Informatie over bronnen

DOOPBOEKEN
In de doopboeken worden doorgaans niet de geboortedata, maar de doopdata vermeld. Een doopboek bevat over het algemeen de volgende gegevens: de doopdatum, de voornaam van het kind en de voor- en achternamen van de ouders en de getuigen. In de oudere registers wordt de naam van de moeder soms weggelaten. In de katholieke doopboeken zijn vaak ook de namen van de doopvader en -moeder (peter en meter) genoteerd. Zij droegen medeverantwoordelijkheid voor de christelijke opvoeding van het kind.

U kunt zoeken op de voor- en achternaam van het kind en de voor- en achternamen van de ouders, getuigen en peters en meters. Indien de ouders ook getuigen waren, zijn deze namen niet vermeld bij getuigen.


(ONDER)TROUWBOEKEN
Een huwelijk in de provincie Utrecht was alleen rechtsgeldig als het gesloten was voor de gereformeerde kerk (hetzij Nederduits, hetzij Waals) of voor het plaatselijk gerecht van schout en schepenen. Voor gereformeerden volstond dus een huwelijk voor de eigen kerk, maar rooms- en oud-katholieken, joden en leden van de kleine protestantse kerken dienden voor het plaatselijk gerecht te trouwen om hun huwelijk rechtsgeldig te maken. Na 1795 moesten ook huwelijken tussen gereformeerden voor het gerecht worden aangetekend; in de stad Utrecht was dit al vanaf 1729 het geval.
Het trouwen verliep als volgt. Op een bepaald tijdstip ging men in ondertrouw, waarna in drie achtereenvolgende weken het voorgenomen huwelijk publiekelijk werd afgekondigd. Dit gebeurde op zondag tijdens de dienst in de gereformeerde kerk of bij huwelijken van niet-gereformeerden op marktdagen bij het stad- of rechthuis. Iedereen kon dan bezwaar maken tegen het huwelijk. Een huwelijk werd afgekondigd in de woonplaats van beide echtelieden, en soms in meerdere plaatsen als ze in de laatste maanden verhuisd waren.
Waren er geen problemen, dan werd het huwelijk voltrokken, meestal op de dag van de derde afkondiging. Zeker in kleinere plaatsen werd vaak geen afzonderlijk trouwboek bijgehouden. De eerste datum die in een trouwboek is vermeld, is dan in zo'n geval vaak de ondertrouwdatum, dus niet de huwelijksdatum. Het huwelijk werd doorgaans voltrokken in de woonplaats van de bruid.
Niet-gereformeerden sloten dikwijls naast een gerechtelijk huwelijk ook een huwelijk voor de eigen kerk. In deze trouwboeken tekent men de ondertrouw vaak niet aan. In deze gevallen is het dus mogelijk hetzelfde huwelijk in zowel een kerkelijk als in een civiel register aan te treffen.
Bij een gerechtelijk huwelijk werden echtparen ingeschreven die in de plaats van het gerecht zowel in ondertrouw gingen als trouwden. Daarnaast werden echtparen ingeschreven die elders wilden trouwen en daarvoor een attestatie / bewijs van het plaatselijk gerecht nodig hadden. Het kon ook zijn dat zij elders in ondertrouw waren gegaan, maar in de plaats van het gerecht wilden trouwen. Zij dienden dan voor het gerecht de attestatie van de plaats van ondertrouw te overleggen.

U kunt zoeken op de voor- en achternamen van de bruid en bruidegom en hun (onder)trouwdatum of aktedatum. De aktedatum betreft de (onder)trouwdatum of de datum waarop een attestatie is afgegeven door het gerecht. Indien vermeld in het trouwboek worden de woon- en geboorteplaats van bruid en bruidegom vermeld in de database. Als in het trouwboek vermeld staat: bruid of bruidegom van, vindt u dit aldus vermeld in het veld opmerkingen omdat niet duidelijk is of dit een geboorte- of woonplaats betreft. In de database zijn de namen van getuigen niet vermeld en evenmin de beroepen van bruid of bruidegom. Alle registers worden aangeduid als trouwboeken ook als het om ondertrouwboeken gaat; u kunt dit echter herleiden uit de vermelding van ondertrouwdata.


BEGRAAFBOEKEN
Begraafboeken werden bijgehouden vanwege het vastleggen van bepaalde begraafrechten. Het kon gaan om inkomsten uit het verhuren van de lijklakens, de baar en het baarkleed en voor het zogenaamde overluiden van de klokken bij de begrafenis. Deze inkomsten werden opgetekend in registers van ontvangst van begraafrechten. U vindt de bedragen vaak rechts in de marge vermeld in guldens en stuivers. Ook zijn er begraafboeken waarin de eigenaren van graven werden vermeld. Het primaire doel van beide soort registers was niet om overledenen te registreren.
Vóór 1811 konden overledenen alleen in of bij Nederduits-gereformeerde kerken worden begraven. Daarom staan in de gereformeerde begraafregisters ook andersdenkenden vermeld.  Alleen Joden, Hernhutters en sommige oud-katholieken hadden hun eigen begraafplaatsen en hielden een eigen begraafadministratie bij.
Voor de stad Utrecht is er nog een ander soort begraafboek beschikbaar waarin overlijdens zijn opgetekend. Dit zijn de registers van de Momboirkamer. De Momboirkamer of Weeskamer werd in 1623 door het stadsbestuur ingesteld en hield toezicht op een juist beheer van de nalatenschappen van minderjarige kinderen. Om die reden moesten kosters en doodgravers namen en adressen van overledenen en van hun nabestaanden aan de Momboirkamer doorgeven en daarbij opgeven of de overledene onmondige kinderen naliet.

U kunt zoeken op de voor- en achternaam van de overledene en de begraafdatum of aktedatum. Een overlijdensdatum staat slechts incidenteel vermeld. De akte- of inschrijfdatum betreft de begraafdatum of de datum waarop begraafgelden zijn ontvangen door de kerk. In het laatste geval staat de naam van diegene die de begraafgelden betaalde vermeld in het veld rol. Overleden vrouwen en kinderen werden in veel gevallen niet aangeduid met hun eigen naam, maar vaak als vrouw of kind van hun echtgenoot of vader. U kunt vrouwen en kinderen daarom soms alleen vinden door op de achternaam van de echtgenoot of vader te zoeken in het veld rol.

 

Collectie

DTB