behoeve van de stad, 1722 1722 1 stuk 122 Extract uit de resoluties van meentgraaf en heemraden, waarbij verboden wordt van de wegen op de berg zand af te graven, 1745 1745 1 stuk 123 Formulieren van meentgraaf en heemraden voor het verstrekken van vergunningen voor het steken van brandplaggen, (19e eeuw). Gedrukt. 1 omslag 124 Lijsten van personen aan wie een vergunning is verstrekt om stroheide, stroplaggen en brandplaggen van de Leusderberg te halen, 1874-1887 1874-1887 1 omslag 125 Aanvragen om zand, grind of plaggen van de Leusderberg te mogen halen, ingediend bij meentgraaf en heemraden, 1872-1873, 1887 1872-1873, 1887 1 omslag 126 Contracten voor het winnen van grind op de Leusderberg, 1873, 1876 1873, 1876 1 omslag 2.2.4.2.5. Jacht 127 Akten van verhuur door meentgraaf en heemraden van de jacht (per seizoen) op de Leusderberg, 1820-1827 1820-1827 1 omslag 128 Verklaring van verschillende geërfden dat zij tegen de daarvoor vastgestelde prijs gebruik willen maken van het recht om op de Leusderberg te jagen, 1842 1842 1 stuk 2.2.4.2.6. Overige 129 Condities van de verpachting van het plukken van de dopheide, 1648-1669 1648-1669 1 omslag 130 Stukken betreffende de aanleg en het onderhoud van de grindweg van Doorn naar Oud- Leusden, 1838-1884 1838-1884 1 omslag Deze weg liep midden over de Leusderberg. NB 131 Stukken betreffende voorstellen tot ontginning van de woeste gronden van de Leusderberg, 1873-1886 1873-1886 1 omslag 2.3. Stukken waarvan het verband met het archief niet duidelijk is 132 Bekendmaking van het stadsbestuur van Amersfoort, waarbij aan alle vreemdelingen verboden wordt plaggen te halen of gras te maaien van het Amersfoordseveld en gemeente, 1638 1638 1 stuk 133 Condities van een openbare verkoping van enkele percelen aardappelen van het erf 't Vliet te Stoutenburg, 1770 1770 1 katern De verkoping geschiedde door G. van Coevorden, die tevens secretaris was van de meent van de Leusderberg. NB 134 Bijvoegsel bij de Zutphensche Courant met een bericht over de verdeling van de Voorster mark, 1879 1879 1 stuk

Archieven

Ga naar